De Geschiedenis van
S I M S O N


Nadat Mozes, die het volk van Isral uit Egypte geleid had, gestorven was werd Isral geleid door Jozua. Jozua is 110 jaar oud geworden. Toen is hij overleden.
Na Jozua kwamen er richters.
Weet je wat een richter was?
Richters waren mensen, die door de Here God aangesteld werden om het volk van Isral vr te gaan in de strijd tegen de onderdrukkers en hen daarvan te verlossen.

Ook Simson behoorde tot de richters.

Sommige bijbelse verhalen zijn wat gewelddadig.
Ook in de geschiedenis van Simson, die ontzettend sterke man, die ten strijde trok tegen de Filistijnen, komt geweld voor.

De richter die vr Simson richter was, heette Abdon.
Toen Abdon overleden was, moest Isral het een tijdlang zonder richter doen
Maar de Isralieten zondigden tegen de Here God. Ze gingen zelfs afgoden aanbidden.
In de Bijbel staat dan : En de kinderen Israls voeren voort te doen wat kwaad was in de ogen des Heren.
Ze werden daarvoor door God gestraft. Weet je hoe? De Here God liet toe, dat de Filistijnen het Joodse volk gingen overheersen. Ze speelden de baas over hen.

In Zora
(nooit van gehoord zeker?) woonde toen een zekere meneer Manoah met zijn vrouw, dat was dus mevrouw Manoah.
Meneer en mevrouw Manoah hadden geen kinderen en dat vonden ze wel jammer.
Maar eens op een dag gebeurde er iets bijzonders.
Mevrouw Manoah was buiten bezig en toen stond er opeens pets boem zomaar een man voor haar. En dat was een Engel.
De Engel zei tegen haar: "U hebt geen kinderen, maar daar zal verandering in komen. U zult een zoon krijgen
Vanaf nu mag u geen wijn of sterke drank drinken en ook mag u beslist geen onrein voedsel gebruiken.
Uw zoon zal vanaf zijn geboorte een Nazireer zijn, een speciale dienaar van God. Zijn haar mag nooit geknipt worden. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Isral uit de macht van de Filistijnen."
Weet je wat een Nazireer is?
Dat was iemand, die een speciale dienaar van God was.
Het Hebreeuwse woord Nazir betekent een afgezonderde van de wereld. Iemand die zich helemaal met goddelijke dingen bezighoudt.
Mevrouw Manoah was natuurlijk helemaal hoteldebotel door die onverwachte verschijning van de Engel.
Opgewonden ging ze de tent in en vertelde alles aan haar man.
Die was natuurlijk ook volkomen verrast en hij kon het maar nauwelijks geloven.
Hij wist niet anders, dan dat ze geen kinderen konden krijgen.
Meneer Manoah bad toen tot de Here God om die Engel nog eens langs te sturen.
Zijn gebed werd verhoord.
Mevrouw Manoah was net op het land bezig, toen de Engel opnieuw aan haar verscheen.
"Wilt U alstublieft even wachten tot mijn man ook hier is?" vroeg ze aan de Engel.
Snel liep ze naar huis om haar man te halen.
Toen ze bij de Engel waren, vroeg meneer Manoah om meer gegevens over de zoon, die ze zouden krijgen.
De Engel zei: "Ik heb alles al aan uw vrouw gezegd. Ze mag niets eten dat onrein is en ze mag geen wijn of sterke drank tot zich nemen."
Meneer Manoah wilde toen dat de Engel bij hen bleef eten, maar dat weigerde de Engel.
"Ik zal uw brood niet eten," zei hij, "en een brandoffer mag u alleen aan de Heer offeren."
Toen nam meneer Manoah een geitenbokje en offerde dat aan de Heer.
Het vuur laaide hoog op en de Engel verdween in de vlammen.
Toen begrepen meneer en mevrouw Manoah, dat ze met een Engel des Heren te doen hadden gehad.
Ze bogen zich diep in het stof en meneer Manoah was bang, dat ze zouden sterven, omdat ze God hadden gezien. Maar dat was zijn vrouw niet met hem eens. De Here God had hun immers een zoon in het vooruitzicht gesteld?

