Een verhaal van Wijndelt van Dam


" Kareltje, noem jij de plaatsen aan de spoorlijn van Groningen naar Nieuweschans eens op," zei de meester.
Kareltje dacht diep na, diepe denkrimpels verschenen op zijn voorhoofd. Maar uit zijn mond rolde geen reeks plaatsnamen. Verder dan 'Groningen' kwam hij niet.
"Foei," zei de meester, "driewerf foei!"
Kareltje kroop in elkaar en bloosde tot in zijn nek.
"Elsje, noem jij die plaatsen dan maar eens op," zei de meester in het volste vertrouwen, dat zijn eigen dochter het toch zeker wel zou weten.
Maar ook Elsje wist er niet veel van, toch ze begon dapper: "Groningen, Hoogezand...." Maar toen is Elsje gestopt, want er werd op de deur geklopt. De meester liep naar de deur, opende die en was benieuwd, wie daar zou staan.
Er stond een jongen. Een vrij lange, dunne jongen met een erg vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. De meester had nog nooit zoiets gezien. En de meester had toch al heel wat gezien in zijn leven.
En de jongen had groen haar...!
"Dag jongen," zei de meester.
"Dag meester," zei de jongen.
"Wat kom je doen jongen?"
"Ik ben een nieuwe leerling meester," zei de bruingroene jongen met het groene haar.
"Kom dan maar binnen jongen," zei de meester.
De jongen kwam binnen en keek de klas rond met lichtelijk verbaasde blik, want hij zag allemaal kinderen met open monden. Die waren allemaal van verbazing opengevallen, want ook de kinderen hadden nog nooit zo'n vreemd kind gezien.
"Heb je ook een naam jongen?" vroeg de meester.
"Ja meester," zei de jongen, "ik heet Mistry Nevelig."
"Nou," zei de meester, "dat is ook geen alledaagse naam."
"Nee," zei de jongen, "maar ik ben ook geen alledaagse jongen, daar zult u nog wel achter komen."
"Goed," zei de meester, "nou ik ben meester van Puffelen. Eens even kijken, waar een plaatsje voor je vrij is. Ja, ik zie het al, ga maar naast Kareltje Boekschoten zitten."
"Goed meester," zei Mistry.
"Vertel eens Mistry," zei de meester, "is je vader niet meegekomen of je moeder om je aan te geven als leerling?"
"Nee meester," zei Mistry, "mijn ouders staan in het woud en kunnen daar niet weg. Mijn vader is Eik Nevelig en mijn moeder heet Nootje Beuk."
Het was wel een komisch gezicht om Kareltje met zijn bolle toet vol sproeten en Mistry met zijn bruingroene gezicht en groene haardos zo naast elkaar te zien zitten. Meester van Puffelen kwam er al gauw achter, dat Kareltje en Mistry in elk geval één ding gemeen hadden, want Mistry wist haast nog minder van aardrijkskunde dan Kareltje. Maar later bleek, dat hij wel veel van de natuur wist. Hij wist de namen van alle bomen in het bos en ook wist hij heel veel bijzonderheden van al die bomen te vertellen. Daar kon zelfs meester van Puffelen nog wat van leren.

Thea Snuitman kwam opgewonden thuis na schooltijd!
"Moesje, moet je horen," riep ze al bij de voordeur. "We hebben nou toch een vreemde snuiter op school gekregen, hij is bruin, maar ook groen. Er net een beetje tussenin. En hij heeft groen haar."
"Thea, Thea," zuchtte moeder Snuitman, "wat heb je toch een rijke fantasie."
"Nee moesje, het is echt waar," riep Thea. "En hij is heel erg mager, net een bonenstaak. Of nee, eigenlijk net een boomstammetje. Hi hi hi."
Ze moest zelf giechelen om haar vondst.
"Trek nu eerst maar eens je jas uit en ga je handen wassen," zei moeder Snuitman, "dan zet ik intussen een lekker kopje thee voor ons tweetjes." Voor ons tweetjes?" vroeg Thea, "is Joke er dan niet?"
"Nee suffie, het is toch donderdag, dan heeft Joke toch haar vrije dag!?"
