Een verhaal van Wijndelt van Dam
" Kareltje, noem jij de plaatsen aan de spoorlijn van
Groningen naar Nieuweschans eens op," zei de meester.
Kareltje dacht diep na, diepe denkrimpels verschenen op zijn
voorhoofd. Maar uit zijn mond rolde geen reeks plaatsnamen.
Verder dan 'Groningen' kwam hij niet.
"Foei," zei de meester, "driewerf foei!"
Kareltje kroop in elkaar en bloosde tot in zijn nek.
"Elsje, noem jij die plaatsen dan maar eens op," zei de
meester in het volste vertrouwen, dat zijn eigen dochter het toch
zeker wel zou weten.
Maar ook Elsje wist er niet veel van, toch ze begon dapper:
"Groningen, Hoogezand...." Maar toen is Elsje gestopt,
want er werd op de deur geklopt. De meester liep naar de deur,
opende die en was benieuwd, wie daar zou staan.
Er stond een jongen. Een vrij lange, dunne jongen met een erg
vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn
huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. De
meester had nog nooit zoiets gezien. En de meester had toch al
heel wat gezien in zijn leven.
En de jongen had groen haar...!
"Dag jongen," zei de meester.
"Dag meester," zei de jongen.
"Wat kom je doen jongen?"
"Ik ben een nieuwe leerling meester," zei de
bruingroene jongen met het groene haar.
"Kom dan maar binnen jongen," zei de meester.
De jongen kwam binnen en keek de klas rond met lichtelijk
verbaasde blik, want hij zag allemaal kinderen met open monden.
Die waren allemaal van verbazing opengevallen, want ook de
kinderen hadden nog nooit zo'n vreemd kind gezien.
"Heb je ook een naam jongen?" vroeg de meester.
"Ja meester," zei de jongen, "ik heet Mistry
Nevelig."
"Nou," zei de meester, "dat is ook geen alledaagse
naam."
"Nee," zei de jongen, "maar ik ben ook geen
alledaagse jongen, daar zult u nog wel achter komen."
"Goed," zei de meester, "nou ik ben meester van
Puffelen. Eens even kijken, waar een plaatsje voor je vrij is. Ja,
ik zie het al, ga maar naast Kareltje Boekschoten zitten."
"Goed meester," zei Mistry.
"Vertel eens Mistry," zei de meester, "is je vader
niet meegekomen of je moeder om je aan te geven als leerling?"
"Nee meester," zei Mistry, "mijn ouders staan in
het woud en kunnen daar niet weg. Mijn vader is Eik Nevelig en
mijn moeder heet Nootje Beuk."
Het was wel een komisch gezicht om Kareltje met zijn bolle toet
vol sproeten en Mistry met zijn bruingroene gezicht en groene
haardos zo naast elkaar te zien zitten. Meester van Puffelen kwam
er al gauw achter, dat Kareltje en Mistry in elk geval één ding
gemeen hadden, want Mistry wist haast nog minder van
aardrijkskunde dan Kareltje. Maar later bleek, dat hij wel veel
van de natuur wist. Hij wist de namen van alle bomen in het bos
en ook wist hij heel veel bijzonderheden van al die bomen te
vertellen. Daar kon zelfs meester van Puffelen nog wat van leren.
Thea
Snuitman kwam opgewonden thuis na schooltijd!
"Moesje, moet je horen," riep ze al bij de voordeur.
"We hebben nou toch een vreemde snuiter op school gekregen,
hij is bruin, maar ook groen. Er net een beetje tussenin. En hij
heeft groen haar."
"Thea, Thea,"
zuchtte moeder Snuitman, "wat heb je toch een rijke fantasie."
"Nee moesje, het is echt waar," riep Thea. "En hij
is heel erg mager, net een bonenstaak. Of nee, eigenlijk net een
boomstammetje. Hi hi hi."
Ze moest zelf giechelen om haar vondst.
"Trek nu eerst maar eens je jas uit en ga je handen wassen,"
zei moeder Snuitman, "dan zet ik intussen een lekker kopje
thee voor ons tweetjes." Voor ons tweetjes?" vroeg Thea,
"is Joke er dan niet?"
"Nee suffie, het is toch donderdag, dan heeft Joke toch haar
vrije dag!?"
