| GRONINGEN |
| EEN BEETJE GESCHIEDENIS |
Groningen en Oost-Friesland
hebben oorspronkelijk deel uitgemaakt van de Friese landen, die
zich na de volksverhuizing aan het begin der middeleeuwen
uitstrekten langs de Noordzee, vanaf de Bel- gische grens tot aan
de Weser in Duitsland.
Ten westen van de Zuiderzee heeft zich al gauw het graafschap
Holland gevormd, maar in de overige gouwen hebben zich geen
graven, hertogen of andere landsheren blijvend kunnen vestigen;
hier lag het land van de Friese vrijheid.
In de tijd, dat er nog geen
dijken waren, dus vóór de 11e eeuw, hebben de bewoners om zich
tegen overstromingen te beveiligen terpen of wierden opgericht.
En het zijn juist deze kunstmatige heuvels, die aan de
kleilandschappen van Friesland, Groningen en Oost-Friesland hun
karakteristieke overeen- komst geven.
Een eenheid vormde dit land niet. Vrijwel elk dorp en elk
klooster stond op zichzelf.
Men kende in de Friese landen het verbond van de Upstalboom, maar
de praktische waarde daarvan moet men niet overschatten. Deze
Upstalboom bevond zich op een oude grafheuvel bij Aurich in Oost-Friesland.
Daar zouden elk jaar de rechters uit de Friese landen bij elkaar
komen voor het hand- haven van recht en vrede. Er is niet veel
bekend van deze bond, die ontstaan is in de eerste helft van de
12e eeuw in Oost-Friesland. In de 14e eeuw ging de bond teniet.
Ondanks de Upstalboom gingen de onderlinge veten door en het
spreekt vanzelf, dat in de onder- linge partijstrijd bepaalde
mannen de baas gingen spelen.
Dit waren de zogenaamde hoofdelingen die voor hun veiligheid een
steenhuis, een stins gingen bou- wen en er een gevolg of een
bende van gewapende dienaren op na gingen houden. In de loop der
14e eeuw kwamen ze op en weldra gingen zij hun rol spelen in de
geschiedenis.
Intussen werd ook de invloed
van de stad Groningen steeds groter. Deze stad lag niet
in de pro- vincie Groningen, maar in Drenthe,
op de uiterste punt van de Hondsrug.
Maar de Friese klei was vruchtbaarder dan het Drentse zand en dus
wendde de stad zich naar het noorden. Zelf lag ze veilig binnen
haar muren, terwijl ze uit haar burgers een legertje kon vormen,
waarmee iets ter bereiken viel op het platteland.. Zo zorgde ze
er voor, dat de hoofdelingen niet te machtig werden en door
verdragen wist ze de landschappen tussen Eems en Lauwers aan zich
te binden, gedeeltelijk zelfs te onderwerpen. Zo begon zich daar
een nieuwe eenheid af te tekenen onder leiding van de stad en
werd daar de grondslag gelegd voor de huidige provincie Groningen.
We bepalen ons nu nog even tot de stad Groningen. We gaan twee historische gebouwen wat nader bekijken.
Allereerst het Provinciehuis, dat zeer oud moet zijn. Hoe oud precies is niet bekend. Misschien bestond het al voordat de St. Meertenskerk (Martinikerk) werd gebouwd en maakte het deel uit van de gebouwen, behorend tot de St. Walburgskerk, maar dat is niet erg waarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand, dat de bouwtijd ongeveer gelijk met de bouw van de St. Meertenskerk is geweest. Het was toen namelijk gebruikelijk om vlakbij zulke kerken ook scholen te bouwen. Het Provinciehuis was eerst een school.
Zeker is, dat het Provinciehuis reeds bestond in het begin van de 15e eeuw, want in het Groninger Stadsboek van 1425 staat, dat de Raad van Groningen, met de wijsheid der Stad, besloten had, dat de school ten oosten van de St. Meerten een school zou blijven, zolang het de Raad en der Wijsheid goed dacht. Een opmerkelijke wet, omdat hierin aangetoond wordt, dat de school als geestelijke inrichting en met geestelijken als leermeesters, onder toezicht van het stadsbestuur stond.
