DE GESCHIEDENIS

VAN

J O Z E F

 

In de Bijbel, in het Oude Testament staat de mooie en boeiende geschiedenis van Jozef, de zoon van Jakob. Maar in de Bijbel staat dat wel een beetje moeilijk. Die plechtige en een beetje ouderwetse taal van de Bijbel is voor kinderen niet altijd zo goed te begrijpen.
Maar hier kun je de geschiedenis van Jozef als een mooi en spannend verhaal lezen.

Jozef is geboren 2197 jaar nadat de Here God de aarde gemaakt heeft.
De vader van Jozef was Jakob, je weet wel, de broer van Esau. En Jozef zijn moeder heette Rachel.
Jakob en Rachel waren met elkaar getrouwd en ze waren ook neef en nicht. Want de moeder van Jakob was Rebekka en de vader van Rachel was Laban. En Laban en Rebekka waren broer en zus.
Het is eigenlijk niet goed, dat ouders n van hun kinderen voortrekken, ze horen van al hun kinderen evenveel te houden.
Maar toch is dat niet altijd het geval.
Jakob houdt ook niet evenveel van zijn zoons, want Jozef is zijn lievelingszoon. Ze waren met twaalf jongens, Jozef had elf broers. Hij had ook zusters, maar hoeveel en hoe die heetten, staat niet in de Bijbel.

We beginnen ons verhaal als Jozef zeventien jaar is. Hij is dan net als zijn broers schaapherder.
Maar Jozef is ook een klikspaan. Als zijn broers iets doen of zeggen, wat volgens Jozef niet deugt, dan vertelt hij dat aan zijn vader. Dat vinden zijn broers natuurlijk helemaal niet leuk.
En het wordt nog erger, want Jozef krijgt van zijn vader een heel mooi kleed, een soort pronkgewaad, dat zijn vader zelf gemaakt heeft.
Maar dan moet je zijn broers horen: "Wat een soepjurk heb jij daar aan zeg! Wat een verwaande flapdrol ben jij!"

Maar dat is nog niet alles.
Op een dag, als Jozef weer met zijn broers in het veld is, zegt hij: "Hoor eens jongens! Ik heb me daar vannacht toch een vreemde droom gehad. Moet je horen: ik droomde, dat wij met zijn allen aan het koren maaien waren. Van het afgemaaide koren maakten wij natuurlijk schoven en nu komt het gekke, mijn schoof stond mooi rechtop en jullie schoven kwamen er omheen staan en bogen diep voor mijn schoof! Is dat nou geen lollige droom?"
Maar de broers vinden er niets lolligs aan en ze schelden hem de huid vol: "Jij vervelende snotneus, wat verbeeld jij je wel! Jij vaders lievelingetje, dacht je soms, dat wij voor jou zouden gaan buigen?!" En kwaad gooien ze kluiten modder tegen het mooie pronkgewaad van Jozef.
Nu zou je denken, dat Jozef het voortaan wel zou laten om met dergelijke dromen bij zijn broers aan te komen. Maar nee hoor!
Een paar nachten later krijgt hij weer een droom. En 's morgens aan het ontbijt vertelt hij deze droom aan zijn broers. Zijn vader is er ook bij.
"Moeten jullie nou toch eens horen, wat ik vannacht weer gedroomd heb," zegt Jozef. Zijn broers fronsen al de wenkbrauwen. Wat zal er nu weer voor onzin komen van die eigenwijze broer met zijn verbeelding.
"Ik droomde," zegt Jozef, "dat ik buiten stond. Ik keek in de lucht en ik wist niet hoe ik het had. De zon en de maan en elf sterren maakten een buiging voor mij. Wat zeggen jullie daar van?"
De broers schelden hem natuurlijk weer de huid vol. Maar nu krijgt hij ook de wind van voren van zijn vader. "Wat denk je nu Jozef,"zegt Jakob, "dat je moeder en ik ons voor je zullen buigen, samen met al je broers?"

Jozef wordt steeds meer een buitenbeentje. Hij gaat ook niet meer met zijn broers het veld in om de schapen te hoeden. De broers laten hem links liggen.