"O ja, even niet aan gedacht," zei Thea.
Even later zat Thea gezellig met haar moeder aan de keukentafel te genieten van een lekker kopje thee met een koekje, een Scholiertje waar ze zo dol op is.
"En vertel me nu maar eens rustig over die nieuwe jongen op school," zei moeder Snuitman.
"Nou," zei Thea, "de school was vanmiddag nog maar net begonnen. Wij hadden aardrijkskunde van meester van Puffelen. Kareltje Boekschoten moest de plaatsen langs de spoorlijn van Groningen naar Nieuweschans opnoemen, maar die sufferd wist er weer niets van. Hoe die ooit over moet gaan... En toen moest Elsje van Puffelen die plaatsen opnoemen."
"Is dat niet de dochter van de meester?" vroeg moeder Snuitman.
"Ja, Elsje is de middelste dochter van de meester," antwoordde Thea. "Maar net toen Elsje was begonnen, werd er op de deur geklopt. Dat klonk heel raar eigenlijk, net of er met een stuk hout op de deur werd geklopt. De meester deed de deur open en toen stond die vreemde jongen daar. Echt moesje, het was een heel rare jongen.
De meester stond trouwens ook raar te kijken."
"Hoe zag hij er dan precies uit," vroeg moeder Snuitman.
"Nou," zei Thea, "het was een vrij lange, dunne jongen met een heel vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. En de jongen had groen haar...!
O ja, en toen de meester hem vroeg, waarom zijn vader of moeder niet mee was gekomen om hem als nieuwe leerling aan te melden, zei hij, dat zijn ouders in het bos stonden en daar niet weg konden. Vind je dat nou niet vreemd moesje?"
Moesje vond het inderdaad vreemd. Ze wist eigenlijk niet goed wat ze ervan moest denken. Zou haar dochter haar toch niet wat op de mouw spelden?
Ze liet het verder rusten, maar was vast van plan het eens met Thea's vader te bespreken.

"Ha ha ha!!! Haaaa ha ha ha ha!!!" Slager Boekschoten lachte zich een bult, toen zijn zoon Kareltje met zijn verhaal over de nieuwe jongen thuis kwam.
"Hooo ho ho, hiii hi hi, en hij heeft groen haar? Haaaa ha ha ha ha! En zijn huid is iets tussen groen en bruin? Kareltje, Kareltje, hoe verzin je het!"
"Maar ik verzin het helemaal niet," riep Kareltje, vertwijfeld over zoveel ongeloof. "Het is echt waar! En die jongen zit nu naast mij in de bank. En hij heet Mistry Nevelig. Zijn vader heet Eik Nevelig en zijn moeder heet Nootje Beuk. O ja, en zijn vader en moeder staan in het bos en kunnen daar niet weg zei hij."
"Hou op jongen," zei slager Boekschoten, "doe nou maar weer gewoon, vertel maar eens hoe het was op school, heb je goed je best gedaan?"
"Ja hoor," zei Kareltje, "ik kreeg bij aardrijkskunde een beurt en ik wist alles heel goed."
"Mooi zo," zei vader Boekschoten, "ga zo door." En nog nagrinnikend over de onzin, die zijn zoon had uitgekraamd pakte hij een half varken uit de koelcel.
"O ja," riep hij naar zijn zoon, "je moeder vroeg of ik tegen je wou zeggen, dat je even naar bakker Koekepeer moest gaan om anderhalf grof volkoren en een half boerenwit te halen. Laat ze het maar even opschrijven, dan rekent moeder het zaterdag wel af. Door dat gekke verhaal van jou, zou ik het bijna zijn vergeten."

De volgende morgen ging Kareltje wat vroeger van huis dan anders. Hij wilde wat eerder bij school zijn, maar dat viel tegen, want het waaide erg hard, zodat hij de grootste moeite had om tegen de wind in te fietsen. Hij moest zelfs nog twee keer afstappen.
Toen hij bij de school aankwam, zag hij al heel wat kinderen op het schoolplein bijeen staan. Ze verdrongen zich om Mistry.
"Mistry, heb je je haren zo geverfd?"