"O ja, even niet aan gedacht," zei Thea.
Even later zat Thea gezellig met haar moeder aan de keukentafel
te genieten van een lekker kopje thee met een koekje, een
Scholiertje waar ze zo dol op is.
"En vertel me nu maar eens rustig over die nieuwe jongen op
school," zei moeder Snuitman.
"Nou," zei Thea, "de school was vanmiddag nog maar
net begonnen. Wij hadden aardrijkskunde van meester van Puffelen.
Kareltje Boekschoten moest de plaatsen langs de spoorlijn van
Groningen naar Nieuweschans opnoemen, maar die sufferd wist er
weer niets van. Hoe die ooit over moet gaan... En toen moest
Elsje van Puffelen die plaatsen opnoemen."
"Is dat niet de dochter van de meester?" vroeg moeder
Snuitman.
"Ja, Elsje is de middelste dochter van de meester,"
antwoordde Thea. "Maar net toen Elsje was begonnen, werd er
op de deur geklopt. Dat klonk heel raar eigenlijk, net of er met
een stuk hout op de deur werd geklopt. De meester deed de deur
open en toen stond die vreemde jongen daar. Echt moesje, het was
een heel rare jongen.
De meester stond trouwens ook raar te kijken."
"Hoe zag hij er dan precies uit," vroeg moeder Snuitman.
"Nou," zei Thea, "het was een vrij lange, dunne
jongen met een heel vreemde huidskleur. Het was niet echt
duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin
noemen of bruinig groen. En de jongen had groen haar...!
O ja, en toen de meester hem vroeg, waarom zijn vader of moeder
niet mee was gekomen om hem als nieuwe leerling aan te melden,
zei hij, dat zijn ouders in het bos stonden en daar niet weg
konden. Vind je dat nou niet vreemd moesje?"
Moesje vond het inderdaad vreemd. Ze wist eigenlijk niet goed wat
ze ervan moest denken. Zou haar dochter haar toch niet wat op de
mouw spelden?
Ze liet het verder rusten, maar was vast van plan het eens met
Thea's vader te bespreken.
"Ha
ha ha!!! Haaaa ha ha ha ha!!!" Slager Boekschoten lachte
zich een bult, toen zijn zoon Kareltje met zijn verhaal over de
nieuwe jongen thuis kwam.
"Hooo ho ho,
hiii hi hi, en hij heeft groen haar? Haaaa ha ha ha ha! En zijn
huid is iets tussen groen en bruin? Kareltje, Kareltje, hoe
verzin je het!"
"Maar ik verzin het helemaal niet," riep Kareltje,
vertwijfeld over zoveel ongeloof. "Het is echt waar! En die
jongen zit nu naast mij in de bank. En hij heet Mistry Nevelig.
Zijn vader heet Eik Nevelig en zijn moeder heet Nootje Beuk. O ja,
en zijn vader en moeder staan in het bos en kunnen daar niet weg
zei hij."
"Hou op jongen," zei slager Boekschoten, "doe nou
maar weer gewoon, vertel maar eens hoe het was op school, heb je
goed je best gedaan?"
"Ja hoor," zei Kareltje, "ik kreeg bij
aardrijkskunde een beurt en ik wist alles heel goed."
"Mooi zo," zei vader Boekschoten, "ga zo door."
En nog nagrinnikend over de onzin, die zijn zoon had uitgekraamd
pakte hij een half varken uit de koelcel.
"O ja," riep hij naar zijn zoon, "je moeder vroeg
of ik tegen je wou zeggen, dat je even naar bakker Koekepeer
moest gaan om anderhalf grof volkoren en een half boerenwit te
halen. Laat ze het maar even opschrijven, dan rekent moeder het
zaterdag wel af. Door dat gekke verhaal van jou, zou ik het bijna
zijn vergeten."
De
volgende morgen ging Kareltje wat vroeger van huis dan anders.
Hij wilde wat eerder bij school zijn, maar dat viel tegen, want
het waaide erg hard, zodat hij de grootste moeite had om tegen de
wind in te fietsen. Hij moest zelfs nog twee keer afstappen.
Toen hij bij de school aankwam, zag hij al heel wat kinderen op
het schoolplein bijeen staan. Ze verdrongen zich om Mistry.
