DE GESCHIEDENIS

VAN

M O Z E S

 

Toen Jozef en al zijn broers en zusters waren overleden, bleven hun kinderen natuurlijk gewoon in Egypte wonen.
Ze hadden het er best naar hun zin en ze woonden in een heel mooie omgeving.
En hun kinderen werden groot en gingen natuurlijk ook trouwen en toen werden er steeds weer baby's geboren.
En die baby's werden ook weer groot en die gingen ook weer trouwen en zo ging dat maar door.
En toen er een heleboel jaren voorbij waren gegaan, was het IsraŽlitische volk heel groot geworden.

Er was toen een koning in Egypte, die Jozef natuurlijk niet gekend had, want Jozef was al zo vreselijk lang dood. Misschien had hij wel eens over Jozef horen vertellen, maar dat kon hem allemaal niet zoveel schelen.
Hij vond, dat er veel te veel Joden waren.
Hij besloot toen, dat het volk van IsraŽl maar flink hard moest gaan werken. Ze moesten slavenwerk gaan doen.
Hij wou ook hebben, dat alle Joodse jongetjes. die geboren werden, direct doodgemaakt moesten worden. Wat erg hŤ? Bah, wat een akelige en wrede man was dat.
Maar die koning kreeg zijn zin niet, want de jongetjes werden lekker toch niet doodgemaakt.
Maar toen bedacht hij weer wat anders. Hij zei tegen de Egyptenaren, dat ze alle Joodse jongetjes, die ze zagen in de rivier de Nijl moesten gooien. Dan zouden ze verdrinken.
En toen gebeurde het weer eens, dat een Joodse man en vrouw een baby kregen. Maar ze schrokken een beetje toen ze hoorden van de vroedvrouw, dat het een jongetje was.
Zijn mamma was doodsbang, dat een Egyptenaar haar zoontje zou zien en in de Nijl gooien.
Ze verstopte haar baby drie maanden lang.
En toen kreeg ze opeens een idee!
Ze maakte een soort eenvoudig kistje van biezen. Dat maakte ze waterdicht en toen legde ze haar zoontje er in.
En dat kistje liet ze toen in de Nijl drijven, tussen het riet.
Een ouder zusje van de baby moest op een afstandje toekijken om te zien wat er zou gebeuren.
Na een poosje kwam de dochter van de koning er aan om in de Nijl te gaan zwemmen. Er waren nog twee meisjes bij haar, dat waren haar bedienden.
Net, toen ze in het water wilde gaan, hoorde ze een kind huilen. Verbaasd keek ze om zich heen. Eerst zag ze niets, maar toen ze nog eens beter om zich heen keek en goed luisterde, waar het geluid vandaan kwam, zag ze het kistje drijven.
Eťn van de meisjes, die bij haar waren haalde het kistje vlug uit het water.
De prinses deed het dekseltje een beetje open en daar lag de kleine baby! De traantjes biggelden langs zijn kleine wangetjes.
"O," riep de prinses, "dit is vast een Hebreeuws jongetje! Ik wil het wel graag houden, maar hoe moet ik het voeden?!"
Toen kwam het zusje van het jongetje er aan lopen. Ze deed net of ze er toevallig langs kwam en had gehoord, wat de prinses zei.
"Koninklijke Hoogheid, misschien kan ik u wel helpen," zei het meisje, "ik ken toevallig een Hebreeuwse vrouw, die haar baby kwijt is."
"Nou, dat komt mooi uit meisje," zei de prinses, "ga die vrouw dan maar even voor mij halen."
Een tijdje later, de prinses had net een rondje gezwommen, kwam het meisje al terug met een vrouw.
En die vrouw was natuurlijk haar eigen moeder en dus ook de moeder van de baby.
En de prinses zei: "Neem dit kind mee naar huis en voed het voor mij, zolang dat nodig is.
Breng daarna het jongetje bij mij terug. Ik zal u er natuurlijk voor belonen."
Dat was dus wel een slim idee geweest van die moeder, want nu had ze haar zoontje eerst weer bij zich en ze hoefde niet bang te zijn, dat het kind zou worden verdronken.

Toen de jongen opgegroeid was, bracht ze hem weer naar de prinses, die hem als haar eigen zoon aannam.
Ze noemde hem Mozes. Die naam betekent 'uitgetrokken'.
"Want ik heb hem uit het water getrokken," zei de prinses.

