Deze
geschiedenis is oud, heel oud. Wat hier beschreven wordt
is meer dan drieduizend jaar geleden gebeurd! De
Israëlieten waren toen getroffen door een hongersnood.
Weet je wat dat is, hongersnood?
Voor Europese kinderen van nu is dat moeilijk te
begrijpen.
Bij ons is het heel gewoon dat je elke dag weer lekker
kunt eten.
Maar als er hongersnood is, kan dat niet. Dan kan het
gebeuren dat je dagen achtereen niets hebt te eten.
In Bethlehem woonde toen een gezin van vier mensen, een
vader en een moeder met twee zoons.
Die vader besloot toen om weg te trekken naar een land,
waar geen hongersnood heerste.
Hij ging toen met zijn gezin naar het land Omba.
Die man heette Emile en zijn vrouw heette Mona.
Maar toen gebeurde er iets ergs. Vader Emile stierf en
toen bleef Mona alleen met haar twee jongens achter. Dat
moet heel erg geweest zijn in een vreemd land.
De jongens groeiden op en kwamen in contact met de
meisjes van het land Omba. En ze namen elk een meisje uit
dat land tot vrouw.
Het ene meisje heette Arop en het andere Hatur.
Maar o, wat een pech had deze familie, want ook de beide
zoons van Mona overleden en toen bleven er dus drie
weduwen achter: Mona, Arop en Hatur.
Op een dag hoorde Mona, dat de hongersnood in Kanaän
voorbij was. God de Heer had gezorgd, dat de mensen weer
te eten hadden.
Mona besloot toen om weer naar haar land terug te gaan,
want daar zou ze zich natuurlijk beter thuis voelen, ze
had er ook nog familie wonen. En toen ging Mona op reis.
Dat moest lopende, want ze had geen fiets, die was toen
nog niet eens uitgevonden. En er reden ook geen bussen of
treinen.
Ze had wel op een ezel kunnen gaan, maar ze was veel te
arm om een ezel te kunnen kopen.
Haar beide schoondochters gingen met haar mee, zodat ze
onderweg wel gezelschap had. Maar toen ze bij de grens
van Omba aankwamen, zei Mona tegen Arop en Hatur, dat ze
terug moesten gaan, want wat moesten zij in een
wildvreemd land beginnen.
Maar Arop en Hatur hielden veel van Mona en ze wilden bij
haar blijven en met haar naar haar land gaan.
Maar Mona bleef aandringen.
"Ga nu terug. Hier komt waarschijnlijk wel weer een
man voor jullie, maar in een vreemd land heb je kans, dat
je altijd alleen blijft."
Uiteindelijk heeft ze Arop zover gekregen, dat ze terug
gaat.
Arop kust Mona en met tranen in de ogen nemen ze afscheid
van elkaar.
Maar Hatur blijft bij Mona. Ze is vastbesloten bij haar
te blijven, hoewel Mona er bij haar op aan blijft dringen
om toch in haar eigen land bij haar landgenoten te
blijven.
"Nee moeder," zegt Hatur, "dring er nu
niet verder op aan, want ik laat u niet in de steek. Ik
zal gaan, waar u gaat en ik zal wonen, waar u woont. Uw
volk zal mijn volk zijn en uw God is mijn God. Alleen de
dood zal ons nog kunnen scheiden."
Toen Mona merkte, dat het Hatur menens was, drong ze niet
verder aan en aanvaardde ze, dat Hatur met haar meeging.
En eigenlijk vond ze het ook wel fijn, want ze hield veel
van haar schoondochter.
Toen ze na een lange, vermoeiende voetreis in Bethlehem
aankwamen, werd Mona hartelijk begroet door vrouwen, die
haar nog van vroeger kenden. Ze vroegen natuurlijk, wie
die jonge vrouw was, die Mona had meegenomen.
Mona vertelde, dat het haar schoondochter was, die Hatur
heette.
Ze vertelde ook, dat haar man en beide zoons waren
gestorven in dat vreemde land Omba. En ze vertelde van
Arop, haar andere schoondochter, die ze had kunnen
overhalen in haar eigen land te blijven.
Mona en Hatur moesten natuurlijk nog een plek hebben om
te wonen en ze moesten ook aan eten zien te komen, want
ze waren arm en hadden geen geld om iets te kopen.
Nu was het in die tijd gebruikelijk, dat arme mensen
tijdens de graanoogst achter de maaiers op het veld
aangingen en korenhalmen, die op het land bleven liggen,
mochten ze dan meenemen om het graan eruit te halen en
daar konden ze dan brood van bakken.
En ze troffen het, want het was net aan het begin van de
gerstoogst, toen ze daar aankwamen.
Hatur zei toen tegen Mona: "Moeder, ik ga morgen
naar de maaiers in het veld om aren te zoeken."
En Mona leek dat wel een goed idee.
Zo gezegd zo gedaan. De volgende dag ging Hatur welgemoed
op pad om zich achter de maaiers te begeven en gerst te
zoeken.
Heel toevallig (?) was zij op het land van een zekere
Zetoba terecht gekomen.