"Mistry, heb je je haren zo geverfd?"
"Nee hoor, mijn haar is echt groen."
"En hoe kom je aan die vreemde huidskleur?"
"Daar ben ik mee ontsproten."
De kinderen proestten het uit van het lachen.
"Wat zeg je dat plechtig Mistry, ontsproten."
"Hoe moet ik het anders zeggen," vroeg Mistry verbaasd.
"Nou gewoon, zo ben ik geboren."
"Geboren? Noemen jullie dat geboren?"
"Ja natuurlijk Mistry, wie zegt nou dat hij is ontsproten.
Dat zeg je van planten en struiken en bomen."
"Juist ja," zei Mistry met een raadselachtige glimlach
om zijn mond.
De schoolbel ging en de kinderen gingen naar binnen.
Toen Mistry naast Kareltje in de bank schoof vroeg hij: "Zeg
Kareltje hoeveel ringen heb jij?"
"Ringen? Ik heb helemaal geen ringen," zei Kareltje,
"hoe bedoel je dat?"
"Nou, gewoon," zei Mistry, "hoe oud je bent."
"O bedoel je dat," zei Kareltje, "zeg dat dan. Ik
ben elf jaar, en jij?"
"Ik heb dri... ehh... ik ben drie jaar," antwoordde
Mistry.
"Maak dat de kat wijs," zei Kareltje.
"Welke kat," vroeg Mistry verschrikt, "er is hier
toch zeker geen kat?"
"Nee natuurlijk niet," zei Kareltje, "ben je soms
bang voor katten?"
"Ik moet niets van katten hebben," antwoordde Mistry,
"die gebruiken mij altijd als krabpaal."
Kareltje ging Mistry steeds vreemder vinden...
Het eerste
lesuur was een heel bijzonder lesuur. Er kwam iemand van de
vogelbescherming om de kinderen iets bij te brengen over de
vogels, die er in hun omgeving en dan vooral in het nabij gelegen
bos voorkwamen. Hij had ook twee opgezette vogels bij zich, een
bosuil en een specht. Met die vogels, die op een plankje waren
vastgezet liep hij de klas door, zodat de kinderen ze eens goed
konden bekijken. Dat was natuurlijk leuk, want in het echt zag je
ze niet van zo dichtbij.
Een uil kreeg je trouwens zo wie zo al haast nooit te zien, want
de uil is een nachtdier.
Sommige kinderen mochten de vogels ook even zachtjes over de rug
aaien, wat een enkeling wel wat eng vond.
Thea Snuitman niet, die was nergens bang voor. Ze gaf de uil
zelfs een kusje op zijn snavel. Maar Elsje van Puffelen vond het
doodeng.
"Wat nou Elsje, ben je bang voor een opgezette vogel?"
vroeg meester van Puffelen.
Toen kwam de man met de vogels bij de bank van Kareltje en Mistry.
"Weg met die beesten," riep Mistry. "Weg! Weg
ermee!"
"Waarom heb je zo'n hekel aan die vogels?" vroeg de 'vogelman'
verbaasd.
"Da's nogal wiedes," zei Mistry, "die rotuilen
houden je uit de slaap en spechten zijn nog erger, die pikken
gaten in je bast."
Verbazing alom...
"Het lijkt wel of je een boom bent," lachte meester van
Puffelen.
Mistry zei niets meer, maar om zijn mond speelde weer dat
raadselachtige glimlachje.
"Trouwens," ging meester van Puffelen verder, "bomen
hebben geen gevoel, ze zullen dus ook geen last hebben van zo'n
specht."
"Hoe weet u nou of een boom gevoel heeft of niet," zei
Mistry, "is er ooit een boom geweest, die u dat verteld
heeft?"
"Nee natuurlijk niet," antwoordde meester van Puffelen,
"bomen kunnen nu eenmaal niet praten."
Weer glimlachte Mistry en hij deed er het zwijgen toe...
"Moesje,
moesje, moet je horen," riep Thea Snuitman toen ze de deur
open deed. Vlug liep ze door naar de kamer, maar daar was haar
moeder niet. Dat was vreemd, want daar was haar moeder anders
altijd als ze thuis kwam uit school.
Snel liep ze naar de keuken. Moesje was vast al bezig thee te
zetten. Maar ook in de keuken was niemand.