Mozes werd natuurlijk steeds groter en toen hij een jongeman geworden was, ging hij eens bij zijn volk kijken. De IsraŽlieten waren druk aan het werk. Ze moesten heel zwaar werk doen, zoals stenen maken en ze moesten ook boerenwerk doen.
Mozes zag toen dat een Jood, die heel even stond uit te rusten, meteen een pak slaag kreeg van een Egyptische opzichter.
Mozes werd heel kwaad. Hij zocht een dikke stok en sloeg die Egyptenaar op zijn hoofd. Sjonge, wat kreeg die een dikke buil op zijn kop. En hij ging ook van zijn stokje. Mozes gooide hem tussen de struiken en liep verder.
Hij dacht, dat niemand het had gezien, maar dat was een vergissing.
Want een paar dagen later zag Mozes twee IsraŽlieten met elkaar vechten en Mozes bemoeide zich er meteen weer mee. "Doe dat nou niet jongens," zei hij, "jullie hebben al genoeg van de Egyptenaren te verduren." Maar ťťn van die mannen zei toen: "Waar bemoeit u zich mee? Bent u soms de baas over ons? Of wilt u mij soms ook een mep op mijn hoofd verkopen, zoals die Egyptenaar."
Mozes schrok zich een hoedje! Hij dacht: "Oei oei, zouden nog meer mensen het gezien hebben? Straks hoort de koning er nog van."
En ja hoor! Het duurde niet lang of Farao hoorde wat Mozes gedaan had.
"Breng die man hier," zei hij tegen de politie, "dan zal ik hem laten doden."
Maar Mozes had in de gaten, wat er zou gebeuren en hij maakte dat hij weg kwam.
Hij vluchtte naar het land Midian.

Toen Mozes in dat land Midian kwam, was hij erg moe en zijn voeten deden zeer van het lopen en ze waren ook erg vuil geworden. Toen hij langs een bron kwam, waar je water kon putten, ging hij gauw even zijn voeten wassen met heerlijk koel water. HŤ, daar knapte hij van op!
Hij bleef daar nog een poosje zitten om in de schaduw van een boom wat uit te rusten. Hij wist natuurlijk ook nog helemaal niet waar hij verder heen moest.
Toen hij daar zo zat, kwamen er zeven meisjes aan met een grote kudde, die ze water wilden geven. Maar net toen ze water wilden gaan putten, kwam er een stel herders aan en die joegen de meisjes weg. Tenminste, dat probeerden ze. Maar Mozes kwam de meisjes te hulp. Hij putte water voor hen en gaf de dieren te drinken.
Doordat Mozes hen had geholpen, kwamen ze veel eerder weer thuis dan anders.
Hun grootvader, van wie de kudde was, vroeg hen, hoe het kwam, dat ze zo vlug terug waren.
"Nou opa," zeiden ze, "dat komt zo: we werden weer lastig gevallen door die herders, maar toen zat daar een man bij de bron in de schaduw van een boom en die kwam ons te hulp. Hij heeft water voor ons geput en de kudde gedrenkt. En zo komt het, dat we zo vroeg terug zijn."
"Wat zijn jullie toch een uilskuikens," zei hun grootvader, "waarom in vredesnaam hebben jullie die man niet meegenomen?! Zijn jullie soms vergeten, dat je vreemdelingen altijd gastvrij moet ontvangen? Ga vlug terug en zoek die man en als je hem gevonden hebt, vraag hem dan met jullie mee te komen, dan kan hij bij ons een hapje mee-eten. Jullie moeder is net met het eten bezig. Ik zal haar intussen waarschuwen, dat ze met een man extra rekening moet houden."

De meisjes gingen vlug op zoek naar Mozes. Ze vonden hem al gauw, want Mozes was nog steeds bij de bron. Hij lag daar in de schaduw een uiltje te knappen.
Ze liepen naar hem toe om hem wakker te maken, maar dat hoefde al niet meer, want Mozes werd net vanzelf wakker. Hij maakte een wilde beweging met zijn hand voor zijn hoofd, want er liep een vlieg op zijn neus en door dat gekriebel was hij wakker geworden.
Mozes ging graag met de meisjes mee, want hij had eigenlijk best wel honger gekregen.
De grootvader van de meisjes begroette Mozes hartelijk. Die grootvader heette RehuŽl, moeilijke naam hŤ?
En zijn zoon heette Jethro, dat was dus de vader van de meisjes.

Mozes kwam er om een hapje mee te eten, maar dat liep een beetje uit de hand, want hij bleef er. Het beviel hem er best.
Hij trouwde met ťťn van die zeven meisjes, Zippora heette ze.

Die mensen waren Midianieten, het waren nakomelingen van Midian. En die Midian was een zoon van Abraham.
Mozes en Zippora kregen een zoontje, die ze Gersom noemden.