Maar dan op een dag roep zijn vader hem bij zich: "Jozef hoor eens!"
"Ja vader, hier ben ik al!"
"Je broers zijn nu al een aantal dagen van huis. Ze zijn helemaal bij Sichem en ik wil eigenlijk wel eens weten of alles nog in orde is met hen en of alles goed is met de schapen. Ga jij maar eens kijken."
"Goed vader," zegt Jozef.
Hij maakt voldoende broodjes klaar voor onderweg. Een paar met ham en een paar met kaas. Ook kookt hij nog even een paar eieren en dan gaat hij op stap.
Een paar minuten later is hij al terug, hij heeft vergeten wat fruit mee te nemen. Maar dan gaat hij toch echt.
Na een fikse wandeling komt hij bij Sichem, maar van zijn broers is geen spoor te bekennen. Hij snapt er niets van, waar kunnen ze nou toch zijn? Hij zoekt en hij zoekt, maar vindt ze niet.
Een man ziet hem daar al zoekend rondlopen en spreekt hem aan.
"Zoek je iets jongeman?"
"Ja," zegt Jozef, "ik ben Jozef, een zoon van Isral en ik zoek mijn broers. Die zouden hier ergens moeten zijn met de kudde schapen van mijn vader, maar ik vind ze nergens."
"Nou, dan is het goed, dat je mij treft jongeman," zegt de man, "want je broers zijn hier niet meer. Ik heb nog met ze gepraat. Ze klaagden, dat de schapen hier niet genoeg te eten vonden. Ze hadden het er over naar Dothan te gaan."
"Nou," zegt Jozef, "dan is het maar een geluk, dat ik u hier aantref, want anders had ik ze nooit gevonden. Hartelijk dank voor de informatie!"
"Geen dank hoor, het was me een genoegen. Goede reis naar Dothan, weet je waar je langs moet?"
"Ja hoor," zegt Jozef en vervolgt zijn weg.
Als hij eindelijk bij Dothan aankomt, hoort hij van verre al het geblaat van de schapen en ja hoor, daar ziet hij zijn broers ook al.
Maar de broers hebben hm ook al gezien. "Daar komt de meesterdromer aan," zeggen ze tegen elkaar. "Wat heeft die hier te zoeken? Laat hem toch thuis blijven."
Maar dan bedenken ze eem heel lelijk plannetje. Er waren daar in de buurt waterputten, waaruit ze water konden putten voor de schapen. En er waren ook lege putten bij. En dan bedenken ze, dat het wel leuk zou zijn om Jozef eens flink bang te maken door hem in n van die putten te gooien. Dan zou hij wel een toontje lager gaan zingen.
Maar sommigen van de broers vinden dat lang niet genoeg. "Wat heb je daar nou aan," zeggen ze, "als we hem er dan later weer uit halen dan gaat hij naar huis en vertelt het aan vader en dan krijgen wij weer op onze kop."
En wat de broers dan bedenken is haast te erg om te vertellen.
Ze bedenken, dat ze er ook wel voor kunnen zorgen, dat Jozef het niet aan hun vader kan vertellen.
"Weet je wat we kunnen doen," zeggen ze tegen elkaar, "we slaan hem dood en dan zeggen we tegen vader, dat een wild dier hem heeft overvallen en opgegeten."
Ze zijn het roerend met elkaar eens, dat dat wel de beste oplossing is, dan waren ze tenminste van die lastpak, die alles steeds aan vader overbrieft, af.
Dan komt Ruben, de oudste broer aanlopen. Die is achter een paar afgedwaalde lammetjes aan geweest. Ze vertellen Ruben, wat ze van plan zijn.
Maar Ruben schrikt zich een hoedje!
"Zijn jullie gek geworden?" vraagt Ruben. "Je kunt je eigen broer toch niet doodslaan?" "Natuurlijk wel," zeggen de anderen, "weet je dan niet dat Kan dat ook eens heeft gedaan? Die sloeg toch ook zijn broer Abel dood?"
Maar toch weet Ruben zijn broers over te halen om Jozef niet dood te slaan.
"Als jullie Jozef dan beslist een lesje willen leren," zegt hij, "gooi hem dan in zo'n diepe, droge put."
En bij zichzelf dacht Ruben: "Als het vanavond donker is, haal ik hem er dan weer stiekem uit."
Intussen is Jozef bij hen aangekomen. Meteen beginnen ze hem te plagen: "Ben je daar weer, jij klikspaan? Heb je al weer zo'n mooie droom gehad?" En plagend pakken ze hem beet en duwen hem van de n naar de ander.
"Schei uit," zegt Jozef, "onze vader stuurt mij, hou op met dat geklier!"
Maar de broers gaan door en opeens geeft iemand Jozef zo'n duw, dat hij in een put belandt.
"H!" roept Jozef nijdig. "Werp een touw naar beneden en trek mij hier uit!"
Maar de broers doen net of ze hem niet horen en ze lopen weg.
Angstig blijft Jozef achter in die diepe put. Het knipoogje, dat Ruben hem toe wierp had hij helemaal niet opgemerkt. Als hij omhoog kijkt, ziet hij alleen een heel klein rond stukje van de blauwe lucht.

