Mirjam en de Generaal.
96, 97, 98, 99, 100 !!!!! Ik kom !!!!!
Brammetje keek om zich heen
Waar zou hij beginnen met zoeken?
Verstoppertje spelen was het favoriete spel van het vijftal.
Deze keer mocht Brammetje zoeken waar zijn vriendjes Jacob, Ruben,
Aäron, Sem en Mirjam zich verstopt hadden.
Mirjam was het zusje van Ruben en op zijn verzoek was ze tot het
groepje toegelaten.
Hoewel de anderen eerst hadden geprotesteerd, was ze nu toch
volledig geaccepteerd.
Sem was niet de snuggerste van het stel en hij werd dan ook al
snel door Brammetje gevonden. En wie gevonden was moest helpen
met zoeken.
Het duurde niet lang of ook Ruben en Aäron waren gevonden.
Jacob had zich wel erg goed verstopt deze keer, het duurde zeker
een kwartier voor ze hem vonden.
Maar van Mirjam nog geen spoor
..
Waar kon die dekselse meid toch zitten???
Toen ze haar na een uur nog niet hadden gevonden, riepen ze luid:
"Mirjam, kom maar te voorschijn, we kunnen je niet vinden
!!!!!
Maar Mirjam was intussen al gevonden
.
Door een vreemde man, een soldaat van een vreemd leger, dat op
strooptocht was in hun land Learsi.
Ruw pakte hij haar beet, daarbij meteen zijn hand voor haar mond
houdend om te beletten, dat ze om hulp zou roepen.
Toen ze probeerde in zijn hand te bijten stopte hij een doek in
haar mond, die haar bijna de adem benam.
Wild trappelde ze met haar beentjes, maar dat mocht niet baten.
Hij sleurde haar met zich mee en wierp haar hardhandig in een
wagen.
Daar werd ze vastgebonden, zodat ze niet kon ontsnappen.
Ze was natuurlijk niet de enige gevangene op die wagen. En ook
zag ze geroofde kostbaarhe-den liggen.
Toen ze genoeg schatten geroofd hadden, keerden de soldaten terug
naar hun eigen land Mara.
De Generaal van dat leger kwam kijken wat ze zoal hadden
buitgemaakt.
Hij zag Mirjam en ze beviel hem wel.
Hij dacht bij zichzelf: "Dat is een aardig dienstmeisje voor
mijn vrouw."
Hij gaf de soldaten opdracht heel goed voor het meisje te zorgen.
Die avond thuis, terwijl hij met zijn vrouw van een lekker kopje
koffie genoot, vertelde hij haar over Mirjam. "Is dat niet
wat voor jou, als dienstmeisje," vroeg hij.
"Misschien wel," zei Cleo, zijn vrouw.
"Maar ik wil haar dan wel eerst zien."
"Komt voor elkaar," zei de Generaal.
De volgende morgen liet hij Mirjam naar zijn huis brengen, waar
ze meteen in de smaak van zijn vrouw Cleo viel.
Mirjam kon meteen blijven en ze kon ook meteen aan de slag.
Eigenlijk was ze natuurlijk geen gewoon dienstmeisje, want ze was
uit haar eigen land weggeroofd. Ze was dus gewoon een slavinnetje.
Mirjam vond haar meesteres wel aardig en ze deed dan ook haar
best het haar naar de zin te maken.
Maar de Generaal vond ze een beetje eng. Hij zag er griezelig uit,
want hij had een nare huidziekte. Hij leed aan lepra.
Toen ze na een paar weken wat eigener was geworden met mevrouw
Cleo, zei ze tegen haar: "In mijn land is iemand, die de
Generaal wel zou kunnen genezen van zijn ziekte."
Die avond zei Cleo tegen haar man, wat Mirjam gezegd had.
Meteen riep de Generaal Mirjam bij zich.
"Wat hoor ik daar Mirjam," zei hij, "is er in jouw
land iemand, die mij zou kunnen genezen? Weet je dat wel zeker?
Wat is dat voor man en hoe heet hij?"
"Die man is een profeet," zei Mirjam, "hij heet
Asilé en hij woont in Airamas. Hij kan u vast en zeker wel
genezen."
Toen de Generaal de Koning weer sprak, vertelde hij aan de Koning,
wat het slavinnetje van zijn vrouw had beweerd.
"Nou kerel," zei de Koning, "dan ga je toch naar
Learsi om die man te bezoeken, baat het niet, het schaadt ook
niet. Wacht, ik zal je een brief meegeven voor de Koning van
Learsi."
En dus ging de Generaal op weg naar Learsi.
Hij had veel geschenken bij zich, goud, zilver en mooie klederen.
En natuurlijk de brief van zijn Koning.
Maar de Koning van Learsi was helemaal niet blij, toen hij die
brief had gelezen.
Hij schrok zich een hoedje. Hij schrok zich wel twee hoedjes!
Hoe kon je nou iemand van zijn melaatsheid afhelpen? Zo iemand
was toch reddeloos verloren?
Hij dacht dat het een trucje van de koning van Mara was, dat hem
aanleiding zou geven om weer oorlog met Learsi te voeren.
En vol wanhoop scheurde hij zijn kleren.
Dat was een vreemde gewoonte in dat land. Als iemand erg
verdrietig of wanhopig was, dan scheurde hij zijn kleren.