Precies zoals de Engel hun had gezegd, kregen ze een zoon. Ze noemden het kindje Simson.
Onder Gods zegen groeide het ventje op tot een flinke, sterke jongeman.
Over het algemeen krijgen jongemannen op een bepaalde leeftijd belangstelling voor de meisjes.
En Simson vormde daarop geen uitzondering.
Toen hij eens in de plaats Timna* was, die dicht bij de Middellandse Zee lag, ontmoette hij daar een meisje.
En…. hij werd verliefd op haar. Dat was natuurlijk op zich niet zo erg, maar….. dat meisje was een Filistijnse en dat veranderde de zaak natuurlijk!
Thuis vertelde hij dat aan zijn ouders en die schrokken zich een hoedje. Ze schrokken zich zelfs een hele hoedenwinkel vol hoedjes!
Simson, hn Simson met een Filistijnse? Een meisje van de vijanden van hun volk? Dat kon niet!!!
Dat mocht niet!!! Simson was immers geroepen om de Filistijnen te bestrijden!?!
Wat meneer en mevrouw Manoah niet wisten was, dat dit allemaal de wil van de Here God was.
En wat ze ook tegen Simson zeiden, het hielp allemaal geen sikkepitje.
Simson was nu eenmaal buitengewoon verschrikkelijk smoorverliefd op dat meisje en hij wilde beslist met haar trouwen.
Tenslotte gaven meneer en mevrouw Manoah het op en gingen ze met Simson mee naar Timna*ht om zijn aanstaande te leren kennen.
Wil je weten hoe die ontmoeting was?
Ja, dat zou ik ook wel willen weten, maar daarover vertelt de Bijbel ons niets. Jammer h?
Maar de Bijbel vertelt ons wel over een avontuurtje, dat Simson onderweg naar Timna* had, zonder dat zijn ouders er iets vanaf wisten.
Simson was even iets van de weg afgedwaald.
En opeens kwam er vanuit het struikgewas een leeuw op hem af met grote blinkende tanden en dreigend gegrom.
Simson dacht: "H, daar komt een leeuw aan, wat zou die van plan zijn?"
Nou, wat die leeuw van plan was werd hem meteen wel duidelijk, maar bang werd hij niet.
"Kom maar op vriend," zei Simson, "ik lust je rauw."
En op het moment dat de leeuw hem wilde grijpen, kwam Simson in actie.
Hij greep de kaken van de leeuw in zijn sterke handen en trok de bek van de leeuw met geweld open.
"Verhip," dacht de leeuw, "wat een sterke vent is dat!"
Maar dat was ook meteen het laatste wat hij dacht, want Simson trok de bek nog verder open en zo verscheurde hij de leeuw, alsof het slechts om een jong bokje ging.
Simson liet de dode leeuw liggen en liep snel verder om zijn ouders in te halen, die intussen al een stuk verder waren.
Zonder iets over de leeuw te vertellen, voegde Simson zich weer bij hen en gezellig keuvelend vervolgden ze hun weg naar Timna*.
Na enige tijd ging Simson opnieuw naar Timna*. Deze keer ging hij erheen om met het meisje van zijn dromen te trouwen.
Onderweg keek hij even op de plek waar hij de leeuw gedood had.
Die leeuw lag er nog
(hij kon natuurlijk ook moeilijk weglopen) en de leeuw had inwoning gekregen van een zwerm bijen, die intussen al een mooi voorraadje honing had aangelegd.
Simson nam wat van die honing en terwijl hij lekker van de honing smikkelde vervolgde hij zijn weg.
Toen hij zich daarna bij zijn ouders voegde, gaf hij hun ook wat van de honing, maar hij vertelde niet hoe hij aan die honing kwam.