Intussen zijn die twee avontuurlijke lammetjes weer op ontdekkingstocht gegaan. En Ruben gaat weer op stap om ze te zoeken.
Terwijl Ruben op zoek is naar de lammetjes, gaan de anderen op een schaduwrijk plekje zitten om een stukje te eten.
Maar dan zien ze opeens een karavaan aan komen.
Weet je wat een karavaan is? Dat is een hele optocht van kamelen, die allemaal grote zakken met handelswaar op hun rug dragen. En op sommige kamelen zitten natuurlijk mannen, want de kamelen weten uit zichzelf natuurlijk niet, waar ze heen moeten. Die mannen zijn kooplieden, die hun handelswaar willen verkopen.
Deze karavaan is op weg naar Egypte om gom en balsem en hars te verkopen.
En dan krijgt Juda een idee. Hij zegt tegen zijn broers: "Wij hebben er geen voordeel van als we Jozef daar in die put laten tot hij van honger en dorst omkomt. We kunnen hem veel beter als slaaf verkopen aan die kooplieden en de opbrengst verdelen."
Dat vinden ze allemaal een goed idee. Snel trekken ze Jozef omhoog uit de put. Jozef is eerst blij, want hij denkt, dat ze hem bevrijden.
Groot is natuurlijk zijn teleurstelling, als hij merkt, wat hun werkelijke bedoeling is.
Jozef wordt als slaaf verkocht voor twintig zilverstukken. Hij wordt meegenomen naar Egypte

Ruben is nog steeds op zoek naar de lammetjes en hij heeft van dit alles niets gemerkt.
's Avonds als het donker is, sluipt Ruben naar de put.
"Jozef," roept hij zachtjes, "hier komt een touw. Grijp je daaraan vast, dan trek ik je omhoog."
Maar er gebeurt natuurlijk niets.
Ruben denkt, dat Jozef slaapt.
"H slaapkop," roept hij, "wakker worden, ik kom je bevrijden."
Maar zijn moeite is vergeefs.

Teleurgesteld gaat hij terug naar de anderen. "Ik snap er niks van," zegt hij, "ik ging even kijken hoe het met Jozef is, maar ik krijg helemaal geen antwoord. Zou er iets met hem zijn?"
"O," zeiden de broers toen, "dat klopt wel, want Jozef zit niet meer in die put."
Ruben is blij. "Hebben jullie hem bevrijd?" vraagt hij.
Groot is natuurlijk zijn teleurstelling, als hij hoort, dat ze Jozef als slaaf hebben verkocht.
Dan slachten ze een geitje en ze dopen zijn kleed, het mooie kleed, dat zijn vader had gemaakt, in het bloed van het geslachte geitje.
Nu lijkt het net of Jozef door een wild dier is verscheurd.
Ze laten dan het kleed door iemand anders naar hun vader brengen. Die persoon moest dan net doen of hij dat kleed ergens heeft gevonden.
Hun vader herkent natuurlijk het kleed meteen.
"Ja," zegt hij, "dat kleed is van mijn zoon Jozef. Hij moet door een wild beest zijn verscheurd."
Diep bedroefd scheurt hij dan zijn kleren.
Dat deden de mensen in die tijd, als ze iets heel erg vonden, dan scheurden ze hun kleren stuk.
Jakob treurt heel lang om het verlies van zijn geliefde zoon. Hij is ontroostbaar.

De karavaan, met Jozef als gevangene, komt eindelijk in Egypte aan.
En daar wordt Jozef als slaaf verkocht aan iemand aan het hof van Farao, dat was de koning van Egypte.
De man, die hem gekocht heeft heet Potifar. Die is hoofd van de lijfwacht van de koning. Jozef woont in het huis van Potifar.
Potifar is eigenlijk best wel tevreden over zijn slaaf. Hij vindt het wel een aardige jongen. Het duurt dan ook niet lang of hij geeft Jozef de leiding over zijn huishouding. Jozef wordt dus een soort butler.
De vrouw van Potifar vindt Jozef ook erg aardig en ze probeert hem te verleiden. Dat is natuurlijk niet netjes van haar en Jozef is er ook helemaal niet van gediend.
"Nee mevrouw," zegt hij, "uw man heeft alles hier in huis onder mijn heerschappij gesteld, maar daar hoort u niet bij."
Maar zo gauw geeft ze zich niet gewonnen en elke dag weer probeert ze Jozef in te palmen, maar steeds zonder succes.
Dan op een dag pakt ze Jozef zijn kleed en trekt hem naar zich toe. Ze tuit haar lippen al om hem een kusje te geven. Maar Jozef laat vlug zijn kleed van zich af glijden en maakt dat hij weg komt.
Maar dan wordt de vrouw van Potifar spinnijdig en luid begint ze te schreeuwen. Ze doet nu net alsof het andersom is en Jozef hr heeft beetgepakt in plaats van zij hem. Gemeen h?

En als Potifar 's avonds moe van zijn werk thuis komt, zegt ze: "Nou, jij hebt ook wat moois in huis gehaald hoor! Die Hebreeuwse slaaf van jou, die Jozef, probeerde mij vandaag te verschalken. Hij pakte mij zelfs beet om mij een kusje te geven.
Maar toen ik om hulp riep, maakte hij, dat hij weg kwam. Maar zijn mantel heb ik van hem af kunnen pakken als bewijs. Kijk maar!"
Dan wordt Potifar boos. En ook erg teleurgesteld. Heeft hij zich dan zo vergist in Jozef?
En dan sluit hij Jozef op in de gevangenis.