"Moesje, moesje!" riep Thea weer. Maar er kwam geen
antwoord.
Thea snapte er niets van. Zou ze boven zijn?
Ze liep naar de trap en halverwege de trap hoorde ze boven
gedempte stemmen.
Thea werd nu toch wel erg nieuwsgierig en met twee treden
tegelijk snelde ze naar boven. De stemmen kwamen uit de
slaapkamer van haar ouders. Wat werd daar zachtjes gepraat, het
klonk bijna plechtig. Voorzichtig opende ze de deur van de
slaapkamer en stak haar hoofd naar binnen. Tot haar verbazing zag
ze daar haar moeder staan, in gesprek met de dokter.
Thea keek naar het bed en ze schrok zich een hoedje!
Op het bed lag papsie met om zijn hoofd een heleboel wit verband.
En op het achterhoofd van papsie was het verband helemaal rood
gekleurd. Mama Snuitman zag haar dochter staan en liep vlug naar
haar toe. "Papsie heeft een ongeluk gehad," zei ze.
"Hij was in het bos aan het werk en door die harde wind
waaide er een grote tak van een beukenboom. Die tak kreeg papsie
op zijn hoofd. Hij heeft nu een zware hersenschudding."
"Maar papsie draagt in het bos toch altijd een helm,"
zei Thea.
"Ja, die droeg hij nu ook. Hoe het precies gegaan is weet ik
niet," zei moesje, "maar een zijtak van die grote tak
moet op de een of andere manier de helm van papsie's hoofd hebben
gerukt, waarna die dikke tak papsie heeft geraakt."
"Arme papsie, "zei Thea, "wat zal hij een pijn
hebben."
"Op het ogenblik niet," zei moesje. "De dokter
heeft hem een pijnstillende injectie gegeven."
"Waarom zijn de gordijnen zo potdicht?" vroeg Thea.
"Dat moet Thea," zei de dokter. "Mensen met een
zware hersenschudding kunnen geen licht verdragen."
"Arme, arme papsie," zei Thea weer en zachtjes huilend
verliet ze de slaapkamer en ging naar beneden.
Even later kwamen haar moeder en de dokter ook naar beneden.
"Je mag vanmiddag wel thuis blijven van school Thea,"
zei haar moeder, "je kunt nu toch je aandacht niet bij de
les hebben. Ik zal meteen meester van Puffelen even bellen."
Die middag
ontbrak ook Mistry in de klas. Niemand wist, waarom hij er niet
was. Er was ook niemand, die wist waar hij woonde.
De volgende morgen vroeg meester van Puffelen aan Mistry, waarom
hij die middag niet was komen opdagen.
"Ik kon niet weg meester," zei Mistry, "want mijn
moeder heeft een ongeluk gehad. Die harde wind van gisteren heeft
een van haar ta... van haar armen afgerukt."
"Nee toch!" riep de meester verschrikt. "Wat erg!
Wat zal ze een pijn hebben. Ligt ze in het ziekenhuis? Waar is
het gebeurd?"
"Nee, ze ligt niet in het ziekenhuis," antwoordde
Mistry. "Het gebeurde in het bos."
"Wat erg voor je," zei Kareltje. "Nu heeft je
moeder maar één arm meer."
Mistry antwoordde niet. Maar weer verscheen dat raadselachtige
glimlachje om zijn mond.
Het werd
vrijdag en bij het verlaten van de school vroeg Kareltje aan
Mistry: "Kom je morgenmiddag bij mij spelen?"
"Dat is goed," zei Mistry, "tenminste als mijn
ouders het goed vinden. Ik ben dan om twee uur bij je."
"Afgesproken!" zei Kareltje.
Thuisgekomen, kon Kareltje direct aan de slag, hij moest zijn
vader helpen. Vrijdags was het altijd druk in de winkel. Haast
nog drukker dan op zaterdag, want het was zomer en veel mensen
gingen gedurende het weekend naar de camping.
En dus moesten ze hun boodschappen al op vrijdag halen.
De moeder van Kareltje was ook druk bezig in de winkel, maar ze
zag toch nog kans vlug een kopje thee met een koekje voor
Kareltje te halen. "Hoe is het met die nieuwe met dat groene
haar?" vroeg ze aan Kareltje. "Met Mistry is het wel
goed," zei Kareltje, "maar met zijn moeder niet, ze
heeft een ongeluk gehad in die storm van gisteren. Een van haar
armen is van haar lichaam gerukt."