En toen kwam er dus een bruiloft!
En dat was me toch een bruiloft!!
Die duurde zeven dagen!!! Wauw!!!!
Er werden toen door de Filistijnen aan Simson dertig metgezellen toegewezen, een soort bruidsvrienden.
Die moesten hem gezelschap houden en tegelijk ook een beetje in de gaten houden, want de Filistijnen vonden, dat je zo'n Joodse jongen niet volledig kon vertrouwen.
Simson zei toen tegen deze bruidsvrienden: "Ik weet een mooi raadsel. Als jullie gedurende de zeven dagen van deze bruiloft het antwoord vinden, dan krijgen jullie elk van mij twee mooie kledingstukken. Maar als jullie het niet raden, dan krijg ik van elk van jullie twee van die mooie kledingstukken."
"Ok," zeiden de 'vrienden', "kom maar op met je raadsel. Wij zullen dat wel even klaren, ga maar alvast die kleren kopen."
En toen kwam Simson met het volgende raadsel: Spijze ging uit van de eter en zoetigheid ging uit van de sterke.
Daar konden de 'vrienden' het mee doen. Ze piekerden en ze piekerden en ze piekerden……
Ze piekerden zich suf, maar ze kwamen er niet uit.
Toen brak de zevende dag van de bruiloft aan. Het eind van het feest naderde dus en dan moesten ze met de oplossing van het raadsel komen, anders hadden ze verloren.
Toen zeiden ze tegen elkaar: "Zijn bruid moet de oplossing van hem gewaar zien te worden."
Ze gingen toen naar de bruid van Simson en dreigden het huis van haar vader in brand te steken als ze niet zorgde dat ze de oplossing van het raadsel kregen.
Zij ging toen naar Simson en vroeg hem: "Wat is dat met dat raadsel, daar heb je mij helemaal niets over verteld."
"Dat klopt," zei Simson, "ook mijn ouders heb ik er niets van gezegd."
"Maar mij kun je het toch vertellen? Een man moet voor zijn vrouw toch geen geheimen hebben?"
Maar Simson hield voet bij stuk en gaf haar de oplossing niet.
Op het laatst verweet ze hem huilend, dat hij niet van haar hield, als hij bleef weigeren haar het raadsel te vertellen.
Uiteindelijk zwichtte Simson voor haar tranen en vertelde hij haar de oplossing van het raadsel.
Stiekem ging de bruid toen naar de 'vrienden' en vertelde hun de oplossing.
Toen het feest ten einde liep, ging Simson naar de 'vrienden'. Hij was benieuwd of ze de oplossing hadden gevonden. Eigenlijk was hij ervan overtuigd, dat ze het niet hadden kunnen raden.
Hij was dan ook verbaasd, toen ze het antwoord op het raadsel gaven: "Wat is zoeter dan honing en wie is sterker dan een leeuw?"
Al gauw had Simson door hoe ze aan die oplossing waren gekomen.
Boos ging Simson toen naar de stad Askelon en roofde daar de kledingstukken, die hij nu aan de 'vrienden' moest geven.

Askelon lag aan de Middellandse Zee en behoorde aan de stammen Juda en Simeon. Maar de stad werd door de Filistijnen bewoond.

Boos keerde Simson toen naar zijn ouderlijk huis terug, zonder nog naar zijn bruid om te kijken.
Zij werd toen aan n van de 'vrienden' tot vrouw gegeven.

Na een paar dagen was de boosheid van Simson wat gezakt en toen dacht hij bij zichzelf: "Kom, laat ik toch maar weer naar mijn bruid gaan."
Maar toen hij bij haar huis was aangekomen, wilde de vader van zijn bruid hem niet binnenlaten.
Dat was ook wat, hoe moest dat nou?
"Waarom mag ik niet binnenkomen?" vroeg Simson.
"Da's je eigen schuld," kreeg hij te horen. "Je was met kwaaie kop weggelopen en ik dacht, dat je mijn dochter niet meer wilde en dus heb ik haar aan een van de bruidsvrienden ten huwelijk gegeven. Maar weet je wat? ik geef je een van haar jongere zusters tot vrouw. Wat zeg je daarvan?"
Maar daar wilde Simson niets van weten.
En weer werd hij boos! Buitengewoon verschrikkelijk boos. Witheet van woede!
En toen ging Simson op jacht. Niet met een geweer of pijl en boog, maar met zijn blote handen.
En wat ving hij? Driehonderd vossen!
Daarna zorgde hij voor een heleboel fakkels.
En wat hij toen deed, is onvoorstelbaar! Als wij dat zouden doen, zouden we vast en zeker met de dierenbescherming te maken krijgen.
Eigenlijk was Simson toen wel erg wreed. In onze ogen was het ernstige dierenmishandeling.
Hij bond steeds twee vossen met de staarten aan elkaar vast en daar bond hij dan ook nog een fakkel aan vast.
En toen stak hij die fakkels aan en joeg de vossen de korenvelden van de Filistijnen in.
Alles op het land werd verbrand, ook de korenhopen en ook de wijngaarden en olijfbomen.
Maar daar kwam natuurlijk wel een reactie van de Filistijnen op.
Die waren nu aan de beurt om buitengewoon verschrikkelijk boos te worden.
En wat deden ze?
Ze grepen de bruid van Simson en haar vader en deden hetzelfde wat Simson had gedaan. Ze verbrandden die twee mensen. Erg allemaal h?
Simson hoorde dat natuurlijk en hij liet het er niet bij zitten.
Hij ging weer naar de Filistijnen en sloeg er op los. Talloze slachtoffers maakte hij.
Daarna trok hij zich terug in een rotskloof bij Etam.