Maar de Here God zorgt ook in de gevangenis goed voor Jozef en het duurt dan ook niet lang of Jozef krijgt ook daar een vooraanstaande positie.
Op een dag gebeurt het, dat er twee mannen in de gevangenis worden opgesloten, de schenker en de bakker van de koning. Die waren een beetje stout geweest.
En dat zijn niet zomaar een bakker en niet zomaar een schenker, nee, zij zijn het hoofd van de schenkers en de bakkers.
Ze komen in de gevangenis en daar ontmoeten ze Jozef ook.
Op een morgen aan het ontbijt ziet Jozef, dat de schenker een beetje met lange tanden zit te eten, zelfs zijn zachtgekookte eitje, waar hij anders zo dol op is, staat onaangeroerd in zijn eierdopje.
"Goedemorgen schenker,' zegt Jozef, "wat is er met u aan de hand? Slecht geslapen vannacht? Of gewoon een beetje last van een ochtendhumeurtje?" "Nee," zegt de schenker, dat is het niet. Ja, slecht geslapen heb ik eigenlijk wel, want ik had zo'n rare droom, waar ik geen touw aan vast kan knopen."
"Vertel mij uw droom dan maar," zegt Jozef, "misschien kan ik u dan wel uit de droom helpen."
"Nou," zegt de schenker, ik droomde, dat ik bij een mooie wijnstok stond, waaraan drie ranken zaten. Maar het was een toverwijnstok, want toen de ranken gingen uitbotten, zat er binnen drie tellen al bloesem aan en direct daarna was die bloesem al weer weg om plaats te maken voor mooie volle trossen met druiven, lekkere sappige druiven. Die druiven perste ik toen uit in de beker van Farao, die ik bij me had. Toen de beker vol was, bracht ik hem naar Farao."
"Nou, dat is een eenvoudig uit te leggen droom," zegt Jozef, "die drie ranken betekenen drie dagen. Binnen drie dagen zal Farao u uit de gevangenis laten halen en u mag weer gewoon aan het werk."
Dat vindt de schenker natuurlijk een heel goed bericht. Opgelucht begint hij aan zijn ontbijt.
Terwijl de schenker net zijn eitje aan het oplepelen is, vraagt Jozef hem: "Zeg hoor eens, als u straks weer dagelijks bij Farao komt, kunt u dan niet eens een goed woordje voor mij doen? Ik zit hier namelijk helemaal onschuldig. Ik ben vals van iets beschuldigd. En daarvr was ik al uit mijn geboorteland ontvoerd en als slaaf verkocht."
"Komt voor de bakker," zegt de schenker, "op mij kunt u rekenen!"
Dan ziet Jozef opeens, dat ook de bakker zo chagrijnig voor zich uit zit te staren.
"Wat is er met u aan de hand, ook al een rare droom gehad?" vraagt Jozef. "Hoe kunt u het zo raden," zegt de bakker, "ik heb vreselijk gedroomd. Ik droeg drie korven met gebak op mijn hoofd. In de bovenste korf zat het lekkerste gebak, speciaal gebakken voor Farao. Maar toen kwam er opeens een stel kraaien aan en die roofden die korf helemaal leeg."
Jozef is even stil en dan zegt hij zachtjes tegen de bakker: "Dat is helemaal niet zo'n mooie droom. Ik ben bang, dat ik erg slecht nieuws voor u heb. Over drie dagen zal Farao u laten ophangen en de vogels zullen komen en het vlees van uw botten pikken."

Het gebeurt precies, zoals Jozef voorspeld had. Na drie dagen, net op de verjaardag van Farao, wordt de bakker opgehangen en krijgt de schenker zijn oude baantje terug.
Maar Jozef heeft grote pech, want de schenker denkt helemaal niet meer aan hem. Jozef moet nog twee lange jaren in de gevangenis doorbrengen.

Maar dan gebeurt er iets!
Farao krijgt een vreemde droom. Hij droomde, dat hij aan de Nijl stond. En uit de Nijl kwamen zeven mooie, glanzende, goed doorvoede koeien. Ze gingen op de oever van de Nijl lopen grazen.
Toen kwamen er weer zeven koeien uit de Nijl, maar dat waren magere scharminkels, vel over been. Ze gingen naar de mooie koeien toe en toen gebeurde er iets ongelofelijks. De magere koeien aten de vette koeien op met huid en haar. Maar daar werden ze niet dikker van, ze bleven mager.
Verward wordt Farao wakker uit die rare droom. Hij snapt er niks van.
Maar even later dommelt hij weer in en weer krijgt hij zo'n vreemde en onbegrijpelijke droom.
Nu droomde hij, dat er zeven mooie volle aren uit n korenhalm kwamen. Daarna ontsproten er aan een halm ernaast zeven miezerige, dunne aren, die de volle aren verslonden.
De volgende morgen laat Farao alle droomuitleggers bij zich komen en ook nog andere geleerde meneren, maar niemand kan hem vertellen, wat die dromen wel kunnen betekenen.