"Nee hoor, mijn haar is echt groen."
"En hoe kom je aan die vreemde huidskleur?"
"Daar ben ik mee ontsproten."
De kinderen proestten het uit van het lachen.
"Wat zeg je dat plechtig Mistry, ontsproten."
"Hoe moet ik het anders zeggen," vroeg Mistry verbaasd.
"Nou gewoon, zo ben ik geboren."
"Geboren? Noemen jullie dat geboren?"
"Ja natuurlijk Mistry, wie zegt nou dat hij is ontsproten. Dat zeg je van planten en struiken en bomen."
"Juist ja," zei Mistry met een raadselachtige glimlach om zijn mond.
De schoolbel ging en de kinderen gingen naar binnen.
Toen Mistry naast Kareltje in de bank schoof vroeg hij: "Zeg Kareltje hoeveel ringen heb jij?"
"Ringen? Ik heb helemaal geen ringen," zei Kareltje, "hoe bedoel je dat?"
"Nou, gewoon," zei Mistry, "hoe oud je bent."
"O bedoel je dat," zei Kareltje, "zeg dat dan. Ik ben elf jaar, en jij?"
"Ik heb dri... ehh... ik ben drie jaar," antwoordde Mistry.
"Maak dat de kat wijs," zei Kareltje.
"Welke kat," vroeg Mistry verschrikt, "er is hier toch zeker geen kat?"
"Nee natuurlijk niet," zei Kareltje, "ben je soms bang voor katten?"
"Ik moet niets van katten hebben," antwoordde Mistry, "die gebruiken mij altijd als krabpaal."
Kareltje ging Mistry steeds vreemder vinden...

Het eerste lesuur was een heel bijzonder lesuur. Er kwam iemand van de vogelbescherming om de kinderen iets bij te brengen over de vogels, die er in hun omgeving en dan vooral in het nabij gelegen bos voorkwamen. Hij had ook twee opgezette vogels bij zich, een bosuil en een specht. Met die vogels, die op een plankje waren vastgezet liep hij de klas door, zodat de kinderen ze eens goed konden bekijken. Dat was natuurlijk leuk, want in het echt zag je ze niet van zo dichtbij.
Een uil kreeg je trouwens zo wie zo al haast nooit te zien, want de uil is een nachtdier.
Sommige kinderen mochten de vogels ook even zachtjes over de rug aaien, wat een enkeling wel wat eng vond.
Thea Snuitman niet, die was nergens bang voor. Ze gaf de uil zelfs een kusje op zijn snavel. Maar Elsje van Puffelen vond het doodeng.
"Wat nou Elsje, ben je bang voor een opgezette vogel?" vroeg meester van Puffelen.
Toen kwam de man met de vogels bij de bank van Kareltje en Mistry.
"Weg met die beesten," riep Mistry. "Weg! Weg ermee!"
"Waarom heb je zo'n hekel aan die vogels?" vroeg de 'vogelman' verbaasd.
"Da's nogal wiedes," zei Mistry, "die rotuilen houden je uit de slaap en spechten zijn nog erger, die pikken gaten in je bast."
Verbazing alom...
"Het lijkt wel of je een boom bent," lachte meester van Puffelen.
Mistry zei niets meer, maar om zijn mond speelde weer dat raadselachtige glimlachje.
"Trouwens," ging meester van Puffelen verder, "bomen hebben geen gevoel, ze zullen dus ook geen last hebben van zo'n specht."
"Hoe weet u nou of een boom gevoel heeft of niet," zei Mistry, "is er ooit een boom geweest, die u dat verteld heeft?"
"Nee natuurlijk niet," antwoordde meester van Puffelen, "bomen kunnen nu eenmaal niet praten."
Weer glimlachte Mistry en hij deed er het zwijgen toe...

"Moesje, moesje, moet je horen," riep Thea Snuitman toen ze de deur open deed. Vlug liep ze door naar de kamer, maar daar was haar moeder niet. Dat was vreemd, want daar was haar moeder anders altijd als ze thuis kwam uit school.
Snel liep ze naar de keuken. Moesje was vast al bezig thee te zetten. Maar ook in de keuken was niemand.