Gelukkig kwam het de profeet Asilé ter ore, dat de Koning zijn
kleren had gescheurd.
Hij stuurde iemand naar de Koning toe om te vragen waarom deze
zijn kleren had gescheurd.
Toen hij de reden hoorde, stuurde hij die persoon nog eens naar
de Koning met de boodschap die man, de Generaal, naar hem, Alisé
te sturen. Dan zou hij dat varkentje wel even wassen.
En dus zei de Koning tegen de Generaal: "Ga maar met deze
man mee, hij zal u naar iemand brengen, die u zal helpen."
"Oké," zei de Generaal en volgde de boodschapper. Die
kon toen meteen mooi meerijden op de wagen van de Generaal, dan
hoefde hij dat hele eind ook niet te lopen.
Bij de woning van Alisé aangekomen zei de Generaal tegen de
boodschapper: "Ga die man maar halen, zodat hij mij kan
helpen."
Maar toen volgde de eerste teleurstelling voor de Generaal, want
Alisé kwam niet naar buiten.
Niks hoor, hij stuurde iemand naar de Generaal, die hem opdroeg
zich zeven keer te wassen in de rivier de Dorjana.
"Wat!" schreeuwde de Generaal woedend. "Moet is me
wassen in dat smerige water? Dan kan ik me beter gaan wassen in
het heldere water van de rivieren in mijn eigen land Mara. En dan
de onbeschaamdheid van die Alisé om mij af te schepen met een
bediende! Waarom komt hij niet zelf naar buiten?"
En briesend van kwaadheid gaf hij opdracht om rechtsomkeert te
maken naar zijn land Mara.
Maar een paar van zijn dienaren trokken de stoute schoenen aan en
probeerden hem te overreden om toch te doen wat hem gevraagd was.
"Generaal," zeiden ze, "als Alisé u nu iets
ingewikkelds had opgedragen, had u het dan niet gedaan?"
"Natuurlijk had ik dat dan gedaan," antwoordde de
Generaal.
"Maar Generaal, waarom zou u dan zoiets eenvoudigs als een
bad in een rivier nemen niet doen? Baat het niet, het schaadt
immers ook niet?"
Nadenkend wreef de Generaal zich over zijn baard.
Na enkele ogenblikken zei hij: "Jullie hebben gelijk, ik
probeer het gewoon!"
Zeven keer dompelde hij zich onder in de rivier de Dorjana.
Toen hij daarna weer op het droge klom, kon hij zijn ogen niet
geloven.
Zijn huid was weer helemaal gaaf. Gaaf als de huid van een kind.
Hij was genezen!
Wat was hij blij!
Toen ging hij weer naar Alisé om hem te bedanken en belonen.
"Ik weet nu, dat er op de hele aarde slechts één God is,
de God van Learsi,"zei de Generaal tegen Alisé. "Neem
alstublieft mijn geschenken aan."
Maar daarvan wilde Alisé niets weten. "Geen sprake van,"
zei hij, "ik ben een dienstknecht van de Heer en neem geen
geschenken aan."
"Voortaan wil ik uw God dienen," zei de Generaal,
"Sta mij toe een hoeveelheid aarde mee te nemen, waarop ik
dan de offerandes voor uw Heer kan brengen."
De Generaal vertrok met zijn gevolg om de thuisreis naar Mara te
aanvaarden.
Alisé had ook een bediende, eigenlijk meer een leerling, die
later ook profeet wilde worden.
Deze leerling, Izaheg heette hij, vond het maar niets, dat zijn
meester geen geschenken van de Generaal had aangenomen.
Hij ging dan ook achter de Generaal aan en toen hij hem had
ingehaald, zei hij: "Mijn meester stuurt mij. Er zijn
zojuist twee jonge profeten aangekomen en nu wilde mijn meester
graag toch nog dertig kilo zilver en twee mantels van u in
ontvangst nemen om aan die twee mannen te geven."
"Prima," zei de Generaal, "weet je wat, neem maar
zestig kilo zilver."
De Generaal stuurde twee mannen met Izaheg mee om alles te dragen.
Maar toen ze het huis van Alisé naderden, stuurde Izaheg de twee
mannen terug.
"Nu kan ik het verder wel alleen," zei hij.
Want Izaheg had heel andere plannen met het zilver en de mantels.
Hij wilde alles voor zich-zelf houden, maar dat mochten die twee
mannen natuurlijk niet weten.
Izaheg verstopte alles in zijn eigen huis en keerde toen terug
naar de woning van Alisé.
"Waar was je Izaheg?" vroeg Alisé.
"Ik was in de schuur om een en ander op te ruimen," zei
Izaheg.
Maar Alisé schudde meewarig zijn hoofd en zei: "Schaam je
Izaheg, dacht je nu heus, dat ik niet wist, waar je geweest bent?
Ga uit mijn ogen! En de ziekte van de Generaal zal nu jouw ziekte
zijn. En niet alleen jijzelf, maar ook je kinderen en
kindskinderen zullen de ziekte hebben!"
En Izaheg verliet hem, zijn huid wit als sneeuw
.
| Over welk bijbelgedeelte gaat dit? Welk land is Learsi? Welk land is Mara? Wie is Alisé? Wie is Izaheg? |