Ook de schenker hoort van de dromen van zijn meester en dan opeens schiet hem zijn eigen droom in de gevangenis weer te binnen.
Hij vertelt dan aan Farao, dat er in de gevangenis een man is, die dromen uit kan leggen.
"Haal die man direct uit de gevangenis en breng hem bij mij!" gebiedt Farao.
Dan wordt Jozef uit de gevangenis gehaald. Eerst moet hij nog even in bad, want dat was er in de gevangenis wel eens bij ingeschoten. Hij wordt ook nog netjes geschoren. Dan krijgt hij een nieuw kloffie aan en dan verschijnt Jozef voor Farao.
"Dag Jozef," zegt Farao, "hoe is het? Ben je een beetje netjes behandeld in de gevangenis?"
"Ik mag niet klagen, Farao." zegt Jozef.
En dan vertelt Farao zijn dromen aan Jozef. Jozef luistert aandachtig en denkt dan een poosje diep na. Hij denkt zolang na, dat Farao al een beetje ongeduldig op zijn horloge kijkt.
Maar dan begint Jozef te praten.
"Farao," zegt Jozef, "die dromen zijn een boodschap van de Here God. De beide dromen hebben dezelfde betekenis. De Heer wil het goed tot u door laten dringen.
Die zeven koeien en die zeven aren stellen zeven jaren voor.
Die vette koeien stellen jaren van overvloed voor en die magere koeien stellen jaren van schaarste voor.
Er zullen nu eerst zeven jaren van grote overvloed komen. De graanoogsten zullen groter dan ooit zijn. Er moeten zelfs schuren bijgebouwd worden om alles op te kunnen bergen.
Maar daarna komen er zeven jaren van schaarste. Er zal dan haast niets groeien en de mensen zullen honger lijden.
In de jaren van overvloed moet er van die overvloed heel veel worden opgeslagen in voorraadschuren, zodat de mensen dat in de magere jaren kunnen opeten.
Dat is ook de betekenis van die magere koeien, die de vette koeien op aten.
Ik raad Farao aan om een wijs man aan te stellen, die dat alles gaat regelen."
Farao vindt, dat Jozef wijs gesproken heeft en ook zijn hoge dienaren vinden dat.
Farao zegt dan tegen Jozef: "Omdat de Here God jou dit alles heeft bekend gemaakt, zou ik geen betere man voor die baan kunnen bedenken dan jij zelf. Ik stel je aan over het hele land Egypte, alle mensen moeten jou gehoorzamen. Jij bent alleen gehoorzaamheid verschuldigd aan mij."
Dan neemt Farao zijn zegelring van de vinger en schuift hem om de vinger van Jozef. De ring moet nog wel even naar de goudsmid, want hij zit Jozef iets te ruim en hij moet de ring natuurlijk niet verliezen.
Jozef krijgt mooie kleren en een mooie gouden ketting om zijn hals.
Hij mag rijden in het tweede rijtuig van Farao. Wat een eer!
En overal waar Jozef langs rijdt in zijn rijtuig, roepen de mensen voor hem uit: "Opzij! Opzij! Heb eerbied voor deze man!"
Farao geeft Jozef ook een vrouw, zij heet Asnath.
Jozef was toen onderkoning van Egypte.
Jozef is dertig jaar oud als hij onderkoning van Egypte wordt.

In de jaren van overvloed trekt Jozef dagelijks door het hele land om toezicht te houden op het inzamelen van het koren.
In die jaren van overvloed wordt Jozef vader van twee zoontjes. De oudste zoon noemt hij Manasse. Die naam heeft ook een betekenis, het Hebreeuwse woord Menasscheh betekent: wie doet vergeten.
Jozef kiest die naam, omdat God hem al zijn zorgen en zijn moeilijke tijden heeft doen vergeten.
Zijn tweede zoontje noemt hij Efram, dat betekent: dubbele vrucht.

