De Wet des Heren

 

Het woord "WET" komt 354 keer voor in de Bijbel. "Wet des Heren" komt 16 keer voor en "Wet van Mozes" 20 keer.
Het woord "GEBOD" komt 99 keer voor in de Bijbel. "Gebod des Heren" 3 keer.

Exodus 20:1-+17

 

Staten Vertaling Kanttekeningen

Nieuwe Bijbel Vertaling

     
1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende: sprak God
nadat Mozes en Aron op den berg geklommen waren.

deze woorden
deze tien geboden

1 Toen sprak God deze woorden:
2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. diensthuis
huis der dienstknechten
2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.   3 Vereer naast mij geen andere goden.
4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u geen gesneden beeld
Hiertegen strijdt niet dat, op Gods bevel, Mozes de cherubim,
Exod. 25:18, en de koperen slang, Num. 21:8, enz. gemaakt heeft, dewijl zulks niet geschied is om dezelve enige godsdienstige eer te bewijzen
4 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde.
5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; hen dienen
Te weten, noch de afgoden zelf, noch ook Mij door dezelven, gelijk
Exod. 32:4,6, door het gouden kalf, en daarna de tien stammen door de twee gouden kalven, 1 Kon. 12:28

een ijverig God
God wordt genoemd een man zijns volks,
Jer. 2:2; Hos. 2:19; afgoderij wordt hoerdom genoemd, Deut. 31:16; Richt. 2:17; Jer. 3:9,20; hierom wordt Gods toorn over deze zonde genoemd jaloezie

5 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten;
6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onder- houden.   6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
7 Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.   7 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. dat gij dien heiligt
Dat is, zondert hem af van uw gemeen werk, of dagelijksen arbeid, behorende tot dit tijdelijke leven, en besteedt denzelven om God te dienen met heilige werken, die de eer Gods, en het eeuwige en geestelijke leven aangaan
8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag.
9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;   9 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten,
10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;   10 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen.
11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.   11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.   12 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
13 Gij zult niet doodslaan.   13 Pleeg geen moord.
14 Gij zult niet echtbreken.   14 Pleeg geen overspel.
15 Gij zult niet stelen.   15 Steel niet
16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.   16 Leg over een ander geen vals getuigenis af.
17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn
dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
  17 Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’

TERUG