De voormalige

Sint Walburgskerk

in

Groningen

 

Ten noordoosten van de huidige Martinikerk stond eertijds nog een andere kerk, de St. Walburgskerk genaamd.
In die kerk moeten ooit veel Romeinse gouden, zilveren en koperen munten zijn gevonden. In oude tijden schijnt de kerk ook meermalen als burcht dienst te hebben gedaan. De kerk werd toegewijd aan de Heilige maagd Walburgis, naar het schijnt een koningsdochter uit Engeland van Saksische stam en de zuster van Winibald en Willibald, twee van de metgezellen van Willebrord op zijn bekeringstocht naar de Friezen en Saksen. Bonifacius was haar oom.
Zij werd om haar bijzondere godsvrucht en om haar bevordering van het christendom, evenals haar hierdoor vermaarde bloedverwanten, zeer geƫerd. Zij werd tot Abdis van het klooster Heijdenheim in Swaben verheven en na haar dood werd ze heilig verklaard. Dat was in het jaar 870, de St. Walburgskerk moet dus na dat tijdstip gesticht zijn.

Kempius, een Friese schrijver uit het laatst der 16e eeuw heeft de Walburgskerk vrij uitvoerig beschreven.
De kerk had een ronde vorm, als een burcht en was van een erg wonderlijke en vreemde bouw, zoals nergens anders in deze streken te vinden was Kempius vergelijkt haar met de Mariakerk te Rome. De kerk was van zware dufstenen gebouwd en had een loden dak. De muren waren ten tijde van Kempius nog heel sterk.
Volgens een nog oudere kroniekschrijver van Gro- ningen, J. van Lemmege uit de 15e eeuw, moet de kerk in het zuiden en noorden gewelfd geweest zijn. De kerk had een klein vierkant stenen koor met een kelder eronder. Onder en boven kleine getraliede vensters. De toren had een fraaie spits.
Dichtbij de kerk, ten oosten van het koor, was een put met een bron van overvloedig en uitstekend water. Deze bron kon soms spontaan zo ontspringen, dat het hele plein besproeid werd. Er schijnen meer dergelijke bronnen in de buurt te zijn geweest. Bovengenoemde Kempius vermeldt ook, dat er onder de kerk een onderaardse gang is gevonden, die helemaal tot Helpman doorliep.
Enige nieuwsgierigen, die zich in die gang begaven, bijgelicht door fakkels en lantaarns, zouden reeds na enkele meters halsoverkop teruggekomen zijn, want ze hadden daarbinnen een stormwind gevoeld, waardoor hun lichten waren uitgewaaid . Het is maar de vraag wat daarvan waar is. De stad zou nog meer van die onderaardse gangen gehad hebben. In 1611 stortte de zuidoostzijde van de St. Walburgskerk in en de gemeenteraad besloot toen de hele kerk af te breken en de dufstenen te verkopen.
Men begon wel met die afbraak maar maakte het niet af.
Pas in 1627 werd de kerk volledig afgebroken.
Haar goederen kwamen toen bij die van de Martinikerk.

Terug