"Moesje, moesje!" riep Thea weer. Maar er kwam geen antwoord.
Thea snapte er niets van. Zou ze boven zijn?
Ze liep naar de trap en halverwege de trap hoorde ze boven gedempte stemmen.
Thea werd nu toch wel erg nieuwsgierig en met twee treden tegelijk snelde ze naar boven. De stemmen kwamen uit de slaapkamer van haar ouders. Wat werd daar zachtjes gepraat, het klonk bijna plechtig. Voorzichtig opende ze de deur van de slaapkamer en stak haar hoofd naar binnen. Tot haar verbazing zag ze daar haar moeder staan, in gesprek met de dokter.
Thea keek naar het bed en ze schrok zich een hoedje!
Op het bed lag papsie met om zijn hoofd een heleboel wit verband. En op het achterhoofd van
papsie was het verband helemaal rood gekleurd. Mama Snuitman zag haar dochter staan en liep vlug naar haar toe. "Papsie heeft een ongeluk gehad," zei ze. "Hij was in het bos aan het werk en door die harde wind waaide er een grote tak van een beukenboom. Die tak kreeg papsie op zijn hoofd. Hij heeft nu een zware hersenschudding."
"Maar papsie draagt in het bos toch altijd een helm," zei Thea.
"Ja, die droeg hij nu ook. Hoe het precies gegaan is weet ik niet," zei moesje, "maar een zijtak van die grote tak moet op de een of andere manier de helm van papsie's hoofd hebben gerukt, waarna die dikke tak papsie heeft geraakt."
"Arme papsie, "zei Thea, "wat zal hij een pijn hebben."
"Op het ogenblik niet," zei moesje. "De dokter heeft hem een pijnstillende injectie gegeven."
"Waarom zijn de gordijnen zo potdicht?" vroeg Thea.
"Dat moet Thea," zei de dokter. "Mensen met een zware hersenschudding kunnen geen licht verdragen."
"Arme, arme papsie," zei Thea weer en zachtjes huilend verliet ze de slaapkamer en ging naar beneden.
Even later kwamen haar moeder en de dokter ook naar beneden.
"Je mag vanmiddag wel thuis blijven van school Thea," zei haar moeder, "je kunt nu toch je aandacht niet bij de les hebben. Ik zal meteen meester van Puffelen even bellen."

Die middag ontbrak ook Mistry in de klas. Niemand wist, waarom hij er niet was. Er was ook niemand, die wist waar hij woonde.
De volgende morgen vroeg meester van Puffelen aan Mistry, waarom hij die middag niet was komen opdagen.
"Ik kon niet weg meester," zei Mistry, "want mijn moeder heeft een ongeluk gehad. Die harde wind van gisteren heeft een van haar ta... van haar armen afgerukt."
"Nee toch!" riep de meester verschrikt. "Wat erg! Wat zal ze een pijn hebben. Ligt ze in het ziekenhuis? Waar is het gebeurd?"
"Nee, ze ligt niet in het ziekenhuis," antwoordde Mistry. "Het gebeurde in het bos."
"Wat erg voor je," zei Kareltje. "Nu heeft je moeder maar één arm meer."
Mistry antwoordde niet. Maar weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond.

Het werd vrijdag en bij het verlaten van de school vroeg Kareltje aan Mistry: "Kom je morgenmiddag bij mij spelen?"
"Dat is goed," zei Mistry, "tenminste als mijn ouders het goed vinden. Ik ben dan om twee uur bij je."
"Afgesproken!" zei Kareltje.
Thuisgekomen, kon Kareltje direct aan de slag, hij moest zijn vader helpen. Vrijdags was het altijd druk in de winkel. Haast nog drukker dan op zaterdag, want het was zomer en veel mensen gingen gedurende het weekend naar de camping.
En dus moesten ze hun boodschappen al op vrijdag halen.
De moeder van Kareltje was ook druk bezig in de winkel, maar ze zag toch nog kans vlug een kopje thee met een koekje voor Kareltje te halen. "Hoe is het met die nieuwe met dat groene haar?" vroeg ze aan Kareltje. "Met Mistry is het wel goed," zei Kareltje, "maar met zijn moeder niet, ze heeft een ongeluk gehad in die storm van gisteren. Een van haar armen is van haar lichaam gerukt."