En wat Hatur toen nog niet wist, was dat die Zetoba nog
familie van haar schoonmoeder was. Hij was aan haar
verwant van haar mans kant. En die Zetoba was een rijke
man.
Dat Hatur op het land van Zetoba terecht was gekomen, was
natuurlijk helemaal niet zo toevallig.
Dat had de Here God zo beschikt.
Op zekere dag, terwijl Hatur daar weer aan het aren
zoeken was, kwam Zetoba ook eens bij zijn werklui kijken
om te zien hoe het werk vorderde.
Zetoba begroette zijn maaiers met: "De Here zij met
u!" en zei antwoordden met: "De Here zegene u!"
Zetoba vroeg toen aan de hoofdmaaier: "Wie is die
jonge vrouw, die daar loopt aren te zoeken?"
"Dat is een vrouw uit het land Omba, ze is met Mona
naar hier gekomen. Ze is de hele dag al bezig. Het is een
ijverige meid."
Toen Zetoba hoorde, dat ze bij een familielid van hem
hoorde, ging hij een praatje met Hatur maken. Hij had al
gauw door, dat Mona en Hatur het niet breed hadden en hij
besloot haar een beetje te bevoorrechten.
Hij zei tegen Hatur, dat ze zolang de oogst duurde op
zijn land aren mocht zoeken. Ook tijdens de tarweoogst,
die direct na de gerstoogst zou komen.
Zijn knechten had hij bevolen haar niet lastig te vallen.
Dat was ook wel nodig, want Hatur was een knappe meid en
daar wil een boerenknecht nog wel eens een oogje op laten
vallen.
Toen het tijd werd om te schaften, riep Zetoba haar om
met zijn mensen mee te eten. Ze kreeg zoveel te eten, dat
ze het lang niet op kon. Maar wat ze overhield mocht ze
in een zak doen om mee te nemen naar huis, zodat Mona ook
wat te eten kreeg.
Toen ze klaar waren met eten gingen de maaiers weer aan
het werk, maar Zetoba had hen intussen de opdracht
gegeven met opzet wat extra aren te "verliezen",
zodat Hatur 's avonds een flinke vracht aren mee naar
huis kon nemen.
Mona wist niet wat ze zag.
"Waar ben je wel geweest?!" vroeg ze. Hatur
vertelde toen, dat ze op het land van een zekere Zetoba
was geweest.
"O," zei Mona, "dat is nog familie van ons,
van mijn mans kant."
Zetoba was ook losser.
Weet je wat een losser is? Nee?
Een losser was iemand, die het recht had om de
bezittingen van een gestorven familielid terug te kopen
en hij mocht ook met de weduwe van zo'n gestorven
familielid trouwen.
Op zekere avond zei Mona tegen Hatur, dat Zetoba naar de
dorsvloer ging om te dorsen. En ze zei tegen Hatur:
"Ga naar hem toe. Wacht tot hij klaar is met dorsen
en zorg ook, dat hij je nog niet ziet. Ga dan naar hem
toe en zeg tegen hem, dat hij de losser is."
En dat deed Hatur.
Ze ging naar de dorsvloer en hield zich verborgen tot
Zetoba klaar was met zijn werk.
Toen ging ze naar hem toe en zei hem, dat hij haar losser
was.
Verbaasd keek Zetoba haar aan.
Hij vond haar een lieve meid en zou best met haar willen
trouwen, maar er was nog een andere losser en dat was een
nader familielid dan hij en dus had die andere voorrang.
Dat vertelde Zetoba aan Hatur.
Hij zei, dat hij met die ander zou praten en als die niet
wilde lossen, dan zou hij, Zetoba, met haar trouwen.
Toen Hatur weer naar huis ging, kreeg ze van Zetoba nog
flink wat gerst mee in haar omslagdoek.
De volgende morgen ging Zetoba naar de stadspoort en ging
daar zitten. En het duurde niet lang of die andere losser
kwam voorbij.
Zetoba riep hem en vertelde hem over Mona en Hatur.
Maar die ander wilde liever niet met een vrouw uit zo'n
vreemd land trouwen. Hij deed afstand van zijn recht als
losser en toen kon Zetoba dus wel met Hatur gaan trouwen.
Het duurde dan ook niet lang meer of ze gingen in het
bootje, het huwelijksbootje.

Ze gaven een heel mooie en gezellige bruiloft,
die tot diep in de nacht duurde. Mona had het huis mooi
versierd met vlaggetjes en andere leuke frutseltjes.

Je begrijpt natuurlijk wel, dat Mona heel blij was, dat
alles zo goed gekomen was met haar en haar schoondochter.
En een jaar later was Mona al oma, want Zetoba en Hatur
hadden een baby gekregen, een zoon.
Ze noemden het jongetje Obed.
En dat jongetje werd groot en ging trouwen en kreeg ook
een zoon, die de naam Isaï kreeg.
En ook Isaï werd groot en kreeg op zijn beurt een zoon.
En die zoon was David.
Obed, het zoontje van Hatur werd later dus de opa van
Koning David.
|