"Nee toch!?" schrok moeder Boekschoten, "wat erg,
ze ligt zeker in het ziekenhuis?"
"Nee," antwoordde Kareltje, "dat vonden we
allemaal erg vreemd, maar ze is niet in het ziekenhuis. Trouwens,
ik heb met Mistry afgesproken, dat hij morgen bij mij komt spelen.
Als hij toestemming van zijn ouders krijgt, dan komt hij."
"Dat is heel mooi," zei zijn moeder, "want ik ben
toch wel erg benieuwd geworden naar die jongen."
De
volgende middag om tien over twee kwam Mistry bij Kareltje.
"Dag Kareltje, daar ben ik dan," zei Mistry.
"Dag Mistry," zei Kareltje, "kom binnen en doe
alsof je thuis bent!"
"Dat zal moeilijk gaan," mompelde Mistry en weer
verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond.
De jongens gingen eerst naar de huiskamer, waar Kareltje Mistry
aan zijn moeder voorstelde.
"Dag mevrouw," zei Mistry, "ik ben Mistry Nevelig."
"Dag Mistry," zei de moeder van Kareltje, "ik ben
de moeder van Kareltje, fijn dat je bij Kareltje komt spelen."
De jongens gingen naar buiten, waar Kareltje zijn lievelingen
liet zien, twee alleraardigste konijntjes.
Maar het was al gauw duidelijk, dat Mistry's belangstelling voor
dieren uiterst miniem was.
"Zullen we een potje gaan knikkeren?" vroeg Kareltje.
"Knikkeren? Wat is dat?"
"Gunst, kun jij niet eens knikkeren?"
Kareltje snapte er niets van. Welke jongen kon nou niet knikkeren...
"Kom," zei Kareltje, "ik leer het je wel even."
En het duurde niet lang of Mistry was het knikkerspel machtig.
Maar toen riep moeder Boekschoten de jongens binnen, want ze had
thee voor hen. dat lieten ze zich goed smaken. Ze kregen er een
lekkere plak koek bij, maar daarvoor bedankte Mistry beleefd.
"Wat nou jongen, lust jij geen koek?" vroeg de
slagersvrouw.
"Nee mevrouw, het spijt me," zei Mistry.
Na de thee gingen de jongens het bos in, waar Kareltje zich
verwonderde over de grote kennis, die Mistry betreffende de bomen
in het bos had. Van alle bomen wist hij de naam.
Ze kwamen langs een machtige eik, die naast een sierlijke beuk
stond, waarvan jammer genoeg een tak was afgebroken, Die lag nog
onder de boom op de grond.
Maar Kareltje vond het wel wat raar, dat Mistry zijn hand even
tegen die eik en die beuk legde en zachtjes "hallo" zei.
En zag Kareltje dat goed? Dat kon toch niet waar zijn... Neeee...
hij had het vast niet goed gezien...
Maar toch... het leek warempel wel of die eik even met een tak
naar hen wuifde...
Ach nee... het was natuurlijk door de wind geweest.
En om de lippen van Mistry speelde weer dat raadselachtige
glimlachje...
Nog één
week moesten ze naar school, dan kregen ze vakantie.
"Vakantie?" vroeg Mistry, "wat is dat?"
Stomverbaasd keek Kareltje hem aan.
"Doe niet zo belachelijk, wie weet nou niet wat vakantie is!"
"Nee," zei Mistry, "dat weet ik echt niet."
"Hadden jullie op je vorige school dan nooit vakantie?"
"Ik ben nooit eerder naar school geweest," antwoordde
Mistry. "Alles wat ik weet hebben mijn ouders mij geleerd."
Kareltje ging steeds minder van Mistry begrijpen. Maar aan de
andere kant vond hij het ook wel spannend.
"Vakantie," zei Kareltje, "is het mooiste van de
school, want dan ben je een aantal weken vrij en hoef je dus niet
naar school."
"Wat raar," zei Mistry, "dan leer je toch ook
niets?"
"Dat hoeft ook niet," zei Kareltje, "want het hele
lesschema is daarop ingesteld."