Toen Mozes veertig jaren in Midian was, overleed de koning van Egypte.
Je weet wel, die akelige koning, die alle jongetjes in het water wou gooien.
Maar de IsraŽlieten moesten nog steeds heel zwaar werk doen en als ze niet hard genoeg werkten, kregen ze ook nog slaag.
Maar dat zou gaan veranderen.

Mozes was toen herder. Hij was elke dag met de kudde van zijn schoonvader in het veld.
Op een dag kwam hij in de buurt van een berg. Opeens zag Nozes toen, dat een braamstruik zomaar vanzelf begon te branden.
"Asjemenou," dacht Mozes, "hoe kan dat?"
En Mozes liep naar de brandende braamstruik toe, want daar wou hij wel eens het fijne van weten.
Maar opeens kwam er een Stem uit de braamstruik: "Mozes, Mozes!" Verschrikt bleef Mozes staan. "Hier ben ik," zei hij.
"Kom niet dichterbij," zei de Stem toen. "Doe je schoenen van je voeten, want de grond, waarop je staat, is heilige grond. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, Isašk en Jakob."
Het was de stem van de Here God!
Eerbiedig deed Mozes zijn handen voor de ogen, want hij vond zich veel te nederig om voor de Here God te verschijnen.
God zegt dan: "Mozes, je moet terug naar Egypte. Die boze Farao leeft niet meer, dus daar hoef je niet bang meer voor te zijn.
Ik wil jouw volk, het volk van IsraŽl van het Egyptische juk bevrijden en jij moet hun leider zijn. Je moet naar de koning gaan en hem vragen de IsraŽlieten te laten gaan. Dat zal hij vast niet willen doen, maar dan kom Ik je wel te hulp."
Mozes schrikt zich alweer een hoedje! Twee hoedjes zelfs wel deze keer.
Het lijkt Mozes maar niks en hij gaat uitvluchten verzinnen.
"Here," zegt Mozes, "als de Joden dan eens niet willen geloven, dat U mij gestuurd hebt, wat dan?"
"Mozes, werp je staf op de grond." Mozes deed het en de staf veranderde in een slang. Verschrikt sprong Mozes achteruit.
Toen moest Mozes de slang bij de staart pakken en meteen veranderde de slang weer in een staf.
"Steek nu je hand onder je jas," zei God, "en haal hem dan weer tevoorschijn." Toen was de hand helemaal wit geworden. De hand was melaats geworden, dat is een vreselijke ziekte.
Maar toen Mozes zijn hand nog een keer onder de jas stak, was hij weer gewoon.
"En als ze je dan nog niet geloven," zei God, "dan moet je water uit de Nijl scheppen en op de wal uitgieten en dan zal het veranderen in bloed."
Maar Mozes heeft er nog steeds niet veel zin in. Hij verzint weer een ander smoesje. "Here," zegt hij, "ik kan helemaal niet zo vlot spreken, ik ben helemaal niet welbespraakt. Stuur alstublieft toch iemand anders."
Toen werd de Heer een beetje boos op Mozes: "Neem je broer Ašron dan maar mee en laat hem voor je spreken."
Thuisgekomen zei Mozes tegen zijn schoonvader Jethro: "Ik moet terug naar Egypte, naar mijn volk." "Ga in vrede," zei Jethro.