De stad Etam lag op een hoge en sterke rots bij het zuidelijke einde van het gebergte van Juda.

Toen was het weer de beurt van de Filistijnen om in actie te komen.
Ze trokken ten strijde tegen Juda, maar eigenlijk ging het hen natuurlijk om Simson en dat zeiden ze dan ook tegen de mannen van Juda.
Toen gingen de mannen van Juda op zoek naar Simson en ze vonden hem ook.
"H oelewapper," zeiden ze tegen Simson, "waarom ging je zo tekeer tegen de Filistijnen? Nu zitten wij met de gebakken peren. Maar denk maar niet, dat wij dat pikken, we gaan je uitleveren aan de Filistijnen."
"Oei," zei Simson, "da's niet zo mooi. Maar beloof me dan n ding: lever me levend uit aan de Filistijnen, dood mij niet."
„Nee hoor, dat doen we niet," zeiden de mannen van Juda.
Toen bonden ze Simson stevig vast met twee nieuwe, sterke touwen en namen hem mee.
Toen ze met Simson in Lechi aankwamen, lieten de Filistijnen een luid gejuich horen. Ze klapten in de handen en dansten van plezier, want ze waren ervan overtuigd, dat ze Simson, die sterke Simson nu in hun macht hadden.
Maar Simson werd er niet heet of koud van. Hij spande zijn spieren en verbrak de touwen, waarmee hij gebonden was alsof het dunne draadjes waren.
Toen zag Simson daar een ezelskinnebak liggen.
Weet je wat een ezelskinnebak is? Dat is de onderkaak van een ezel.
Simson pakte die kinnebak op ging er de Filistijnen mee te lijf.
Hij heeft er wel duizend man mee doodgeslagen.
De plaats waar dat gebeurde, noemde Simson "Ramat-Lechi". Dat betekent "Kaakheuvel".
Daarna ging Simson naar de Filistijnse stad Gaza en ging daar een herberg binnen.
En weer beraamden de Filistijnen een plan om hem gevangen te nemen.
Ze besloten te wachten tot de volgende morgen en dan toe te slaan.
Uit voorzorg sloten ze de stadspoort, zodat Simson niet weg kon komen. Tenminste, dat dachten ze.
Maar Simson was ze weer te slim af.
Om middernacht stond hij op, kleedde zich aan en sloop naar buiten, naar de stadspoort.
Toen hij die poort gesloten vond rukte hij de poort met zijposten en al uit de grond. Legde hem over de schouders en klom er de berg mee op. Een hoge berg ten oosten van Gaza.
Daar smeet hij de poort neer.
Wat zullen de Filistijnen op hun neus hebben gekeken.

