| Johan de Mepsche |
Bij Loppersum lag
de borg Duirsum, die mogelijk later Den Ham of Ten Ham werd
genoemd. Onder die naam komt hij wel voor op oude kaarten.In de
oudste oorkonden vinden we echter de naam Duirsum in den Ham.
De bedoeling daarvan zal zijn, dat de borg gelegen was in de Ham
bij Loppersum. Den Ham is dan de naam van een buurt tussen de
dorpen Loppersum, Westeremden en Stedum.
Nu is een ham
eigenlijk een aangeslibt stuk land, een aan het water gelegen
weiland.
En dat klopt precies,want lang geleden was daar de oude
Fivelboezem.
Momenteel vinden
we even ten westen van Loppersum een boerderij met de naam Den
Ham.
Komend vanaf Loppersum vinden we rechts van de weg twee hekpalen
met die naam er op.
Rijden we tussen die palen door dan komen we via een lange
onverharde weg bij die boerderij. Was dat misschien vroeger de
oprijlaan?
Op de bekende kaart van Beckeringh van 1785 vinden we ook die
boerderij Den Ham.
Op de kaart van de gebroeders Coenders van 1686 vinden we die
boerderij echter niet, maar wel op ongeveer dezelfde plaats de
burcht Duirsum, door de gebr. Coenders met de naam Ten Ham
aangeduid. Op de nog oudere kaart van Ludolf Tjarda van
Starkenborch van plm 1650 staat de borg ook ongeveer op diezelfde
plaats.
Even ten
zuidoosten van de tegenwoordige boerderij Den Ham vinden we een
boerenplaatsje met de eigenaardige naam 'Reddeloos'.
Volgens overlevering zou daar in de Fivelboezem een zandplaat
geweest zijn.
De schepen, die daar op kwamen liepen zo vast in het zand, dat ze
reddeloos verloren waren.
Inderdaad vondt men daar, dicht onder de oppervlakte van de bodem,
zand met schelpen vermengd (in 1932). Waarschijnlijk was dit ondiepe gedeelte reeds
vroeg dichtgeslibd en moeten we dus onder Den Ham een hoek
aangeslibd land verstaan.
Den Ham was dus
oorspronkelijk geen burcht, maar een buurt en vormde een kluft of
clauw van de rechtstoel Loppersum.
In die buurt hebben zeven of acht edele heerden gestaan en uit
een van die heerden, de Duyrtsema Heerd, heeft zich de borg
Duirsum ontwikkeld.
De oudst bekende
bewoner van Duirsum is waarschijnlijk een Abbe Heemstra geweest
in de eerste helft van de 15e eeuw.
Een nazaat van deze Heemstra was Agnes van Munster, die in 1560
trouwde met Johan de Mepsche, waardoor deze de Mepsche op de borg
Duirsum terecht kwam. Agnes was niet zijn eerste vrouw, daarvoor
was hij al getrouwd geweest met Catharina van Siegen, dochter van
de burgemeester van Keulen.
Johan de Mepsche, de beruchte, werd omstreeks 1520 geboren als
zoon van Evert de Mepsche van de borg Meyma te Baflo, die
getrouwd was met Anna Jarges. Deze Anna stierf in 1541, waarna
Johan naar Duitsland ging, waar hij enige tijd later door Karel V
in de ridderstand werd verheven. In 1554 werd hij kanselier in
het nieuw opgerichte gerechtshof van Kanselier en Raden voor
Overijssel, Drenthe en Lingen. Dit ambt had men eerst aan zijn
vader willen opdragen, maar die had zich dood gedronken. Om
stadhouder Aremberg te behagen, dronk hij aan een feestmaal zulke
hoeveelheden wijn, dat hij drie da- gen later aan de gevolgen
hiervan overleed. Aan deze dwaasheid van zijn vader dankte Johan
zijn benoeming in bovengenoemd ambt. Hij was toen nog getrouwd
met Catharina van Siegen.
Johan de Mepsche werd in 1557 door Philips II benoemd tot
Luitenant van de Hoofdmannenkamer te Groningen. Hij kreeg toen
uitgebreide macht. Hij bezat niet alleen alle aan dat ambt
verbonden bevoegdheden, maar was bovendien de plaatsvervanger van
stadhouder Johan van Ligne. Zijn jaarwedde bedroeg de som van
twaalfhonderd carolusguldens. Bovendien kreeg hij de aan het ambt
verbonden emolumenten.