"Nee toch!?" schrok moeder Boekschoten, "wat erg, ze ligt zeker in het ziekenhuis?"
"Nee," antwoordde Kareltje, "dat vonden we allemaal erg vreemd, maar ze is niet in het ziekenhuis. Trouwens, ik heb met Mistry afgesproken, dat hij morgen bij mij komt spelen. Als hij toestemming van zijn ouders krijgt, dan komt hij."
"Dat is heel mooi," zei zijn moeder, "want ik ben toch wel erg benieuwd geworden naar die jongen."

De volgende middag om tien over twee kwam Mistry bij Kareltje.
"Dag Kareltje, daar ben ik dan," zei Mistry.
"Dag Mistry," zei Kareltje, "kom binnen en doe alsof je thuis bent!"
"Dat zal moeilijk gaan," mompelde Mistry en weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond.
De jongens gingen eerst naar de huiskamer, waar Kareltje Mistry aan zijn moeder voorstelde.
"Dag mevrouw," zei Mistry, "ik ben Mistry Nevelig."
"Dag Mistry," zei de moeder van Kareltje, "ik ben de moeder van Kareltje, fijn dat je bij Kareltje komt spelen."
De jongens gingen naar buiten, waar Kareltje zijn lievelingen liet zien, twee alleraardigste konijntjes.
Maar het was al gauw duidelijk, dat Mistry's belangstelling voor dieren uiterst miniem was.
"Zullen we een potje gaan knikkeren?" vroeg Kareltje.
"Knikkeren? Wat is dat?"
"Gunst, kun jij niet eens knikkeren?"
Kareltje snapte er niets van. Welke jongen kon nou niet knikkeren...
"Kom," zei Kareltje, "ik leer het je wel even."
En het duurde niet lang of Mistry was het knikkerspel machtig.
Maar toen riep moeder Boekschoten de jongens binnen, want ze had thee voor hen. dat lieten ze zich goed smaken. Ze kregen er een lekkere plak koek bij, maar daarvoor bedankte Mistry beleefd.
"Wat nou jongen, lust jij geen koek?" vroeg de slagersvrouw.
"Nee mevrouw, het spijt me," zei Mistry.
Na de thee gingen de jongens het bos in, waar Kareltje zich verwonderde over de grote kennis, die Mistry betreffende de bomen in het bos had. Van alle bomen wist hij de naam.
Ze kwamen langs een machtige eik, die naast een sierlijke beuk stond, waarvan jammer genoeg een tak was afgebroken, Die lag nog onder de boom op de grond.
Maar Kareltje vond het wel wat raar, dat Mistry zijn hand even tegen die eik en die beuk legde en zachtjes "hallo" zei.
En zag Kareltje dat goed? Dat kon toch niet waar zijn... Neeee... hij had het vast niet goed gezien...
Maar toch... het leek warempel wel of die eik even met een tak naar hen wuifde...
Ach nee... het was natuurlijk door de wind geweest.
En om de lippen van Mistry speelde weer dat raadselachtige glimlachje...

Nog één week moesten ze naar school, dan kregen ze vakantie.
"Vakantie?" vroeg Mistry, "wat is dat?"
Stomverbaasd keek Kareltje hem aan.
"Doe niet zo belachelijk, wie weet nou niet wat vakantie is!"
"Nee," zei Mistry, "dat weet ik echt niet."
"Hadden jullie op je vorige school dan nooit vakantie?"
"Ik ben nooit eerder naar school geweest," antwoordde Mistry. "Alles wat ik weet hebben mijn ouders mij geleerd."
Kareltje ging steeds minder van Mistry begrijpen. Maar aan de andere kant vond hij het ook wel spannend.
"Vakantie," zei Kareltje, "is het mooiste van de school, want dan ben je een aantal weken vrij en hoef je dus niet naar school."
"Wat raar," zei Mistry, "dan leer je toch ook niets?"
"Dat hoeft ook niet," zei Kareltje, "want het hele lesschema is daarop ingesteld."
