Jona

De ongehoorzame profeet

Weet je wat een profeet is?
Een profeet is eigenlijk een boodschapper van de Here God.
En een profeet is ook iemand, die voorspellingen doet. Een profeet vertelt de mensen, wat Gods wil is en wat God zal doen als ze niet naar Gods wil handelen.
In de bijbel wordt over verschillende profeten verteld.
Een heel bekende profeet is Jona. Je kent vast wel dat liedje: toen Jona in de walvis zat, van je een twee drie.
Maar boven dit verhaal staat dat Jona een ongehoorzame profeet was. Kan dat dan ook?
Dat een boodschapper van de Heer soms ongehoorzaam is? Ja hoor, dat kan. Lees maar verder.
Er was eens een heel groot land in het Midden-Oosten, Assyrië heette het en de hoofdstad van dat land heette Ninevé.

De mensen, die in Ninevé woonden, waren niet zo goed. Ze deden helemaal niet wat God wilde. Ze gingen helemaal niet meer naar de kerk. Ze zaten maar in de kroeg bier te drinken of ze deden allerlei slechte dingen en daar was de Here God erg verdrietig en boos om.
En toen besloot de Heer om die hele stad Ninevé te verwoesten. Gewoon van de aarde weg te vagen. En alle mensen, die er woonden zouden dan natuurlijk omkomen.
Maar God wilde die mensen toch nog een kans geven om hun leven te beteren, want de Here God houdt erg veel van alle mensen en Hij is erg lankmoedig.
Weet je wat lankmoedig is? Als je lankmoedig bent, dan zie je veel door de vingers. Dan word je niet zo gauw boos op iemand. Je bent dan toegevend.
God riep toen Jona, de profeet, de boodschapper.
"Jona," zei God, "Ik wil, dat je naar Ninevé gaat en die mensen daar oproept zich te bekeren, want anders zal Ik Ninevé verwoesten."
Maar Jona was ongehoorzaam, hij had helemaal geen zin in die opdracht van de Heer en hij maakte, dat hij weg kwam.
Dat was niet mooi van Jona.
Hij wilde vluchten naar Tarsis, dat was de hoofdstad van een land, dat Cilicië heette.
(Kijk maar op het kaartje hierboven). Jona moest er met een schip heen. Hij ging naar een plaats, die Jafo heette.
Die plaats werd ook wel Joppe genoemd en daar was een haven, waarin schepen lagen.
Jona probeerde daar een schip te vinden, dat naar Tarsis ging. Hij had natuurlijk eerst een paar keer pech, maar na een poosje vond hij een schip, waarmee hij naar Tarsis kon varen. Hij vroeg, wat het kostte en gelukkig had hij geld genoeg bij zich om de overtocht te betalen.
Maar de Here God kun je niet voor de gek houden, Die ziet alles.
Ze waren dan ook nog maar net in volle zee of de Heer liet een geweldige storm opsteken. De mensen op het schip werden allemaal vreselijk bang. Ze dachten, dat het schip zou vergaan en dan zouden ze verdrinken, want ze waren veel te ver van de kust om naar land te zwemmen.
Maar Jona merkte niets van die zware storm. Hij lag beneden in het ruim lekker te slapen. Hij zal wel erg moe geweest zijn, want hij werd helemaal niet wakker van die storm.
De kapitein van het schip riep naar zijn bemanning: "Weten jullie ook, waar die passagier gebleven is?"
Nee, dat wisten ze niet. "Wacht eens," riep toen iemand, "ik zag hem een poosje geleden geloof ik de trap naar het ruim afdalen. Misschien is hij daar nog wel."
De kapitein ging kijken en ja hoor, daar lag Jona in diepe slaap verzonken. "Hé!" schudde de kapitein hem wakker, "slaapkop, merk je helemaal niet wat voor noodweer het is? Het schip zou wel kunnen vergaan, zonder dat je het merkt en dan zou je op de zeebodem pas weer wakker worden."
Jona werd wakker en met slaperige oogjes keek hij de kapitein aan.
"Waarom maakt u me wakker," vroeg hij, "ik sliep net zo lekker. En waarom laat u het schip zo raar heen en weer slingeren?"
"Het stormt man," riep de kapitein, "schiet op, maak dat je aan dek komt en ga bidden tot je God om de storm te laten bedaren."
Jona ging met de kapitein naar boven.
Ze wilden toen weten of die storm soms de schuld van één van hen was en toen gingen ze het lot werpen. Hoe dat precies in zijn werk ging, weet ik ook niet. Als wij dat nu zouden doen, dan zouden we papiertjes maken en op één papiertje bijvoorbeeld een kruisje zetten. Wie dan het papiertje met het kruisje zou trekken, was dan de schuldige. Maar zo ging het toen natuurlijk niet, want ze hadden nog geen papiertjes en balpennen op zak.
Jona had pech, want het lot wees hem als de schuldige aan.
"Zozo," zei de kapitein, "dat is niet zo best. Vertel ons maar eens even wat je op je kerfstok hebt."
Jona had natuurlijk wel al door, dat het de Here God was, die het zo had laten stormen. God liet hem maar zo niet weg gaan.
Jona zei toen tegen de kapitein en de andere mensen op het schip: "Ik ben een Hebreeër en een profeet in dienst van de God van Israël. Ik ben ongehoorzaam geweest en heb een opdracht van mijn God niet opgevolgd. Die storm is een waarschuwing van de Heer. Gooi mij maar in zee, dan zal de storm wel gaan liggen."
Maar dat vonden ze wel wat te ver gaan en ze probeerden door uit alle macht te gaan roeien een veilige haven te bereiken. Maar dat lukte ze niet.
Natuurlijk niet! Niemand kan toch tegen de Here God op?!?
En toen zei de kapitein tegen Jona: "Ja, het spijt me wel, maar dan zullen we je toch maar in zee gooien. Het is natuurlijk erg triest voor jou, maar als we het niet doen, zal het schip zeker vergaan en dan verdrinken we allemaal. Voor jou maakt het niet veel uit, of je nu alleen verdrinkt of met ons er bij."
En de mannen van het schip grepen Jona beet en gooiden hem in de zee.
Hupsakee, daar ging Jona.
Hij ging al gauw kopje onder.
Brrrrr, wat was dat water koud.
Maarrrrr..... de Here God liet Jona niet zomaar verdrinken.
O nee, Jona had een opdracht van God gekregen en daar kwam hij zomaar niet onderuit. De Heer liet toen een grote vis naar Jona toe zwemmen en die vis deed zijn grote bek wijd open en slokte Jona zo maar ineens naar binnen.
En zo zat Jona dus opeens binnen in de buik van die grote vis.
"Oei, wat is het hier donker!" dacht Jona.