De zeven jaren van overvloed gaan voorbij en dan komen de zeven jaren van grote schaarste. Niet alleen in Egypte, maar ook in de omringende landen, zoals Kanan en Arabi.
Alle mensen komen nu bij Jozef om koren, waar ze brood van kunnen bakken. Ook de mensen uit de omringende landen komen bij Jozef.
En Jozef zorgt ervoor, dat iedereen voldoende te eten krijgt, zodat er niemand van honger hoeft te sterven.
Ook Jakob, de vader van Jozef, hoort van de overvloed in Egypte en hij zegt tegen zijn zoons: "Wat zitten jullie hier niets te doen? We hebben bijna geen koren meer om brood te bakken en in E- gypte hebben ze volop. Schiet op! Zadel de ezels, neem voldoende lege zakken mee en vergeet vooral je portemonnee niet. Haast je, want het is niet naast de deur."
En dan gaan tien broers van Jozef naar Egypte. Benjamin gaat niet mee, zijn vader is veel te bang, dat zijn jongste iets zou overkomen op zo'n lange reis.
Als de tien broers, na een lange reis in Egypte aankomen, gaan ze eerst naar een herberg. Eerst gaan ze douchen en daarna verorberen ze een heerlijke maaltijd. H, dat smaakt na zo'n lange, vermoeiende reis. Dan kijken ze nog even of de ezels goed verzorgd worden en dan gaan ze op zoek naar de graanvoorraden. Maar eerst moeten ze zich bij de onderkoning melden, bij Jozef dus.
Jozef herkent hen direct, maar de broers herkennen Jozef niet en dat is ook geen wonder, want wie verwacht nu iemand, die als slaaf verkocht is, als onderkoning aan te treffen.
Ze buigen diep voor Jozef en dan moet Jozef meteen aan zijn droom van lang geleden denken, toen hun korenschoven zich voor zijn schoof bogen. Die droom komt nu uit.
Jozef spreekt ook geen Hebreeuws tegen hen. Ze praten met behulp van een tolk met elkaar.
Jozef begroet hen heel bits: "Vanwaar komt gij?"
De broers zeggen dan, dat ze uit het land Kanan komen en dat hun oude vader hen gestuurd heeft om graan te kopen, want ze lijden honger.
"Ja ja," zegt Jozef, "en dat moet ik geloven? Ik denk eerder, dat jullie land ons land wil aanvallen en nu hebben ze jullie met een smoesje hierheen gestuurd om te zien waar de zwakke plekken in dit land zitten."
"Nee nee," roepen de broers in koor. "Wij zijn eerlijke mensen, die alleen door de honger hierheen gedreven zijn, omdat we gehoord hebben, dat hier volop graan te koop is. Onze oude vader heeft ons gestuurd. We hebben thuis ook nog een jongere broer, die moest thuis blijven, omdat hij nog zo jong is. Onze vader was bang, dat hem er iets zou overkomen, want hij heeft al eens een zoon verloren, die is verscheurd door een wild dier. Dat was de op n na jongste zoon van onze vader.
Maar Jozef blijft doen alsof hij hen niet gelooft. "Je kunt me nog meer vertellen," zegt hij, maar ik geloof er geen woord van. Dit hebben jullie natuurlijk van te voren zo afgesproken."
En dan zet Jozef hen gevangen.

Na drie dagen laat Jozef de broers weer bij zich komen.
"Luister goed," zegt hij, "n van jullie blijft hier gevangen en de anderen gaan terug naar huis. Jullie krijgen koren mee voor jullie gezinnen, zodat ze geen honger meer hoeven te lijden. En dan komen jullie terug en dan neem je de jongste broer mee. Benjamin was zijn naam h?"
De broers, die dus niet wisten, dat Jozef hen kon verstaan, zeiden tegen elkaar: "Dat is nu onze straf voor wat we onze broer Jozef aangedaan hebben. Wij luisterden toen niet naar zijn smeekbeden om hem vrij te laten en daarom wordt er nu niet naar onze smeekbeden geluisterd."
"Ja," zegt Ruben, de oudste, "ik heb jullie toen wel gewaarschuwd, je niet aan hem te bezondigen, maar jullie wilden niet naar mij luisteren."
Als Jozef dit alles hoort, krijgt hij tranen in zijn ogen en even trekt hij zich terug in een andere kamer om zijn tranen niet te laten zien aan de broers.
Even later komt Jozef bij de broers terug en dan laat hij Simeon vastbinden en naar de gevangenis brengen.
Jozef geeft dan zijn bedienden opdracht hun zakken met graan te vullen en het geld, dat ze ervoor hebben betaald, moeten ze weer bovenop het graan in de zakken leggen. Ook krijgen ze nog een aantal lunchpakketten mee voor onderweg. De zakken worden op de ezels geladen en de broers gaan op pad.
Als n van hen onderweg zijn ezel wat graan wil voeren en een zak openmaakt, vindt hij daar de geldbuidel. Geschrokken en ontsteld roept hij de anderen er bij.
"Kijk nou eens," roept hij, "het geld is teruggegeven! Wat heeft dat nou weer te betekenen?!?"
Ja, dat wisten de anderen natuurlijk ook niet en vol ontzetting kijken ze elkaar aan. Met bevend hart vervolgen ze hun weg.

Als ze weer thuis zijn, vertellen ze hun vader alles wat hen is overkomen.
"Nu zit Simeon daar in de gevangenis," zeggen ze, "en hij komt pas weer vrij, als wij daar met Benjamin terug komen."
Maar dan zegt vader Jakob: "Eerst verlies ik Jozef, nu zit Simeon gevangen in dat verre land en nu zou ik Benjamin ook nog naar dat verre en vreemde land moeten laten gaan? Geen sprake van!"
"Vader," zegt Ruben dan, "geef Benjamin onder mijn hoede. Ik zal zorgen, dat hij behouden bij u terug komt. En anders mag u mijn twee zoons doden."
Maar Jakob is niet over te halen. En dus blijven de broers thuis en blijft Simeon in de gevangenis en wacht tevergeefs op de terugkeer van zijn broers.