"Dat kan wel zijn," zei Mistry, "maar toch vind ik het stom. Wat moet je dan al die weken doen?"
"Nou, wij gaan drie weken naar Ameland," zei Kareltje, "tenminste mijn moeder en ik, want mijn vader kan maar twee weken op Ameland zijn, langer is de slagerij niet gesloten."
"Dus als je vader bij jullie op Ameland is, kunnen de mensen twee weken geen vlees eten?" vroeg Mistry.
"Natuurlijk wel gekkie," zei Kareltje, "er is toch ook nog slagerij Oosterhof in de Westerstraat en dan heb je nog een slager aan de Ossenlaan. Dat zijn dus drie slagers in totaal en die hebben om de beurt vakantie."
"O," zei Mistry en dacht er het zijne van.
"Zeg Mistry," zei Kareltje, "die derde week op Ameland, als mijn vader weer naar huis is, kun jij misschien wel bij ons komen. Zal ik dat eens aan mijn moeder vragen?"
"Dat kan niet." zei Mistry, "ik kan geen week zonder eten."
"Wat denk je nou suffie, dat wij je een week lang op een houtje zouden laten bijten? Je eet natuurlijk gewoon met ons mee."
"Dat kan ik niet, ik moet perse thuis eten," zei Mistry.
"Waarom dat dan in vredesnaam!?" vroeg Kareltje.
"Dat leg ik je later misschien nog wel eens uit", zei Mistry met weer om zijn mond dat raadselachtige glimlachje.
"Ik snap er niks van," zei Kareltje. "Laatst bij ons thuis wilde je ook al geen koek bij de thee. En ik zie je ook nooit snoepen."
"Dat klopt, ik kan nu eenmaal geen vast voedsel tot mij nemen.
Alleen water of thee of een andere drank kan ik wel tot mij nemen, maar geen vast voedsel."
"Maar waarom dan niet," vroeg Kareltje, "kun je mij dan niet vertellen, waarom dat zo is? Ik vind alles zo raadselachtig. En we zijn nu toch vriendjes, dan kun je me dat toch wel vertellen?"
Mistry dacht een poosje diep na, maar na een poosje schudde hij zijn hoofd. "Ik kan je nu nog niets vertellen," zei hij, "dat kan ik niet zonder toestemming van mijn ouders doen. Ik zal hen straks vragen of ik je iets mag vertellen, dat hoor je vanmiddag dan wel."
"Jongens en meisjes!" riep meester van Puffelen, "allemaal even goed luisteren. Aanstaande vrijdag is de laatste schooldag voor de vakantie. En van die vrijdagmiddag maken we een heel bijzondere middag. Er is dan geen gewone les, maar we maken er een verhalenmiddag van. Ieder van jullie, die een mooi verhaal weet, mag dat vertellen of voorlezen. Als er niet genoeg verhalen van jullie komen om de middag te vullen, dan heb ik nog wel een paar spannende verhalen, maar ik zou het mooier vinden, als alle verhalen van jullie kwamen. Zoek thuis maar eens goed of vraag je ouders of ze een mooi verhaal voor je hebben. En nu is het twaalf uur, ga nu dus maar gauw naar huis om te eten."
De kinderen renden naar buiten en gingen naar huis.
"Niet vergeten aan je ouders te vragen hoor!" riep Kareltje tegen Mistry.
"Wat moet hij vragen?" vroeg Elsje van Puffelen.
"Dat gaat je niets aan," zei Kareltje.
"Flauwerd," riep Elsje en stak haar tong tegen hem uit.
Toen Kareltje na de middag bij school aankwam, zag hij Mistry ook net aan komen lopen.
Vlug liep hij naar hem toe en vol spanning vroeg hij: "En... wat zeiden je ouders?"
"Ik mag alle geheimen onthullen en alle vragen beantwoorden," zei Mistry. "Maar dat doe ik nu nog niet."
"Doe niet zo flauw," zei Kareltje, "vertel op!"