En toen vertrok Mozes met zijn vrouw en kinderen naar Egypte.
Zijn broer Ašron kwam hem al tegemoet.
Mozes vertelde alles aan zijn broer, wat God hem gezegd had.
Samen gingen ze naar Egypte en vertelden aan het volk van IsraŽl wat er moest gaan gebeuren.
Mozes en Ašron gingen toen naar de koning om te vragen of ze met het volk van IsraŽl de woestijn in mochten trekken om feest te vieren.
"Ben je betoeterd?" zei de koning, "werken moeten ze."
En met die God van jullie heb ik niets te maken, die ken ik niet."
En daarna moesten de Joden nog veel harder werken dan eerst.
En daarvan gaven ze Mozes en Ašron de schuld.
Mozes ging bij God klagen: "Here, waarom helpt U nu niet? Het wordt steeds erger in plaats van beter."
Wacht maar af Mozes," antwoordde God, "wie het laatst lacht, lacht het best. We krijgen die Farao wel op de knieŽn."
En weer werd Mozes naar de koning gestuurd.
Hij zei, dat God het Egyptische land zwaar zou laten boeten als Farao het volk van IsraŽl niet liet gaan.
Maar nee hoor, Farao vertikte het.
Toen liet de Here God tien plagen over het land Egypte komen. Dat was niet zo best. Maar het was de koning zijn eigen schuld, dan had hij de IsraŽlieten maar moeten laten gaan.
Eerst werd al het water in Egypte in bloed veranderd. De rivier de Nijl stonk een uur in de wind. Alle vissen gingen dood.
Daarna kwam de tweede plaag. Het hele land werd overstroomd met kikkers. Het krioelde van de kikkers. In de Nijl, in alle sloten, maar gewoon op het land en op de wegen.
Ook in de huizen sprongen de kikkers vrolijk rond. Ze kropen zelfs in de bedden.
Even leek het alsof Farao zich bedacht en de mensen zou laten gaan, maar nee hoor, het ging niet door.
En de derde plaag kwam over het land. Mensen en dieren kwamen onder de muggen te zitten.
De muggen gingen weg en de steekvliegen kwamen, dat was de vierde plaag. Alles en iedereen zat onder de vliegen. Mensen en dieren, huizen en gebouwen, zelfs de grond kon je niet meer zien door de muggen die er op krioelden.
Alleen in het land Gosen, waar het volk van IsraŽl woonde, waren geen vliegen.
Toen brak er pest uit onder het vee. Dat was vroeger een heel gevaarlijke ziekte.
Alle dieren gingen dood, behalve de dieren van de IsraŽlieten. Dat was de vijfde plaag, die de Heer over Egypte liet komen.
De zesde plaag veroorzaakte grote ellende voor mensen en dieren, want die kwamen allemaal onder de stinkende zweren te zitten. Dat was natuurlijk een vreselijk gezicht en het zal ook wel erg veel pijn hebben gedaan.
De zevende plaag was weer heel anders. Toen vielen er zware hagelbuien op het land, zo erg als nog nooit eerder was voorgevallen.
En toen gaf Farao zich gewonnen. Hij zei tegen Mozes: "Maak dat je wegkomt met je volk, maar laat die hagel en donder ophouden!"
Maar die Farao was helemaal niet te vertrouwen. Zo gauw het ophield met hagelen, bedacht hij zich weer en mochten ze toch niet weggaan.
En dus kwam er een achtste plaag.
Grote zwermen sprinkhanen bedekten het land en vraten alles kaal.
Er was in het hele land geen groen blaadje of grassprietje meer te vinden.
Daarna werd het pikkedonker in het hele land, de negende plaag.
Drie dagen lang was het volkomen donker in Egypte. Het was net alsof ze met de ogen dicht liepen, zo donker was het. Behalve in Gosen, bij de IsraŽlieten, daar was het wel licht.
Er waren nu negen plagen geweest en nog steeds waren de IsraŽlieten niet weg uit Egypte.
Maar de ergste plaag moest nog komen, de tiende plaag.
De Heer liet van te voren weten, wat er ging gebeuren.
Alle eerstgeborenen zouden gedood worden, ook alle eerstgeborenen onder het vee.
Weet je wat dat is, een eerstgeborene? Dat is degene, die het eerst werd geboren, de oudste van het gezin.
Om twaalf uur 's nachts zou een Engel van God door Egypte gaan en alle eerstgeborenen doden.
En de Joden moesten een schaap of een geit slachten. Het bloed van dat dier moesten ze op de kozijnen van hun voordeur smeren, dan kon de Engel zien, dat hij daar niet naar binnen moest gaan.
Het vlees moesten de IsraŽlieten braden en eten met ongezuurde broden en bittere kruiden.
En terwijl ze zaten te eten, moesten ze ook klaar zitten voor vertrek. Ze moesten hun jas al aan hebben en hun staf in de hand.
Voor de Egyptenaren was dat geen prettige nacht, want in elk huis was een dode te betreuren, dat was de wil van God.
Ook Farao was erg verdrietig, want ook zijn oudste zoon, die hem als koning op moest volgen, leefde nu niet meer.
En Farao riep Mozes en Ašron bij zich en hij zei: "Ga alsjeblieft gauw weg uit mijn land! Ik geef me gewonnen! Tegen jullie God kan ik niet op!"

En toen maakte het volk van IsraŽl aanstalten om te vertrekken uit Egypte, het land waar zij en hun ouders en verdere voorouders vierhonderddertig jaren slavenwerk hadden moeten doen.