Maar de hongersnood blijft voortduren en het koren, dat de broers uit Egypte hebben gehaald, raakt op.
"Kom jongens," zegt Jakob, "het wordt tijd, dat jullie eens weer naar Egypte gaan om een nieuwe voorraad graan te halen."
"Maar vader," zegt Juda, "het is volkomen zinloos om zonder Benjamin terug te gaan, want we krijgen toch geen koren. Maar we lopen wel grote kans, dat ook wij dan in de gevangenis belanden."
Boos roept Jakob dan: "Waarom in vredesnaam hebben jullie dan verteld, dat je nog een jongere broer thuis had?!?"
"Dat moesten we wel vader," zeggen ze, "die man heeft ons uitvoerig ondervraagd over onszelf en over onze familie. Hij vroeg of we nog een vader hadden en of we nog meer broers hadden. Hij wilde het naadje van de kous weten."
Op het laatst geeft Jakob toe en mogen ze Benjamin meenemen.
Ze moeten ook geschenken meenemen en dubbel geld, want het geld, dat ze de eerste keer in hun zakken hadden gevonden, moeten ze ook weer meenemen.
En dan gaan ze weer op reis.

Als ze bij Jozef aankomen, geeft Jozef zijn bedienden opdracht een goede maaltijd te verzorgen, want hij wil de broers bij zich aan tafel hebben.
De hoofdbediende brengt de broers dan naar het huis van Jozef. Dat vertrouwen ze niet, waar zou dat nou weer goed voor zijn? Misschien moesten ze wel slavenarbeid doen.
Ze denken, dat het misschien komt door het geld, dat ze in hun zakken hadden gevonden.
Ze spreken de hoofdbediende aan en zeggen: "Wij hebben hier al eens eerder koren gekocht en hoe het kan, weten we niet, maar op de terugweg vonden we onze geldbuidels met het geld boven in onze zakken. Maar dat geld hebben we nu weer bij ons om het aan u te betalen."
Maar de hoofdbediende stelt hen gerust en zegt, dat ze niets te vrezen hebben.
Dan haalt hij Simeon uit de gevangenis en brengt hem bij hen.
Ook zorgt hij voor voer voor de ezels en voor water om hun voeten te wassen.

Als Jozef thuiskomt, geven ze hem de geschenken en ze buigen weer diep voor hem.
"Hoe is het met uw oude vader," vraagt Jozef, "hij leeft toch nog wel?" Ze zeggen, dat hun vader nog leeft en dat het goed met hem gaat.
Dan kijkt Jozef naar Benjamin en vraagt: "Is dat nu die jongste broer, waarover jullie spraken?"
Maar dan kan Jozef zich niet meer goed houden en vlug verlaat hij de kamer. De tranen stromen hem over de wangen.
Een poosje later wast hij zijn gezicht en gaat weer terug aan tafel.
"Wat een vreemde snoeshaan," denken de broers, "hij vraagt ons iets en voor we antwoord kunnen geven rent hij de kamer uit. Dat hoort helemaal niet zo, onder het eten moet je toch aan tafel blijven?"
Ze eten niet samen aan n tafel.
Jozef heeft een tafel voor zich alleen. De broers zitten samen aan een tafel en de Egyptenaren, die voor de maaltijd zijn uitgenodigd, zitten weer aan een aparte tafel, want Egyptenaren gaan niet samen met Hebreen aan tafel.
Ieder krijgt een plaats aangewezen. De broers zitten precies volgens leeftijd. Stomverbaasd kijken ze elkaar aan. Hoe weten ze hier nu hun leeftijd?
Ze krijgen heerlijk te eten en te drinken, Benjamin veel meer dan de anderen. En ze worden allemaal dronken. Foei foei.

Maar er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan.
De broers kopen weer een voorraad koren en maken aanstalten om weer te vertrekken.
Maar dan wil Jozef zijn broers nog eens goed te pakken nemen.
Weer geeft hij opdracht om het geld weer bovenin de zakken met koren te leggen. Maar bovendien moet zijn hoofdbediende de zilveren beker van Jozef bovenin de zak van Benjamin leggen. Eigenlijk wel een beetje gemeen natuurlijk, maar Jozef wil zijn broers nog eens goed bang maken. Dat hebben ze wel verdiend, vindt hij, na wat ze hem hebben aangedaan.
De volgende morgen vertrekken de broers al vroeg met hun zwaar beladen ezels.
Maar ze zijn nog maar net buiten de stadspoort of ze worden al weer staande gehouden.
Er wordt gevraagd, waarom ze goed met kwaad vergelden. Waarom hebben ze de zilveren beker van de onderkoning gestolen?
Ontsteld kijken de broers elkaar aan!
"Wat heb ik nou aan m'n fiets hangen," zegt Ruben boos, "waarom zouden wij een beker stelen? Zoek alles maar na en als jullie die beker bij ons vinden, dan zullen wij ons leven lang hier blijven als slaven van de onderkoning."
Alle zakken met graan worden weer van de ezels afgeladen en open gemaakt.
Maar wat schrikken de broers, als de beker in de zak van Benjamin wordt gevonden! Dat hadden ze nou toch nooit van Benjamin gedacht!
Ze worden mee terug genomen en naar Jozef gebracht. Diep beschaamd buigen ze zich voor hem neer.
Jozef doet net alsof hij verschrikkelijk boos is.
"Wat hebben jullie nu gedaan! Dacht je nou heus, dat je daarmee ongemerkt het land kon verlaten?"
Dan neemt Juda het woord: "Wij kunnen niets zeggen om ons te rechtvaardigen. Wij zullen uw slaven zijn."
"Geen sprake van," zegt Jozef, "alleen de man bij wie de beker is gevonden zal mijn slaaf zijn. De rest gaat terug naar huis."
Maar weer richt Juda het woord tot Jozef: "Ik heb onze oude vader beloofd borg te staan voor de jongen. Ik kan het niet maken, zonder hem terug te komen bij Isral, onze vader. Laat Benjamin dan gaan en neem mij in zijn plaats."