Hoewel de St. Meertensschool misschien oorspronkelijk uitsluitend bedoeld was voor de opleiding van geestelijken, kreeg zij later een veel bredere bestemming en diende toen ook om onderwijs te geven in verschillende 'vakken van geleerdheid'. Zo onderwees Rector Regnerus Praedinius aan deze school, tot zijn dood in 1559, behalve in oude talen, ook in Wijsbegeerte, Wiskunde, Godgeleerdheid, Rechtsgeleerdheid, Geneeskunde en Heelkunde. Gerardus van Loppersum en anderen gingen op dezelfde voet voort.
En zo bleef deze Latijnse of Openbare school in het gebouw gevestigd tot kort na de reductie van 1594. Toen werd de school overgebracht naar het Franciscaner klooster, dat een ingang in de Zwanestraat had.
En na 20 juni 1601 werd de St. Meertensschool ingericht als Provinciehuis ten dienste der Staten en Gedeputeerden en dus mede tot het houden van Landsdagen.
Voor de verbouwing van school tot provinciehuis werden 10000 stenen uit het Convent van Selwerd gebroken. Het volgende jaar was de bouw al zover gevorderd dat de Staten hun eerste vergadering in het gebouw konden hou- den op 16 juni 1602, terwijl het College van Gedeputeerden er zitting nam op 8 december 1603.
Het gebouw heeft nadien nog verschillende vertimmeringen en verbeteringen ondergaan, voornamelijk in 1685 en 1686. Tussen 1686 en 1803 zijn er geen noemenswaardige verbeteringen aangebracht en het gebouw raakte meer en meer in een vervallen toestand. In 1803 besloot men toen het gebouw vanbinnen, voor zover nodig, geheel te vertimmeren. Dat heeft toen het nodige gekost. Verdere verbeteringen zijn nog aangebracht in de jaren 1822, 1823, 1829 en 1835.En dan nu het Stadhuis op de Grote Markt, of zoals men vroeger zei, het Raadhuis. De bouw van dit Stadhuis ging nogal met horten en stoten. In 1770 kwam er in de gemeenteraad al een voorstel op tafel om een nieuw raadhuis te bouwen. Maar pas vier jaar later, in 1774, werd besloten dit voorstel ten uitvoer te brengen.
Maar het werk ondervond voortdurend vertraging en onderbreking. Nadat de Grote Markt eerst nauwkeurig was opgemeten en in kaart gebracht, werden er door het stadsbestuur beloningen uitgeloofd aan bouwkundigen van wie de ontwerpen en berekeningen het beste zouden voldoen.
Het werk werd uiteindelijk gegund aan J.O. Husleij, stadsbouwmeester en directeur van de teken-academie te Amsterdam. Die begon al gauw met de graafwerkzaamheden. Maar er werden in een raadsvergadering bezwaren ingebracht en het werk werd stilgelegd. Dat duurde vrij lang, een aantal jaren zelfs. De bouwput liep vol water en dat zorgde voor overlast voor omwonenden, die daarover klaagden. Ze kregen vocht in de kelders. In 1787 werd toen de bouwput weer met aarde gevuld. Pas vijf jaar later, in 1792, werd besloten de bouw voort te zetten. Het ontwerp van de heer Husleij was intussen gewijzigd. De bouw van het stadhuis werd toen beraamd op een bedrag van ƒ 203.000,-.
En eindelijk, op 29 april 1793, werd plechtig de eerste steen gelegd in de noordoostelijke hoek van het gebouw. Deze steen was van wit marmer ter grootte van een gewone baksteen en werd gelegd door de burgemeester van Groningen, de heer van Sijsen. De steen had als opschrift: Deze eerste steen is aan dit Stadshuis gelegd door den Praesident Burgemeester Hindrik van Sijsen, den XXIX April MDCCXCIII. 's Middags mocht de burgerij de steen komen bekijken en tegen de avond werd de steen met een laagje tin bedekt en vervolgens ingemetseld.
De bouw stagneerde in 1795. En in 1797 moest het werk opnieuw worden stilgelegd, wegens geldgebrek. Pas in 1801 kon men de bouw weer voortzetten. En op 16 oktober 1806 kon eindelijk de eerste raadsvergadering in het nieuwe raadhuis worden gehouden. Maar het gebouw was toen nog niet af. Pas in 1810, dus veertig jaar na het eerste raadsvoorstel, was het nieuwe stadhuis voltooid, hoewel er ook daarna nog wel het een en ander aan moest worden gedaan.