De volgende morgen gingen ze op weg. Ze waren met heel veel mensen, ongeveer zeshonderdduizend. En daar waren de kinderen nog niet eens bij inbegrepen.
De Here God wees hen de weg, want ze wisten anders natuurlijk niet precies waar ze langs moesten.
Overdag ging er een wolk voor hen uit, die moesten ze dan gewoon achterna lopen. En 's nachts veranderde die wolk in een vuurkolom, zodat ze ook konden zien, waar ze liepen.
Maar Farao had nog zijn lesje niet geleerd. Toen de IsraŽlieten een eind op weg waren, kreeg hij weer spijt, dat hij hen had laten gaan, want wie moesten nu dat zware werk doen!?
En dus maakte hij aanstalten om achter het volk van IsraŽl aan te gaan en hen met geweld terug te drijven.
Hij liet zeshonderd strijdwagen aanrukken en die moesten de Joden terugbrengen. In galop gingen ze er vandoor.
De IsraŽlieten waren intussen dicht bij een zee aangekomen. Dat was de Schelfzee, wat wij tegenwoordig de Rode Zee noemen.Een paar mensen, die achteraan liepen zagen in de verte achter hen een stofwolkje verschijnen.
"Hť, wat zou dat zijn," zei iemand. Maar ja, dat wisten de anderen ook niet. Maar de stofwolk werd steeds groter en kwam steeds dichterbij. En toen zagen ze opeens, dat het Egyptische strijdwagens waren.
Dat was schrikken!!!
Vlug rende er iemand naar Mozes, die ergens vooraan liep.
"Mozes! Mozes!" riep hij, "de Egyptenaren komen ons achterna. Er komen een heleboel strijdwagens achter ons aan. Wat moeten we nu?"
En anderen begonnen tegen Mozes te mopperen. "Waarom heb je ons meegenomen uit Egypte helemaal naar een ver land. Straks worden we hier nog allemaal gedood in de woestijn."
Maar Mozes liet ze maar rustig mopperen, want de Here God had al lang aan Mozes laten weten wat hij moest doen.
De wolk van God was nu niet meer vůůr hen, maar achter hen als een soort bescherming tussen de Joden en de Egyptenaren.
Ze liepen zo snel mogelijk door en kwamen toen al gauw bij de Schelfzee.
Mozes, die voorop liep, stak toen zijn hand op ten teken, dat ze moesten stoppen.
Daarna nam Mozes zijn staf en strekte zijn hand met de staf uit over het water.
En toen gebeurde er iets wonderbaarlijks. Het water week uiteen, zodat er een droog pad over de bodem van de zee kwam. Mozes riep hard: "Voorwaarts mensen!!!!!"
En daar gingen ze. Eerst nog een beetje voorzichtig, want het was toch wel een beetje eng om zomaar over de bodem van de zee te lopen. En als ze opzij keken, dan keken ze tegen een muur van water aan. Het was erg spannend allemaal.
Toen ze bijna de overkant hadden bereikt, kwamen ook de Egyptische strijdwagens bij de zee aan. Even stopten ze om het wonder te aanschouwen van een droog pad over de zeebodem.
Toen riep hun commandant: "Voorwaarts mannen!" En hupsakee, daar gingen ze. Ze stuurden hun paarden en wagens ook de zee in, achter Mozes en zijn volk aan.
Hoe zou dat wel aflopen?!?
Nou, wel goed hoor! Want de Here God was er om voor Zijn volk te zorgen.
De IsraŽlieten hadden intussen de overkant van de zee bereikt en begaven zich aan land. Toen de laatste van hen op de wal was geklauterd, waren de Egyptenaren ongeveer tot halverwege genaderd.
Maar toen wou het niet zo goed meer. De wielen van de wagens zakten steeds weg in de bodem van de Schelfzee en de paarden struikelden steeds. De Egyptenaren werden steeds bozer en gaven de paarden met de zweep, maar dat hielp ook niet veel.
Mozes nam toen opnieuw zijn staf en strekte hem uit over het drooggevallen pad door de zee.
En... het water sloot zich weer. Het pad verdween. En alle Egyptische wagens verdwenen onder water.
Ziezo, daar hadden ze geen last meer van.

En toen volgde het volk van IsraŽl Mozes door de woestijn. Eindelijk waren ze op weg naar het Beloofde Land, naar Kanašn, het land door de Here God aan Zijn volk beloofd.

Veertig lange jaren deden ze er over om bij dat land te komen. En die veertig jaren waren niet altijd even gemakkelijk.

Eindelijk kwamen ze bij Kanašn aan.
Maar Mozes zou het Beloofde Land niet binnengaan, dat was de wil van de Here God.
Er was daar een heel hoge berg, net tegenover Jericho. God liet Mozes die berg op klimmen en daar liet God het hele land Kanašn aan Mozes zien.
En toen Mozes alles goed had gezien is hij overleden. De Here God heeft Zelf Mozes begraven.
Maar niemand heeft ooit de plaats van dat graf geweten. We weten alleen, dat het in een dal in het land Moab was, in het jaar 2276.

De opvolger van Mozes heette Jozua.

Terug