F I F F I E . en . P I F F I E
en
S . N . I . F . F . I . E
Een verhaaltje van Wijndelt van Dam
Daar heb je Sniffie!
Er was eens een grote bruine kip.
En
die kip legde een groot bruin ei.![]()
Die grote bruine kip ging op dat grote bruine ei zitten broeden.
Er groeide toen in dat ei een kuikentje.
Toen dat kuikentje vond, dat mamma kip lang genoeg gebroed had, tikte het met het snaveltje tegen de binnenkant van de buitenkant van het ei.
"Ik wil druuuuuiiiiit!" riep het kuikentje luidkeels.
"Hè hè," zei mamma kip. "Ik dacht, dat je nooit rijp zou worden. Waarom duurde het zolang, voordat je tegen de binnenkant van de buitenkant van het ei tikte?"
"Mijn snaveltje was niet eerder klaar," zei kindje kip.
Mamma
kip ging toen van het ei af en kindje kip kwam te voorschijn.
Mamma kip schrok zich een hoedje of twee
en zei: "Lieve
deugd! Wat komt daar nou uit mijn ei!?"
Het
was een hééél groot kuiken.
Eigenlijk
ook wel logisch. Als een grote bruine kip een groot bruin ei legt,
dan is het natuurlijk te verwachten, dat daar ook een groot
kuiken uit zal komen.
En natuuuurlijk was dat kuiken ook bruin, net als mamma kip.
Mamma kip woonde in een mooie kippenren bij een mooi klein boerderijtje in een mooi Drents dorpje, dat Kippeveen heette.
Dat boerderijtje was van boer Speklap. Karel Speklap. En hij was getrouwd met Henderika Leverworst.
Ze hadden twee kleine dochtertje van zes en vier jaar oud.
Het oudste dochtertje heette Fiffie en het jongste dochtertje heette Piffie.
De
volgende morgen zei Fiffie tegen Piffie: "Zullen we eens
kijken of er al een kuikentje uit het grote bruine ei van de
grote bruine kip is gekomen?"
"Ja," zei Piffie. "Laten we dat maar eens doen."
Ze liepen naar de kippenren, maar er was nog geen kip te zien en dat was ook logisch, want het schuifje zal nog voor het deurtje naar het nachthok.
Fiffie trok aan het touwtje van het schuifje en toen ging het schuifje omhoog en kon mamma kip eruit.
"Kiiiip
kip kip kiiiip," riep Fiffie.
En Piffie deed haar meteen na: "Kiiiip kip kip kiiiip!"
En ja hoor, daar kwam de grote bruine kip naar buiten stappen.
"Tòòòòk
tòk tòk tòòòòk," riep mamma kip en daar kwam ook
kindje kip naar buiten stappen.
Kindje kip knipperde met de oogjes tegen het zonlicht, want
kindje kip was nog niet aan zoveel licht gewend.
"Tjip tjip tjip," zei kindje kip.
"Tòk tòk tòòòòk," zei mamma kip.
Fiffie
en Piffie moesten erom lachen.
"Ze praten met elkaar," zei Fiffie tegen Piffie. "Moeten
we dat grote kuiken ook een naam geven?"
"Ja!" riep Piffie. "Laten we een naam bedenken."
Maar
dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan.
Ze wisten ook niet of het een jongetje of een meisje was.
Dat vroegen ze aan pappa.
"Zeg pappa, weet jij misschien of dat kuikentje een jongetje
of een meisje is?"
"Welk kuikentje," bromde boer Speklap. "Ik weet
niets van een kuikentje."
"Nou pappa," zeiden Fiffie en Piffie in koor, "mamma
kip heeft een baby gekregen en die baby willen wij een naam geven,
maar wij weten niet of het een jongetje of een meisje is."
Boer
Speklap ging mee naar de kippenren en pakte het kuikentje in zijn
grote boerenknuisten.
"Voorzichtig pappa!" riep Fiffie angstig. "Straks
knijp je kindje kip nog dood!"
"Zeur niet," bromde pappa Speklap.
"Eens even zien. Ja hoor, ik zie het al. Het kuikentje heeft
maar een heel klein kammetje, het is een hen."
"Een wàt?" vroeg Piffie.
Maar Fiffie, die al twee jaartjes ouder was dan Piffie, wist wel
wat een hen was.
"Dat betekent een meisje," zei Fiffie.
"O" zei Piffie.
"Nou, dan kunnen we nu een naam gaan bedenken."
Ze probeerden allerlei namen, maar de juiste naam was er steeds niet bij.
Maar eindelijk riep Fiffie: "Ik weet het! Laten we het kuiken- tje Sniffie noemen. Dat rijmt ook mooi, dan zijn wij Fiffie, Piffie en Sniffie."