Later gebeurde het eens, dat Simson een jonge vrouw ontmoette, die hij wel heel erg aardig vond.
En zij vond hem ook wel aardig. En… ze werden verliefd op elkaar. Ze heette Delila.
Maar ook nu waren er weer verklikkers en dus kregen ook de hoge omes van de Filistijnen al gauw te horen van Simson en Delila.
Delila kreeg toen bezoek van vijf van die hoge omes.
En die zeiden tegen haar: "Hoor eens even Delila, je kunt een hoop geld verdienen als je Simson aan ons uitlevert."
"Hoe moet ik dat doen?" vroeg Delila.
"Heel eenvoudig," zeiden de hoge omes, "je moet gewoon achter het geheim van zijn geweldige kracht zien te komen en dat dan aan ons vertellen."
"Zo zo," zei Delila, "en wat schuift het??"
"Als het je lukt, dan krijg je van ieder van ons elfhonderd zilverlingen."
"Oei," zei Delila, "da's een boel geld."
Elfhonderd zilverlingen was net zoveel als ongeveer 300 euro.
En die hoge omes waren met zijn vijven, zodat ze vijfenvijftighonderd zilverlingen kon verdienen.
"Top, ik doe het," zei Delila.
Het was dus duidelijk dat ze meer van geld hield dan van Simson.
Toen Simson weer bij haar was, zei Delila: "Zeg Simson, hoor eens." "Ja Delila," zei Simson, "wat is er?" "Hoe komt het toch, dat je zo sterk bent? Ben je dan op geen enkele manier te verslaan?"
"O jawel hoor," zei Simson, "echt wel, maar niet gemakkelijk. Maar als ze mij zouden binden met zeven dikke, verse koorden, die niet verdroogd zijn, dan zou ik machteloos zijn."
Delila vertelde dit de volgende dag aan de Filistijnen, die onmiddellijk voor de nodige koorden zorgden.
Die avond verschool een aantal Filistijnen zich in het huis van Delila.
Toen Simson later lag te slapen, bond Delila hem met de koorden vast.
Daarna maakte ze hem wakker en riep: "Simson, sta op, want de Filistijnen willen je overmeesteren."
Maar Simson kwam overeind en verbrak de koorden alsof het dunne draadjes waren en ging de Filistijnen te lijf.
Delila barstte in tranen uit. "Hoe kun je me nu zo voor de gek houden Simson, snikte ze. Je zei, dat je machteloos zou zijn als je op die manier gebonden zou zijn, maar je bent helemaal niet machteloos. Je hebt me gewoon voor schut gezet! En ik dacht nog wel dat je van me hield!"
Simson nam haar in zijn armen en zei: "Stil nu maar, droog je tranen en dan zal ik je vertellen, hoe ik echt machteloos zou worden." "Echt waar Simson?" "Ja, echt waar. Luister. Als je mij zou binden met sterke, nieuwe touwen, dan zou ik mezelf niet kunnen bevrijden."
Die nacht bond Delila hem met sterke, nieuwe touwen.
En net als de nacht ervoor, riep ze: "Simson! De Filistijnen!"
Maar weer verbrak Simson met het grootste gemak de touwen.
Toen begon Delila echt boos op hem te worden.
"Simson, je drijft gewoon de spot met mij! Ik betwijfel of je echt wel van me houdt!"
Simson zou nu toch intussen wel in de gaten moeten hebben, dat hij Delila niet kon vertrouwen, maar nee hoor, die domoor had nog steeds niets in de gaten.
"Toe Simson," smeekte Delila, "vertel me nu eindelijk je geheim."
"Nou," zei Simson, "als je mijn haar stevig vastmaakt aan een weversboom, dan zou ik me niet kunnen bevrijden." "Echt niet Simson?" "Echt niet Delila!"
Het werd avond en het werd nacht. Simson was in diepe slaap verzonken.
Toen maakte Delila zijn haren aan een weversboom vast.
Ze gebruikte zelfs nog een stevige pin om een en ander goed vast te zetten.
Maar ook deze keer had Simson haar wat wijsgemaakt, want toen ze weer riep: "Simson! De Filistijnen!" kon hij zich ook deze keer weer gemakkelijk bevrijden.
Maar toen werd Delila pas echt boos!
Haar gezicht liep helemaal rood aan en ze stampte woedend met haar voet op de grond. Ze stampte zelfs zo hard, dat haar naaldhak afbrak.
"Hoe kun jij nu zeggen, dat je van me houdt," schreeuwde ze hem met van woede verwrongen gezicht toe.
"Ga weg! Ik wil je nooit meer zien!!"