"Dat kan wel zijn," zei Mistry, "maar toch vind ik
het stom. Wat moet je dan al die weken doen?"
"Nou, wij gaan drie weken naar Ameland," zei Kareltje,
"tenminste mijn moeder en ik, want mijn vader kan maar twee
weken op Ameland zijn, langer is de slagerij niet gesloten."
"Dus als je vader bij jullie op Ameland is, kunnen de mensen
twee weken geen vlees eten?" vroeg Mistry.
"Natuurlijk wel gekkie," zei Kareltje, "er is toch
ook nog slagerij Oosterhof in de Westerstraat en dan heb je nog
een slager aan de Ossenlaan. Dat zijn dus drie slagers in totaal
en die hebben om de beurt vakantie."
"O," zei Mistry en dacht er het zijne van.
"Zeg Mistry," zei Kareltje, "die derde week op
Ameland, als mijn vader weer naar huis is, kun jij misschien wel
bij ons komen. Zal ik dat eens aan mijn moeder vragen?"
"Dat kan niet." zei Mistry, "ik kan geen week
zonder eten."
"Wat denk je nou suffie, dat wij je een week lang op een
houtje zouden laten bijten? Je eet natuurlijk gewoon met ons mee."
"Dat kan ik niet, ik moet perse thuis eten," zei Mistry.
"Waarom dat dan in vredesnaam!?" vroeg Kareltje.
"Dat leg ik je later misschien nog wel eens uit", zei
Mistry met weer om zijn mond dat raadselachtige glimlachje.
"Ik snap er niks van," zei Kareltje. "Laatst bij
ons thuis wilde je ook al geen koek bij de thee. En ik zie je ook
nooit snoepen."
"Dat klopt, ik kan nu eenmaal geen vast voedsel tot mij
nemen.
Alleen water of thee of een andere drank kan ik wel tot mij nemen,
maar geen vast voedsel."
"Maar waarom dan niet," vroeg Kareltje, "kun je
mij dan niet vertellen, waarom dat zo is? Ik vind alles zo
raadselachtig. En we zijn nu toch vriendjes, dan kun je me dat
toch wel vertellen?"
Mistry dacht een poosje diep na, maar na een poosje schudde hij
zijn hoofd. "Ik kan je nu nog niets vertellen," zei hij,
"dat kan ik niet zonder toestemming van mijn ouders doen. Ik
zal hen straks vragen of ik je iets mag vertellen, dat hoor je
vanmiddag dan wel."
"Jongens en meisjes!" riep meester van Puffelen, "allemaal
even goed luisteren. Aanstaande vrijdag is de laatste schooldag
voor de vakantie. En van die vrijdagmiddag maken we een heel
bijzondere middag. Er is dan geen gewone les, maar we maken er
een verhalenmiddag van. Ieder van jullie, die een mooi verhaal
weet, mag dat vertellen of voorlezen. Als er niet genoeg verhalen
van jullie komen om de middag te vullen, dan heb ik nog wel een
paar spannende verhalen, maar ik zou het mooier vinden, als alle
verhalen van jullie kwamen. Zoek thuis maar eens goed of vraag je
ouders of ze een mooi verhaal voor je hebben. En nu is het twaalf
uur, ga nu dus maar gauw naar huis om te eten."
De kinderen renden naar buiten en gingen naar huis.
"Niet vergeten aan je ouders te vragen hoor!" riep
Kareltje tegen Mistry.
"Wat moet hij vragen?" vroeg Elsje van Puffelen.
"Dat gaat je niets aan," zei Kareltje.
"Flauwerd," riep Elsje en stak haar tong tegen hem uit.
Toen Kareltje na de middag bij school aankwam, zag hij Mistry ook
net aan komen lopen.
Vlug liep hij naar hem toe en vol spanning vroeg hij: "En...
wat zeiden je ouders?"
"Ik mag alle geheimen onthullen en alle vragen beantwoorden,"
zei Mistry. "Maar dat doe ik nu nog niet."
"Doe niet zo flauw," zei Kareltje, "vertel op!"