Hij stond bekend als zeer roomsgezind en als iemand, die de
bevelen van de koning zonder meer uitvoerde. Tijdens de
beeldenstorm trad hij met grote sluwheid en wreedheid op. Uit
angst, dat ook de kerk van Loppersum, waarvan hij collator en
proost was, slachtoffer zou worden van de beeldenstorm, liet hij
door de kerkvoogden Johan in den Ham en Tjasse Hayens de beelden
en sieraden wegnemen. De gouden en zilveren ornamenten, alsmede
de papieren en documenten van de kerk werden aan een vertrouwd
persoon in Groningen in bewaring gegeven. Hoewel hij dat niet was,
handelde de Mepsche hier als unicus collator.
Bij het wegnemen der beelden handelden de kerkvoogden dus met
medeweten en toestemming van Johan de Mepsche, eigenlijk zelfs op
diens bevel. Toch schrok de Mepsche er niet van terug deze
kerkvoogden later te beschuldigen van beeldenstormerij. Op grond
van deze beschuldiging werden deze eigenerfde boeren in
ballingschap gedreven en hun goederen verbeurd verklaard. De
eigenlijke reden was, dat de Mepsche alleen heer en meester in
Loppersum wilde zijn en geen mede-collatoren naast zich verdroeg.
In het jaar 1568
verscheen Lodewijk van Nassau met zijn troepen in de Ommelanden
en met diens komst leek het er op, dat de kansen zich zouden
keren ten gunste van de hervormingsgezinden. Op 12 mei 1568 werd
Duirsum platgebrand door vijftig soldaten van Lodewijk onder
leiding van Gert Hoendrich.
Misschien moeten wij de Mepsche in zijn strijd niet alleen zien
als dienaar van de Spaanse koning, maar tevens als de edelman,
die het niet verdraagt dat rijke eigenerfde boeren de allures van
landjonkers aan- nemen.
Ook stond hij niet toe, dat ze de bijnaam 'In den Ham' droegen en
dat zij wapens in kerkvensters en grafstenen lieten aanbrengen.
Meteen na de verbanning van de eigenerfde boeren, tevens
kerkvoogden, ei- gende de Mepsche zich de hele kerk van Loppersum
toe. Tevens beval hij, dat de mensen twee halfjaarlijkse
schattingen moesten opbrengen voor het herstel van zijn huis en
het graven van een gracht. Wie geen geld had, moest komen werken.
Hij beschouwde hen dus als lijfeigenen. Op die manier kon hij
zijn borg op kosten van de Lopsters weer opbouwen.
Ook het bouwmateriaal kreeg hij voor een koopje. Dat was
afkomstig van afbraak van het klooster te Wittewierum.
Na de afkondiging
van de Pacificatie van Gent brak er voor de hervormingsgezinden
in de Ommelanden een betere tijd aan.
De Waalse bezetting sloeg aan het muiten en zwoer trouw aan de
Staten.
De Mepsche werd in zijn eigen huis in de stad opgesloten en door
50 soldaten bewaakt. Daarmee begon voor de Mepsche een erg
ellendige tijd. De vervolger werd nu vervolgde. Hij had het niet
gemakkelijk in gevangenschap. Hij werd in boeien geslagen en als
een hond aan de ketting gelegd.
Op 17 februari 1577 werd hij weer vrijgelaten, maar nog niet van
rechtsvervolging ontslagen.
Er waren veel beschuldigingen tegen hem ingebracht, ook door
bewoners van de Ommelanden.
Er werd een commissie van onderzoek benoemd. Deze commissie trok
ook de provincie in om klachten aan te horen.
De Hoofdmannen wisten echter een plakkaat van de koning te
verkrijgen, waarin bevolen werd het onder- zoek naar de daden van
de Mepsche te staken. Op 12 augustus 1577 werd Johan de Mepsche
opnieuw gevangen genomen.
In de zomer van 1578 wist hij opnieuw zijn vrijlating te
bewerkstelligen. Hij was toen geen Luitenant van de
Hoofdmannenkamer meer en ook geen proost van Loppersum.
Na zijn vrijlating begaf hij zich eerst naar zijn burcht Duirsum.
In december 1578 ging hij naar Jever in Oldenburg. Hij moest nu
zelf als balling rondzwerven. Hij bleef anderhalf jaar in
Oldenburg en Oost-Friesland. Toen keerden de kansen weer in zijn
voordeel en keerde hij naar Groningen terug.