Maar dan kan Jozef zich niet langer bedwingen. Hij stuurt alle Egyptenaren de kamer uit, zodat hij alleen met zijn broers overblijft.
Dan laat hij zijn tranen de vrije loop en zegt: "Ik ben Jozef, jullie broer! Wat ben ik blij, dat vader nog leeft!"
Verschrikt deinzen de anderen terug.
Jozef zegt: "Ik ben echt jullie broer, die jullie als slaaf aan kooplieden hebben verkocht.
Maar zit daar maar niet over in, want het heeft zo moeten zijn. Het is beslist de wil van de Here God geweest. Er heerst nu al twee jaar hongersnood en dat zal nog vijf jaar zo doorgaan. God heeft mij hierheen gestuurd om ervoor te zorgen, dat wij niet van honger omkomen. De Heer heeft gezorgd, dat ik hier onderkoning werd en heerser over heel Egypte.
Ga nu gauw terug naar Kanan en vertel vader, dat ik nog leef. En kom dan terug met vader en kom hier wonen. Jullie kunnen wonen in het land Gosen en dan zijn we altijd dicht bij elkaar."
Dan sluit hij zijn broer Benjamin in de armen en beiden laten de tranen de vrije loop.
Vervolgens kust Jozef al zijn broers.
Hij zorgt voor wagens, zodat ze alles gemakkelijk kunnen vervoeren met de verhuizing.

Jakob twijfelt eerst of het allemaal wel waar is, wat zijn zoons hem vertellen, maar ze weten hem te overtuigen. En dan brandt Jakob van verlangen om zijn verloren gewaande zoon Jozef weer te zien.
Er breekt nu een drukke tijd aan, want ze moeten alles inpakken en op de wagens laden. Dat is een heel karwei. Maar het zijn allemaal sterke kerels, dus het lukt ze wel. Vader Jakob kijkt toe of alles goed gaat. Alles en iedereen moet mee.
Al hun vrouwen en kinderen en ook al het vee.
Eindelijk is alles ingepakt en opgeladen en kunnen ze vertrekken.
Als ze een eindje weg zijn, kijkt Jakob nog even terug naar de plek, waar hij zo'n groot deel van zijn leven heeft doorgebracht.

Eindelijk komen ze in Egypte aan, in het land Gosen.
Jozef staat zijn vader al op te wachten.
Wat een ontmoeting volgt er dan!
Huilend sluiten ze elkaar in de armen en blijven lange tijd zo staan.
Dan doet Jakob een stap achteruit en zegt: "Laat me je nu eens goed bekijken. Je ziet er goed uit. En hoe krijg je het voor elkaar om zo'n hoge positie te bemachtigen in een vreemd land."
Opnieuw omhelzen ze elkaar, innig gelukkig!

Jozef stelt zijn familie ook aan Farao voor.
Farao vraag aan de broers: "Wat doen jullie voor de kost?" "Wij zijn veehouders, schaapherders, majesteit."
"Nou," zegt Farao, "dat komt goed uit, want ik kan wel een paar flinke opzichters over mijn kudden gebruiken."
En vader Jakob vraagt hij naar zijn leeftijd.
"Ik ben honderddertig jaar oud," zegt Jakob, "en ik heb een zwaar leven achter de rug."
"Daar twijfel ik niet aan," zegt Farao, "maar nu kunt u rustig van uw oude dag genieten, met al uw dierbaren dicht bij u."
"Zo is het," zegt Jakob.
"Uw zoon Jozef moet een goed stuk land voor jullie uitzoeken en goede plaatsen om te wonen," zegt Farao.

En dan vertrekt Jozef weer met zijn familie uit het paleis.
En inderdaad, Jozef zorgt goed voor zijn familie. Hij wijst ze goede woonplaatsen aan en geeft ze grondbezit in het beste deel van Egypte, in Rameses, een deel van Gosen.

Jakob leeft daarna nog zeventien jaar. Als hij honderdzevenenveertig jaar is, sterft hij.
Jozef blijft in Egypte wonen.
Hij wordt honderdtien jaar oud.

En dit is het einde van het mooie verhaal over Jozef, de schaapherder, die eerst slaaf en later onderkoning werd.

Terug