"Nee Kareltje, nu nog niet," zei Mistry, "je moet nog even geduld hebben tot vrijdag. Meester van Puffelen vroeg toch om spannende verhalen om op vrijdagmiddag te vertellen. Nou, dit lijkt mij nu net geschikt daarvoor. Je zult dus nog even tot vrijdag geduld moeten hebben."
Diep zuchtend zei Kareltje: "Nou vooruit, dat moet dan maar. Maar je maakt me wel erg nieuwsgierig."

Die week kon Kareltje niet vlug genoeg gaan, maar eindelijk werd het dan vrijdagmiddag.
De kinderen waren allemaal in een uitgelaten stemming, want ze kregen vakantie en eerst nog een mooie middag. Ze hoopten op mooie en vooral spannende verhalen.
Kees van de molenaar mocht beginnen. Hij had een leuk verhaal over hun molen, die van nieuwe wieken was voorzien. Uitvoerig vertelde hij hoe dat in zijn werk ging. Hij had er ook foto's van bij zich, want geen van de kinderen had dat spektakel gezien. Ze mochten toen niet in de buurt komen. Maar door die foto's konden ze zich er een beeld van vormen.
Na Kees was Elsje van Puffelen aan de beurt. Zij las een verhaaltje voor uit een boekje, maar het kon de andere kinderen niet zo erg interesseren.
Thea Snuitman was vorig jaar naar haar oudere broer in Nieuw Zeeland geweest en daar had ze een soort opstel over gemaakt en dat vonden ze allemaal erg boeiend. Veel kinderen waren ook wel een beetje jaloers op Thea, die zover weg was geweest.
Natuurlijk had meester van Puffelen ook een mooi verhaal te vertellen. Het ging over een eenzame kluizenaar, die in een soort onderaardse hut woonde, waar hij alleen gezelschap had van een oude hond en een paar zwerfkatten. Hij was door zijn familie verstoten. Hij moest zich helemaal alleen zien te redden, 's winters vaak in kommervolle omstandigheden. Het was een beetje een ontroerend verhaal.
De meester kon erg mooi vertellen, hij wist de kinderen heel goed te boeien.
Als laatste die middag kwam Mistry aan de beurt.
Kareltje veerde op en ging er eens goed voor zitten.
Mistry vertelde: "Lang, heel lang geleden heeft mijn vader de woede opgewekt van een tovenaar. Er waren in hun dorp twee tovenaars. De één was een en al goedheid, maar de ander was een vreselijke nurk. Niemand kon goed doen in zijn ogen. Maar gelukkig had de goede tovenaar meer macht, dan de slechte, zodat hij veel onheil dat de slechte tovenaar aanrichtte kon herstellen.
Waarom die boze tovenaar opeens zo kwaad werd op mijn vader, is mij niet helemaal duidelijk. Feit is, dat de tovenaar in grote woede ontstak en mijn vader in een eikenboom en mijn moeder in een beukenboom veranderde.
Nu zou de goede tovenaar dat weer ongedaan kunnen maken, maar dat moest dan wel voor zonsondergang gebeuren. En het toeval wilde, dat de goede tovenaar juist die dag naar een dorp verderop was geroepen om een boze geest te verdrijven.
De broer van mijn vader, mijn oom dus, is meteen naar dat dorp gegaan om de goede tovenaar te halen, maar het was al laat in de middag en ze kwamen niet voor donker in ons dorp aan, zodat de goede tovenaar niets meer kon uitrichten.
Dit alles gebeurde meer dan driehonderd jaar geleden.
De vloek van de tovenaar gold alleen voor mijn ouders.
Toen ik drie jaar geleden ontsproot groeide ik voorspoedig op tot een jong boompje. Ik sta dan ook nog steeds als een jonge boom in het bos, dichtbij mijn ouders.
Ongeveer een half jaar geleden ontdekte ik bij toeval, dat ik in staat was uit mijn boomgestalte te treden en in menselijke gedaante weg te lopen. Het vreemde is, dat ik als boom wel met mijn ouders kan praten, maar als jongen niet. Ik versta hen wel, maar zij verstaan mij niet. Met uitzondering dan van de paar woorden, die ze van mij hebben geleerd, zoals 'tot ziens', 'hallo', 'welterusten'.
