H e t L a a t s t e O o r d e e l

 

Lezen: Openbaring 20:11-15 (Oude Vertaling)

En ik zag eenen grooten witten troon, en Dengenen, die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geene plaats is voor dien gevonden. En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend dat des levens is: en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. En de zee gaf de dooden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld een iegelijk naar hunne werken. En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood. En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

 

Johannes zag een grote witte troon met daarop Christus de Heer, Rechter der levenden en der doden. Jezus zegt dit zelf in Mattheüs 25:31, waar staat:

  • Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op den troon zijner heerlijkheid.
  • En ook Paulus spreekt hierover tijdens zijn bezoek aan Athene, waar hij zegt:

  • God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij den aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, dien Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken. (Handelingen 17:30-31)
  • Het is natuurlijk duidelijk, dat hier Jezus Christus bedoeld wordt met de Man, die rechtvaardig zal oordelen.

    De hemel en de aarde vluchten voor het aangezicht van de Heer, zo lezen wij vervolgens in vers 11 en er werd geen plaats voor hen gevonden.

    Met 'aangezicht' wordt bedoeld majesteit en heerlijkheid.

    De hemel en de aarde vluchten; hiermee wordt de ondergang van de huidige hemel en aarde te kennen gegeven. Zie ook 2 Petrus 3:10.

    En Johannes zag de doden, die geoordeeld werden, voor de Rechterstoel van Christus staan, terwijl de boeken werden geopend. De boeken waarin van ieder, die geoordeeld werd, zijn doen en laten gedurende zijn leven op aarde stond opgetekend.

    Maar er werd ook een ander boek geopend, het boek des levens, dat wil zeggen het boek der genadige verkiezing van God tot het eeuwige leven.

    De doden werden geoordeeld naar hun werken, de dingen die zij in hun leven gedaan hebben, de goede en de verkeerde dingen. Zoals ook Paulus zegt in 2 Corinthe 5:10:

  • Want wij moeten allen voor den rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
  • De zee en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren. In de oude vertaling staat: de dood en de hel. Onder hel wordt door velen in dit verband gedacht aan het graf. En met de dood worden dan alle andere plaatsen bedoeld, waar de dode lichamen verstrooid mogen zijn, die door vuur of allerlei gedierte vernietigd zijn. Maar al is er ook niets van die lichamen over, door Gods macht zullen ze terugkomen. Want God, die alles uit niets heeft geschapen, is ook bij machte uit al de elementen de lichamen te verzamelen, die ooit op de wereld geweest zijn.

    Dood en hel werden in de poel des vuurs geworpen, de tweede dood. De tweede dood is de eeuwige dood, zo genoemd omdat hij onafwendbaar op de dood der zonde volgt, als de mensen zich daarvan niet bekeren.

    Een ieder, die niet in het boek des levens voorkomt, zal in de poel des vuurs belanden.

    Terug

     


    De Nieuwe Hemel
    en
    De Nieuwe Aarde

    Lezen: Openbaring 21:1-8 (Oude Vertaling)

    En ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jerûzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. En die op den troon zat zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstigen geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

     

    Na het laatste oordeel zag Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dit kan ook bedoeld zijn als een vernieuwde hemel en vernieuwde aarde.

    De zee was niet meer. Sommige uitleggers denken, dat de zee door het vuur zal zijn opgedroogd. De vernieuwde aarde zal dan de woonplaats zijn en blijven van de heilige engelen en zalige mensen.

    En Johannes ziet dan een nieuw Jeruzalem uit de hemel neerdalen. Een stad gemaakt van goud en edelgesteente. Als een bruid, versierd voor haar bruidegom.

    God zelf zal dan bij de mensen wonen, zijn tent zal op aarde zijn, in de oude vertaling staat: De tabernakel Gods is bij de menschen. De tabernakel is de woning van God. Dit is een figuurlijke wijze van spreken. Zoals wij ook in Leviticus 26:11 lezen:

  • En Ik zal mijn tabernakel in uw midden zetten, en Ik zal geen afkeer van u hebben.
  • Waarmee God wil zeggen: Ik wil maken dat mijn genade en woord en godsdienst u steeds zullen bijblijven, opdat Ik uw God blijve en gij mijn volk.

    Ook het volgende vers van Leviticus 26 is in dit verband van belang:

  • Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult mij tot een volk zijn.
  • God (Christus) zal in ons midden zijn om ons in het geestelijke te onderwijzen, te heiligen en te geleiden ter eeuwige zaligheid. En in het lichamelijke met overvloed van gezondheid, rijkdom en vrede te zegenen.

    'Ik zal u tot een God zijn,' zegt de Heer, zoals Hij dat ook al in Genesis 17:7 zei:

  • Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.
  • En gij zult mij tot een volk zijn, staat verder in Leviticus, dat Ik uit genade, door de beloofde Messias verlichten, rechtvaardigen en heiligen zal ter eeuwige zaligheid. Zie ook 1 Corinthe 1:30.

    God zal alle tranen afwissen, zoals een moeder de tranen van haar kind afwist. Maar wel met dit verschil, dat een moeder dat vaker zal moeten doen, maar de Heer doet het slechts één keer, want daarna zullen er nooit meer tranen vloeien.

    En ook de dood zal niet meer zijn, behalve in de poel des vuurs, waar hij voor eeuwig zal blijven. Maar Gods kinderen in het hemels Jeruzalem zullen de dood niet meer kennen. En er zal ook geen geklaag of verdriet zijn.

    De eerste dingen zijn voorbijgegaan, waaronder te verstaan het kruis, het lijden der gelovigen en alle verdere kommer en kwel van het tegenwoordige leven.

    God op de troon zegt dan: „Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. Zij zijn geschied." Waarmee gezegd wordt: alles is volbracht, wat voorzegd is door de profeten in het Oude Testament en de apostelen in het Nieuwe Testament.

    En de dorstige mag drinken uit de bron van het water des levens, het wordt hem geschonken, uit genade, zonder verdienste. Lees hierover ook in Johannes 7:37:

  • En op den laatsten, den groten dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!
  • Maar de in het kwaad volhardende booswichten, zij die niet berouwvol om vergeving smeken, wacht een gruwelijk lot: zij komen in de poel, die brandt van vuur en zwavel. De tweede dood.
    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .WéVéDé

    Terug