"Nee Kareltje, nu nog niet," zei Mistry, "je moet
nog even geduld hebben tot vrijdag. Meester van Puffelen vroeg
toch om spannende verhalen om op vrijdagmiddag te vertellen. Nou,
dit lijkt mij nu net geschikt daarvoor. Je zult dus nog even tot
vrijdag geduld moeten hebben."
Diep zuchtend zei Kareltje: "Nou vooruit, dat moet dan maar.
Maar je maakt me wel erg nieuwsgierig."
Die week
kon Kareltje niet vlug genoeg gaan, maar eindelijk werd het dan
vrijdagmiddag.
De kinderen waren allemaal in een uitgelaten stemming, want ze
kregen vakantie en eerst nog een mooie middag. Ze hoopten op
mooie en vooral spannende verhalen.
Kees van de molenaar mocht beginnen. Hij had een leuk verhaal
over hun molen, die van nieuwe wieken was voorzien. Uitvoerig
vertelde hij hoe dat in zijn werk ging. Hij had er ook foto's van
bij zich, want geen van de kinderen had dat spektakel gezien. Ze
mochten toen niet in de buurt komen. Maar door die foto's konden
ze zich er een beeld van vormen.
Na Kees was Elsje van Puffelen aan de beurt. Zij las een
verhaaltje voor uit een boekje, maar het kon de andere kinderen
niet zo erg interesseren.
Thea Snuitman was vorig jaar naar haar oudere broer in Nieuw
Zeeland geweest en daar had ze een soort opstel over gemaakt en
dat vonden ze allemaal erg boeiend. Veel kinderen waren ook wel
een beetje jaloers op Thea, die zover weg was geweest.
Natuurlijk had meester van Puffelen ook een mooi verhaal te
vertellen. Het ging over een eenzame kluizenaar, die in een soort
onderaardse hut woonde, waar hij alleen gezelschap had van een
oude hond en een paar zwerfkatten. Hij was door zijn familie
verstoten. Hij moest zich helemaal alleen zien te redden, 's
winters vaak in kommervolle omstandigheden. Het was een beetje
een ontroerend verhaal.
De meester kon erg mooi vertellen, hij wist de kinderen heel goed
te boeien.
Als laatste die middag kwam Mistry aan de beurt.
Kareltje veerde op en ging er eens goed voor zitten.
Mistry vertelde: "Lang, heel lang geleden heeft mijn vader
de woede opgewekt van een tovenaar. Er waren in hun dorp twee
tovenaars. De één was een en al goedheid, maar de ander was een
vreselijke nurk. Niemand kon goed doen in zijn ogen. Maar
gelukkig had de goede tovenaar meer macht, dan de slechte, zodat
hij veel onheil dat de slechte tovenaar aanrichtte kon herstellen.
Waarom die boze tovenaar opeens zo kwaad werd op mijn vader, is
mij niet helemaal duidelijk. Feit is, dat de tovenaar in grote
woede ontstak en mijn vader in een eikenboom en mijn moeder in
een beukenboom veranderde.
Nu zou de goede tovenaar dat weer ongedaan kunnen maken, maar dat
moest dan wel voor zonsondergang gebeuren. En het toeval wilde,
dat de goede tovenaar juist die dag naar een dorp verderop was
geroepen om een boze geest te verdrijven.
De broer van mijn vader, mijn oom dus, is meteen naar dat dorp
gegaan om de goede tovenaar te halen, maar het was al laat in de
middag en ze kwamen niet voor donker in ons dorp aan, zodat de
goede tovenaar niets meer kon uitrichten.
Dit alles gebeurde meer dan driehonderd jaar geleden.
De vloek van de tovenaar gold alleen voor mijn ouders.
Toen ik drie jaar geleden ontsproot groeide ik voorspoedig op tot
een jong boompje. Ik sta dan ook nog steeds als een jonge boom in
het bos, dichtbij mijn ouders.
Ongeveer een half jaar geleden ontdekte ik bij toeval, dat ik in
staat was uit mijn boomgestalte te treden en in menselijke
gedaante weg te lopen. Het vreemde is, dat ik als boom wel met
mijn ouders kan praten, maar als jongen niet. Ik versta hen wel,
maar zij verstaan mij niet. Met uitzondering dan van de paar
woorden, die ze van mij hebben geleerd, zoals 'tot ziens', 'hallo',
'welterusten'.