Al gauw bleek toen, dat hij nog dezelfde Spaansgezinde van
vroeger was.
Hij deed meteen weer een aanval op de goederen der uitgewekenen
en verdeelde de buit met zijn handlangers. Voor zichzelf koos hij
de uitgestrekte goederen van Adriaan Ripperda.
Op 1 maart 1581 kwamen soldaten onder leiding van Wilbolt van
Ewsum naar Loppersum en bezetten daar verschillende huizen,
waaronder ook Duirsum. Vanuit de stad werden toen zeven vendels
met grof geschut gestuurd, waardoor van Ewsum weer werd verdreven.
Tijdens zijn verblijf in Loppersum heeft de Mepsche daar tal van
maatregelen genomen op kerkelijk gebied. In alle dorpen dwong hij
kerkvoogden en geestelijken tot herstel van altaren en beelden en
tot het geregeld houden van de mis. Zo herstelde hij met
krachtige hand de roomse eredienst. Ook op wereldlijk gebied nam
hij allerlei dwangmaatregelen, waardoor hij zijn macht kon
vergroten.
In september 1582 stak de Mepsche het huis van Johan in den Ham
in brand. Deze Johan was inmiddels in ballingschap overleden.
Op deze manier wilde de Mepsche de laatste sporen uitwissen van
een geslacht, dat het gewaagd had, evenals hij, de bijnaam 'In
den Ham' te voeren.
Hij ging radicaal te werk. Het gehate geslacht moest met wortel
en tak worden uitgeroeid.
De vele
bezigheden, waarmee de Mepsche in deze tijd van zijn leven
overladen was, hadden een slechte invloed op zijn gezondheid.
Begin april 1585 werd hij ziek en op 7 april overleed hij aan de
pest, die hij meermalen had trachten te ontlopen.
Hij liet een weduwe en minstens vijf kinderen na: Evert Johan,
Rudolph, Rudolph Henning, Catharine en nog een andere dochter,
die volgens Nanninga Uiterdijk gehuwd was met Aepko van Ewsum. De
man van Catharine was Antoine de Locquenghien. Deze erfgenamen
hebben zich verschillende malen tot de overheid gewend met het
verzoek, het onbetaald gebleven salaris van de overledene ten
bedrage van 6200 gulden uit te betalen. Het is niet bekend of dat
ook gebeurd is.
De vrouw van de Mepsche, Agnes van Munster, volgde in Loppersum
het voetspoor van haar man. Ook zij streefde naar
alleenheerschappij in kerk en maatschappij.
Johan de Mepsche
werd begraven in de kerk van Loppersum. Zijn graf zal zeker
gesierd zijn geweest met een monument of een mooie steen, maar
daarvan is niets terug te vinden. Het vermoeden ligt voor de hand,
dat de Lopsters de gedachtenis aan deze man hebben willen
uitbannen en dit hebben gedaan door zijn voorbeeld te volgen. De
Mepsche had indertijd ook de grafstenen van Johan in den Ham uit
de kerk laten verwijderen.
Het is best mogelijk, dat het graf van Johan de Mepsche nog eens
gevonden wordt.
In het familiearchief Farmsum wordt een klein papiertje bewaard,
waarop vermeld staat: "Den 1771 den 26 Augustus wanneer
de consistorie te Loppersum vernieuwd wierde, vond men in de
kleine kerk voor de Grote Zerken, daar Roelof van Munster en
Maria van Selbach begraven zijn, 2 gewelfde kelders naast
elkanderen". De grootte van de kelders, alsmede de
plaats van de ingangen worden nauwkeurig aangegeven. Het
geschrift eindigt met de woorden: "Er waren vele
overblijfselen van sware Posten kisten in te zien waaruit zelfs
bleek, dat de lijken op een ander gestaan hadden, en de kelders
genoegzaam vol waren geweest, dog meest alle vergaan".
Het is zo goed als zeker, dat Johan de Mepsche in een van deze
kelders is bijgezet..
Agnes van Munster heeft na de dood van haar man nog enige jaren Duirsum bewoond. Het is niet bekend wanneer zij gestorven is en waar zij is begraven. Na haar dood schijnt de burcht in bezit gekomen te zijn van haar zoons Evert Johan en Rudolph Henninck de Mepsche.