En de vis zwom met Jona in zijn buik verder. Hij vond het wel wat lastig, zo'n grote man in zijn maag, die ook nog niet stil wou zitten.
Drie dagen zwom de vis zo rond met Jona in de buik.
Toen liet de Heer de vis naar de kust zwemmen en daar heeft de vis Jona op het strand uitgebraakt.
"Eullk," zei de vis en hoepla, daar lag Jona op het strand.
Hij knipperde even met zijn ogen tegen het felle licht, want hij had drie dagen en nachten in pikkedonker gezeten. Toen hij een beetje aan het licht gewend was, ging hij zich gauw even een beetje wassen, want na zo'n lang verblijf in een vissenmaag voelde hij zich niet zo erg fris.
Maar veel tijd voor zichzelf had hij niet, want de Here God riep hem weer.
"Hoor eens even Jona," zei de Heer, 'Ik heb je niet voor niets door die vis laten opslokken. Je moet nog steeds die opdracht, die ik je gaf uitvoeren. Maak dus maar gauw, dat je naar Ninevé komt!"
Ja, toen kon Jona er natuurlijk niet meer onderuit.
Hij ging naar Ninevé.
Dat was een heel grote stad. Als je van de ene kant van de stad naar de andere kant moest lopen, dan deed je daar drie dagen over.
Kun je nagaan hoe groot die stad wel was.
Jona kwam in Ninevé en begon de mensen daar te waarschuwen, dat de stad over veertig dagen verwoest zou worden.
De mensen werden heel erg bang en ze begonnen allemaal tot de Here God te bidden om vergeving.
De koning van Ninevé deed zijn koninklijk opperkleed uit en trok rouwkleren aan.
En alle mensen van Ninevé moesten op bevel van de koning in rouwkleren gekleed gaan en ze mochten niet eten en drinken.
Ze moesten met zijn allen luid tot de God van Israël roepen: "Vergeef ons! Vergeef ons!"
Ze hoopten, dat de Heer dan medelijden met hen zou krijgen en de stad sparen. Ook hun dieren mochten niet eten of drinken. Hun koeien niet en hun schapen niet en hun konijnen niet. Dat was wat!
Maar dat heeft wel geholpen, want toen de Heer zag, dat ze echt berouw van hun zonden hadden, besloot Hij om Ninevé te sparen. God zou Ninevé niet verwoesten.

Maar dat was helemaal niet naar de zin van Jona. Eerst moest hij naar Ninevé om de mensen te zeggen, dat de stad verwoest zou worden en nu ging het weer niet door.
"Dacht ik het niet," zei Jona in zichzelf, "God is veel te lankmoedig. De mensen hoeven maar te zeggen, dat ze ergens berouw over hebben en God is meteen weer helemaal goed met ze."
Narrig ging Jona buiten de stad zitten. Hij zocht een plekje, waar hij in de schaduw kon zitten, want het was smoorheet en drukkend. Jona keek al eens in de lucht, want met zulk drukkend weer kon er best eens een fikse onweersbui komen. Maar nee hoor, de zon brandde maar door op zijn hoofd.
Maar God wilde Jona nog eens weer terechtwijzen.
En toen liet de Heer ineens een wonderboom naast Jona groeien. Het was maar even en toen stond de boom er al. En Jona kon mooi in de schaduw zitten. Hè! God was toch wel goed voor hem, vond hij.
Vergenoegd wreef hij zich in de handen. Maar hij wreef te vroeg, want God liet de boom aanvreten door ongedierte en de volgende morgen toen de zon weer begon te branden, was de boom helemaal verdord en weer zat Jona in de zon te bakken.
Hij pufte en zweette en wist niet waar hij het zoeken moest.
Hij vond, dat hij eigenlijk maar beter dood kon zijn.
En God vroeg hem: "Ben je boos, dat de boom verdord is, Jona?"
"Natuurlijk ben ik boos!" zei Jona. "Jona, Jona!, zei de Heer toen, "die boom, die jij niet hebt laten groeien, de boom die ineens daar stond en die in één nacht weer verdween, wilde je sparen. Zou Ik dan die grote stad met al die mensen en al dat vee niet sparen, als die mensen oprecht berouw hebben van hun zonden?
Schaam je Jona! Schaam je diep!"

TERUG