Nu begrijpt u ook meester van Puffelen, waarom mijn ouders niet
naar school konden komen om mij aan te melden als leerling."
"Ja, dat is me nu wel duidelijk," zei meester van
Puffelen. "Maar vertel eens Mistry, wie heeft jou dan leren
praten?"
"Dat kon ik vanzelf," antwoordde Mistry. "Maar ik
sprak, zoals men ruim driehonderd jaar geleden sprak. Ik heb me
toen dadelijk onder de mensen begeven. Ik zocht steeds plaatsen,
waar veel mensen samenkomen en ik luisterde scherp naar hun
gesprekken. Ik leer vlot en dus duurde het niet lang of ik sprak
zoals ik nu doe."
"Nu is me ook duidelijk, waarom je niets van aardrijkskunde
afwist," zei meester van Puffelen. "En je kennis
omtrent de bomen in het bos spreekt nu eigenlijk ook wel vanzelf.
Van wie kwam eigenlijk het idee om naar school te gaan? Want ik
neem toch aan, dat scholen voor jou niet bekend waren."
"Nee," zei Mistry, "ik had natuurlijk nog nooit
van scholen gehoord, maar mijn ouders wel en mijn vader raadde
mij aan om naar school te gaan.
Maar de scholen zijn nu wel heel anders dan driehonderd jaar
geleden. Dat zei mijn vader, want hij vroeg me natuurlijk
honderduit over de school. Mijn vader was vroeger in hun dorp
trouwens een van de weinigen, die onderwijs genoten had en kon
lezen en schrijven."
Opeens sprong Kareltje op van zijn stoel en riep opgewonden:
"Hé Ho! Wacht es even! Mistry! Nu snap ik het! Dan is het
dus toch waar! Het is dus toch geen verbeelding van me geweest!!!"
"Rustig, rustig Kareltje," maande meester van Puffelen,
"vertel nu eens kalm wat je bedoelt." "Nou meester,
laatst was Mistry op een zaterdagmiddag bij mij te spelen en toen
gingen we ook in het bos wandelen. Mistry verbaasde mij toen ook
weer met zijn grote kennis wat bomen betreft.
We kwamen toen langs een eik en een beuk en wat ik toen erg
vreemd vond, was dat Mistry even zijn hand tegen de stam van die
twee bomen legde en zachtjes 'hallo' zei.
En ik meende toen te zien, dat die eik even met een tak als het
ware naar ons wuifde. Maar ik schudde die gedachte ook meteen
weer van mij af, want hoe kon een boom nu naar mensen wuiven? Ik
dacht dat het van de wind zou zijn.
Maar nu begrijp ik, dat het de vader van Mistry geweest moet zijn
en dat hij inderdaad naar ons wuifde. Zo is het toch Mistry?"
Mistry knikte bevestigend.
"O en nu begrijp ik ook dat raadselachtige glimlachje, dat
om de haverklap om je mond speelde," zei Kareltje.
"Maar Mistry," riep opeens Thea Snuitman, "hoe
komt het dat je zo'n vreemde huidskleur hebt? En groen haar?"
"Nou," zei Mistry, "dat is een klein mankementje,
kun je wel zeggen. Ik verander in een mens als ik uittreedt, maar
mijn huid houdt min of meer de kleur van mijn bast als boompje en
mijn haar heeft de kleur van de bladeren, die ik als boompje heb.
Jullie zullen trouwens nog wel vreemd opkijken, want straks in de
herfst wordt mijn haar geelbruin en in de winter loop ik met een
kaal hoofd. Maar wees gerust, volgend voorjaar verschijnt er weer
een frisse groene haardos."
"Nou, ik vind het maar raar hoor," zei Elsje van
Puffelen. "Ik vind je eigenlijk een beetje een griezel."
"Foei Elsje,"
zei meester van Puffelen, "dat mag je niet zeggen. Mistry is
helemaal geen griezel, hij is gewoon een beetje anders dan jullie,
maar dat maakt hem niet griezelig."
Thea, die naast Elsje zat, beet haar zachtjes toe: "Jij bent
zelf een veel grotere griezel met je rare puntige wipneus."
Het is maar goed, dat blikken niet kunnen doden, want anders zou
Thea nu niet meer leven.
![]() |
. . . . . . .
. . . . . . |
![]() |