Het
duurde niet lang of Sniffie begon Fiffie en Piffie al te kennen.
Elke morgen, voor ze naar school gingen, liepen ze eerst even
naar de kippenren en riepen: "Sniffie, Sniffie, waar zit je?"
En meteen kwam Sniffie dan uit het nachtverblijf naar buiten
gerend. En altijd was ze blij om Fiffie en Piffie te zien. Ze
maakte dan een sprongetje van blijdschap en ze klapte in de
vleugeltjes van plezier!
Sniffie zoekt het avontuur.
Enkele weken later was Sniffie al een groot kuiken geworden, ze begon zelfs al op een echte kip te lijken.
Maar
toen op een morgen.... grote paniek!
Fiffie en Piffie kwamen 's morgens naar de ren om Sniffie te
begroeten.
Maar hoe ze ook riepen, Sniffie verscheen niet...
En
opeens zagen ze een groot gat in het gaas van de ren.
De
schrik sloeg hen om het hart.
O wee, Sniffie was ontsnapt.
Tranen met tuiten huilden ze, verschrikkelijk veel tranen met
verschrikkelijk veel tuiten.

Sniffie intussen, wist zich van de prins geen kwaad. Vrolijk trippelde ze langs de grote weg, dicht langs de slootkant. "Wat is het mooi hier," dacht ze. "Ik wist niet dat de wereld zo mooi was en zo vreeeeselijk groot."
Maar ze miste haar mamma toch wel een beetje. Even dacht ze erover om terug te gaan, maar haar nieuwsgierigheid naar die grote onbekende wereld was te sterk.
Na
een poosje kwam Sniffie door een ander dorpje. Een klein rustig
dorpje, dat heette Haneveld.
Voorbij dat dorpje kwam ze op een smal fietspad langs een brede
sloot.
En daar... beleefde ze haar eerste avontuur.
Er
liep daar een grote grijze poes.
Eerst dacht Sniffie nog, dat die poes met haar wou spelen, maar
nog net op tijd kwam ze erachter, dat die poes heel andere
plannen met haar had...
En Sniffie maakte, dat ze wegkwam. Ze fladderde met haar vleugeltjes en bereikte al fladderend de overkant van de sloot. Gelukkig was dat een brede sloot, zodat de poes er niet over kon springen. En zwemmen doen poezen niet, dus was Sniffie weer veilig.
Aan
de overkant van de sloot was Sniffie in een groot park
terechtgekomen met bomen en struiken en een grote vijver.
Er liepen ook grote koeien met van die grote hoorns, dat waren
Schotse Hooglanders. Maar dat wist Sniffie natuurlijk niet.
In
die vijver zwommen eenden en ganzen.
Er was ook een moeder eend met negen jonge eendjes.
Dat vond Sniffie wel leuk en die jonge eendjes vonden Sniffie ook
wel leuk, want ze kwamen op de wal om Sniffie te begroeten.
"Hallo,"
zeiden de eendjes tegen Sniffie. "Wat ben jij een
vreemdsoortige eend."
"Ik ben helemaal geen eend," zei Sniffie. "Ik ben
een kuiken." Nou, daar hadden de eendjes nog nooit van
gehoord.
Het waren ook nog maar erg jonge eendjes en ze wisten dus ook nog
niet veel.
"Kom
je met ons mee het water in?" vroegen de eendjes.
"Nee," zei Sniffie, "dat kan niet, want ik kan
niet zwemmen." Daar keken de eendjes van op, want ze dachten,
dat alle beestjes met vleugeltjes konden zwemmen.
Toen
de eendjes weer in het water gingen, vond Sniffie er ook niet zo
veel meer aan en dus ging ze weer verder.
Op zoek naar meer avontuur.
Maar ze begon ook wel wat honger te krijgen.
Op zoek naar Sniffie.
Fiffie
en Piffie waren heel erg verdrietig, dat hun kuikentje zomaar
verdwenen was.
Overal hadden ze gezocht, in het nachthok, in de schuur, in het
varkenshok, bij de koeien, in de keuken, op zolder, zelfs in de
bedstee van pappa en mamma.
En buiten hadden ze hun keeltjes rauw geroepen: "Sniffie,
waar ben je??? Sniiiiiffiiiiieeeee!!! Koooooom dan!"
Maar Sniffie kwam niet. Sniffie kon hen natuurlijk ook niet horen,
want ze was toen allang voorbij Haneveld.
"Zeg
Piffie," zei Fiffie, "weet je wat ik denk?"
"Nee Fiffie," zei Piffie, "wat denk je dan?"
"Ik denk Piffie," zei Fiffie, "dat Sniffie weg is
en nooit terugkomt."
