|
Johannes 17
Dit is het gebed
van Jezus tot God de Vader op het moment, dat Zijn taak op aarde
zo goed als voltooid is.
Weldra zullen Vader en Zoon verenigd worden in het Hemelse
Koninkrijk.
| Staten Vertaling | Kanttekeningen | Nieuwe Bijbel Vertaling |
| 1 Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. | verheerlijk Uw Zoon Dat is, toon in Zijn diepste vernedering dat Hij uw Zoon is, hetwelk ook door vele wondertekenen in Zijn lijden gesteld is (Matth. 27:46,51,52,53) en inzonderheid door Zijn opstanding, hemelvaart en zitten ter rechterhand Zijns Vaders. |
1 Zo sprak hij. Daarna sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen. |
| 2 Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. | 2 Hij heeft van u macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die u hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken. | |
| 3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. | 3 Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus. | |
| 4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen; | verheerlijkt Namelijk door Mijn leer, leven en wonderwerken. werk |
4 Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt. |
| 5 En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. | verheerlijk Mij Dat is, stel mij tot uw rechterhand in het volle gebruik mijner heerlijkheid, welke Ik van eeuwigheid wel bij u gehad heb, maar die in den tijd mijner vernedering in mijn menselijke natuur tot zaligheid der mensen, gelijk als verborgen is geweest. |
5 Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die ik bij u had voordat de wereld bestond. |
| 6 Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. | uit de wereld uit de gemenen hoop der mensen |
6 Ik heb aan de mensen die u mij uit de wereld gegeven hebt uw naam bekendgemaakt. Zij waren van u, maar u hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, |
| 7 Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is | 7 en nu begrijpen ze dat alles wat u mij hebt gegeven, van u komt. | |
| 8 Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. | van U uitgegaan Dat is, dat Ik uw Zoon ben van eeuwigheid van u geboren |
8 Ik heb de woorden die ik van u ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat ik van u gekomen ben, en ze geloven dat u mij hebt gezon- den. |
| 9 Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw. | de wereld niet voor alle mensen der wereld zonder onderscheid, maar voor de uitverkorenen en gelovigen |
9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die u mij hebt gegeven, omdat zij van u zijn |
| 10 En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt. | 10 alles wat van mij is, is van u, en alles wat van u is, is van mij en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. | |
| 11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij. | ben niet meer in de wereld Ik zal haast uit de wereld scheiden met mijn lichamelijke tegenwoordigheid in
de wereld |
11 Ik ben al niet meer in de wereld, ik ga naar u toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die u ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn. |
| 12 Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en nie- mand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. | de zoon der verderfenis (zoon des verderfs) zo wordt Judas genaamd, gelijk ook de Antichrist, (2 Thess. 2:3), omdat hij door Gods rechtvaardig oordeel ten verderve bereid was |
12 Zolang ik bij hen was heb ik hen door uw naam, die u mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging. |
| 13 Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven. | 13 Nu kom ik naar u toe, en ik zeg dit terwijl ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde. | |
| 14 Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. | Uw woord gegeven uw leer geleerd en geopenbaard gehaat van de wereld niet ben |
14 Ik heb hun uw woord gegeven. De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook ik niet bij de wereld hoor. |
| 15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze. | wegneemt Namelijk voor dezen tijd, daar Ik hun dienst na dezen nog moet gebruiken |
15 Ik vraag niet of u hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of u hen wilt beschermen tegen de duivel. |
| 16 Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. | 16 Ze horen niet bij de wereld, zoals ik niet bij de wereld hoor. | |
| 17 Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. | Heilig ze in Dat is, vernieuw hen meer en meer door uw waarheid en maak hen meer en meer bekwaam om dienaars te zijn des Nieuwen Testaments |
17 Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid. |
| 18 Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. | gezonden Namelijk om uw woord en waarheid door de gehele wereld te prediken |
18 Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden. |
| 19 En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. | Ik heilige Mijzelven Dat is, Ik geef mijzelven over tot een heilige offerande zij geheiligd mogen
zijn |
19 Ik heb mij geheiligd omwille van hen, zo zullen ook zij door de waarheid geheiligd zijn. |
| 20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. | hun woord Dat is, mijn woord door hen gepredikt |
20 Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. |
| 21 Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. | in Ons één zijn Of, met ons; dat is, opdat zij door het ware geloof met ons verenigd zijnde (Ef. 3:17), ook daarenboven met ware liefde onder elkander verenigd mogen zijn de wereld gelove |
21 Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. |
| 22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn; | de heerlijkheid Namelijk om Gods kinderen te zijn en mijne medeërfgenamen zij één
zijn |
22 Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: |
| 23 Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. | 23 ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad. | |
| 24 Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld. | waar Ik ben Dat is, waar Ik binnenkort zal zijn, in mijn heerlijkheid in den hemel die
bij Mij die Gij Mij gegeven hebt |
24 Vader, u hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die u mij gegeven hebt omdat u mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd. |
| 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt. | U niet gekend Namelijk zo het behoort. Want ook zelfs de heidenen hebben enige kennis van God gehad |
25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent u niet, maar ik ken u, en zij weten dat u mij hebt gezonden. |
| 26 En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen. | bekend maken Namelijk nog meer en meer, wanneer Ik over hen den Heiligen Geest zal zenden in
hen zij Ik in hen |
26 Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en dat zal ik blijven doen, zodat de liefde waarmee u mij liefhad in hen zal zijn en ik in hen. |