Maar Simson ging niet weg, hij bleef bij haar, hoewel zij elke dag aan zijn hoofd zeurde om haar zijn geheim mee te delen.
Er wordt gezegd, dat liefde blind maakt en dat blijkt ook hier wel, want Simson moet nu onderhand toch wel door hebben, dat Delila probeert hem in handen van de Filistijnen te spelen. Maar uiteindelijk vertelt hij haar toch, hoe ze hem werkelijk zwak kan krijgen.
"Delila," zegt Simson, "ik hou echt heel veel van jou en als bewijs daarvoor zal ik je nu vertellen wat het geheim van mijn kracht is. Ik ben een Nazireer Gods en vanaf mijn geboorte is er nooit een scheermes op mijn hoofd geweest. En dat mag ook niet, want als mijn hoofdhaar afgeschoren wordt dan verlies ik mijn kracht."
Delila had wel in de gaten, dat Simson deze keer de waarheid had gesproken en vlug stuurde ze een boodschap naar de hoge omes van de Filistijnen.
Die avond verstopten de Filistijnen zich weer in haar woning.
Simson en Delila zaten naast elkaar op de bank. Simson werd wat slaperig en zachtjes legde Delila zijn hoofd in haar schoot.
Het duurde niet lang of Simson sliep als een roos.
Zachtjes riep Delila een man, die toen het haar van Simson ging afknippen en scheren.
Toen dat gebeurd was, maakte Delila hem wakker en riep: "De Filistijnen Simson!!!"
Vlug sprong Simson overeind, maar helaas… hij was machteloos tegenover de Filistijnse overmacht. Hij was echt zijn grote kracht kwijt.
Moeiteloos konden de Filistijnen hem gevangen nemen.
Wreed staken ze zijn ogen uit en namen hem mee naar Gaza.
Hij werd geketend en moest slavenwerk verrichten. Lopende in een tredmolen moest hij een molen aandrijven.
Het gebeurde op een dag, dat de Filistijnen vonden, dat ze wel een feestje hadden verdiend, omdat hun god Dagon Simson in hun handen had gegeven.
Al gauw was het feest in volle gang.
Er werd gezongen en gedanst en vooral heel veel gedronken.
Ze werden dan ook vrolijker en vrolijker.
Toen kwam er iemand op het idee om Simson erbij te halen.
Hij riep: "Laten we Simson halen en voor ons laten spelen!"
"Ja ja!!!"riepen ze in koor, "dat doen we!"
Simson werd gehaald in ergens tussen twee pilaren gezet.
Wat zal hij gehoond en bespot zijn.
Omdat Simson blind was, ze hadden immers zijn ogen uitgestoken, werd hij geleid door een jongeman.
Hij vroeg die jongeman hem naar de middelste pilaren te leiden, de pilaren waarop het gebouw rustte.
Toen Simson daar stond bad hij vurig tot de Here om nog n keer zijn volle kracht terug te mogen krijgen.
De Here God verhoorde zijn gebed en Simson voelde zijn oude kracht weer terugkomen.
De kracht, die hij zou gebruiken tot eer van Gods heilige naam. En ook tot bespotting van de afgoden en beschaming van zijn vijanden.
Simson plaatste zijn handen tegen de pilaren links en rechts van hem.
Toen riep Simson: "Mijn ziel sterve met de Filistijnen!"
En terwijl de Filistijnen hem hoonden en uitlachten, spande Simson zijn spieren en duwde met kracht tegen de pilaren, die niet tegen dat geweld bestand waren. De pilaren weken uiteen.
Het hele gebouw begon te kraken…. Het lachen en honen hield op…. Grote paniek kwam er voor in de plaats. De menigte gilde en krijste van angst. Iedereen probeerde een goed heenkomen te zoeken, maar tevergeefs. In panische angst drongen ze alle kanten op, behalve de goede.
Met daverend geweld stortte daarop het grote imposante gebouw in, alle daarin aanwezigen dodend, ook Simson.
Met deze laatste krachtexplosie van Simson doodde hij meer Filistijnen dan in zijn hele leven.
Het lichaam van Simson werd door zijn familieleden opgehaald en begraven tussen Zora en Estaol, in het graf van zijn vader Manoah.


Timna werd in de oude Statenvertaling geschreven als Thimnath.
Later werd dat Timnath en nog weer later Timna.

Je kunt dit verhaal in de Bijbel lezen in het boek Richteren, de hoofdstukken 13, 14, 15 rn 16.

TERUG