"Ja Fiffie," zei Piffie, "dat denk ik ook. Zou
mamma misschien raad weten?"
En
toen gingen ze samen naar mamma om hulp.
Maar mamma kon natuurlijk ook niet weten, waar Sniffie helemaal
naar toe was.
"Weet je wat?" zei mamma Henderika. "We nemen de fiets en gaan op zoek naar Sniffie."
Dat
vonden Fiffie en Piffie prachtig.
Vlug pakte Fiffie haar fietsje.
Piffie moest bij mamma achterop, want ze had zelf nog geen
fietsje. Daar waren haar beentjes ook nog te kort voor.
Toen
ze voor de boerderij stonden, moesten ze eerst nog even
overleggen, welke richting ze moesten nemen.
Gingen ze naar rechts, dan kwamen ze in een stadje en gingen ze
naar links, dan kwamen ze in Haneveld.
Gelukkig besloten ze naar links te gaan, richting Haneveld.
"Fiffie, kijk jij aan de rechterkant van de weg?" zei mamma.
"Dan
kijk ik wel aan de linkerkant," zei Piffie.
"Goed zo," zei mamma, "dan zal ik aan beide kanten
kijken, dan moet het al raar zijn als we Sniffie niet vinden. Of
ze moet al een heel eind van de weg afgedwaald zijn."
Ze kwamen door Haneveld, maar nog steeds geen spoor van Sniffie.
Voorbij Haneveld zagen ze een grote grijze poes lopen.
"Dag
poes," zei Fiffie, "heb je misschien ook een kuikentje
gezien?"
"Ja," zei de poes, "dat heb ik zeker. En dat leek
me wel een lekker hapje, maar ze is over de sloot gevlogen en
ontkomen."
Een
eind verder was een bruggetje over de sloot en daar gingen mamma
Henderika en Fiffie en Piffie over om in het park te komen.
Fiffie en Piffie vonden die grote koeien wel wat eng, maar omdat
mamma bij hen was, durfden ze wel verder te gaan.
Ze
kwamen bij de vijver, waar de eendjes zwommen.
Toevallig had mamma nog wat oud brood in haar fietstas.
Ze stapten van de fiets en gingen de eendjes brood voeren.
"Zeg
Fiffie," zei Piffie, "misschien hebben die eendjes
Sniffie wel gezien."
"Ja," zei Fiffie, "wie weet. En ze vroeg het
meteen."
"Ja hoor!" riepen de eendjes in koor. "Er is hier
een kuiken geweest en die kon niet eens zwemmen!"
Toen wisten ze natuurlijk ook, dat ze nog steeds in de goede richting aan het zoeken waren. Het brood was intussen op. Ze bedankten de eendjes voor de informatie en gingen weer verder.
Een eindje verder ging het pad opeens steil omhoog tegen een heuvel op. Fiffie had de grootste moeite om er tegenop te komen. En ook mamma had het er niet gemakkelijk mee, want zij had ook Piffie nog achterop.
Puffend en blazend kwamen ze boven. Gelukkig stond daar een bank, zodat ze even konden gaan zitten om uit te rusten. Mamma had nog een paar lekkere appels in haar fietstas en die gingen ze lekker opsmikkelen.
"Kijk daar eens!" riep Fiffie opeens. "Wat hebben die jongens daarginds bij zich op de grond."
Mamma
keek ook eens die kant op en zag ook dat daar twee jongetjes
waren, die aandachtig naar iets keken.
Het leek wel of er iets tussen de struiken zat, wat heel erg hun
belangstelling had getrokken.
"Zullen
we eens gaan kijken mamma?" vroeg Fiffie. Ze waren toch net
van plan verder te gaan, want ze hadden de appels op.
"Laten we dat maar doen," zei mamma.
Bij de jongetjes aangekomen, zagen ze tussen de struiken iets geels en het piepte ook.
"O Piffie," zei Fiffie, "ik geloof, dat het Sniffie is!"
Vlug liepen ze toen naar de struiken toe en ja hoor! Het was Sniffie!
Fiffie en Piffie maakten een rondedans van blijdschap en Sniffie danste vrolijk met hen mee, want ze was maar al te blij, dat ze haar vriendinnetjes weer terugzag.
Opgewekt snaterend stapten ze weer op de fiets en gingen naar huis. Sniffie zat bij Fiffie in een klein mandje aan haar stuur.
Pappa Speklap had intussen het gat in het gaas gerepareerd, zodat Sniffie niet opnieuw op avontuur kon gaan.
Maar daar had Sniffie voorlopig ook helemaal geen zin meer in. Ze was veel te blij, dat ze weer op haar vertrouwde stekkie terug was.
J K L
L K J