Nu begrijpt u ook meester van Puffelen, waarom mijn ouders niet naar school konden komen om mij aan te melden als leerling."
"Ja, dat is me nu wel duidelijk," zei meester van Puffelen. "Maar vertel eens Mistry, wie heeft jou dan leren praten?"
"Dat kon ik vanzelf," antwoordde Mistry. "Maar ik sprak, zoals men ruim driehonderd jaar geleden sprak. Ik heb me toen dadelijk onder de mensen begeven. Ik zocht steeds plaatsen, waar veel mensen samenkomen en ik luisterde scherp naar hun gesprekken. Ik leer vlot en dus duurde het niet lang of ik sprak zoals ik nu doe."
"Nu is me ook duidelijk, waarom je niets van aardrijkskunde afwist," zei meester van Puffelen. "En je kennis omtrent de bomen in het bos spreekt nu eigenlijk ook wel vanzelf. Van wie kwam eigenlijk het idee om naar school te gaan? Want ik neem toch aan, dat scholen voor jou niet bekend waren."
"Nee," zei Mistry, "ik had natuurlijk nog nooit van scholen gehoord, maar mijn ouders wel en mijn vader raadde mij aan om naar school te gaan.
Maar de scholen zijn nu wel heel anders dan driehonderd jaar geleden. Dat zei mijn vader, want hij vroeg me natuurlijk honderduit over de school. Mijn vader was vroeger in hun dorp trouwens een van de weinigen, die onderwijs genoten had en kon lezen en schrijven."
Opeens sprong Kareltje op van zijn stoel en riep opgewonden: "Hé Ho! Wacht es even! Mistry! Nu snap ik het! Dan is het dus toch waar! Het is dus toch geen verbeelding van me geweest!!!"
"Rustig, rustig Kareltje," maande meester van Puffelen, "vertel nu eens kalm wat je bedoelt." "Nou meester, laatst was Mistry op een zaterdagmiddag bij mij te spelen en toen gingen we ook in het bos wandelen. Mistry verbaasde mij toen ook weer met zijn grote kennis wat bomen betreft.
We kwamen toen langs een eik en een beuk en wat ik toen erg vreemd vond, was dat Mistry even zijn hand tegen de stam van die twee bomen legde en zachtjes 'hallo' zei.
En ik meende toen te zien, dat die eik even met een tak als het ware naar ons wuifde. Maar ik schudde die gedachte ook meteen weer van mij af, want hoe kon een boom nu naar mensen wuiven? Ik dacht dat het van de wind zou zijn.
Maar nu begrijp ik, dat het de vader van Mistry geweest moet zijn en dat hij inderdaad naar ons wuifde. Zo is het toch Mistry?"
Mistry knikte bevestigend.
"O en nu begrijp ik ook dat raadselachtige glimlachje, dat om de haverklap om je mond speelde," zei Kareltje.
"Maar Mistry," riep opeens Thea Snuitman, "hoe komt het dat je zo'n vreemde huidskleur hebt? En groen haar?"
"Nou," zei Mistry, "dat is een klein mankementje, kun je wel zeggen. Ik verander in een mens als ik uittreedt, maar mijn huid houdt min of meer de kleur van mijn bast als boompje en mijn haar heeft de kleur van de bladeren, die ik als boompje heb.
Jullie zullen trouwens nog wel vreemd opkijken, want straks in de herfst wordt mijn haar geelbruin en in de winter loop ik met een kaal hoofd. Maar wees gerust, volgend voorjaar verschijnt er weer een frisse groene haardos."
"Nou, ik vind het maar raar hoor," zei Elsje van Puffelen. "Ik vind je eigenlijk een beetje een griezel."
"Foei Elsje," zei meester van Puffelen, "dat mag je niet zeggen. Mistry is helemaal geen griezel, hij is gewoon een beetje anders dan jullie, maar dat maakt hem niet griezelig."
Thea, die naast Elsje zat, beet haar zachtjes toe: "Jij bent zelf een veel grotere griezel met je rare puntige wipneus."
Het is maar goed, dat blikken niet kunnen doden, want anders zou Thea nu niet meer leven.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

 

TERUG