Richteren 6 t/m 8

Omdat de IsraŽlieten deden wat kwaad is in de ogen des Heren werden ze overgeleverd aan de Midianieten gedurende zeven jaar.
De Midianieten waren nomaden, zwervend ten oosten van de Golf van Akaba. Zij waren nakomelingen van Midian, de zoon van Abraham, die KetŻra hem gebaard had.
De kameelruiters aan wie Jozef door zijn broers werd verkocht, moeten ook tot dit volk hebben behoord. Maar daar is ook sprake van IsmaŽlieten (Gen. 37:25), die nakomelingen waren van IsmaŽl, ook een zoon van Abraham, hem geschonken door Hagar, dat was de Egyptische slavin van Sarai.
Ook de Amalekieten, die hier genoemd worden waren nomaden, afstammend van Amalek, een kleinzoon van Ezau.
De stammen van het oosten waren vooral Arabieren, die in tenten woonden.
De vijanden van de IsraŽlieten waren zeer talrijk, wel honderdvijfendertigduizend strijdbare mannen sterk.
In hun nood riep het volk IsraŽls de Heer aan, die Zijn volk niet in de steek liet en het te hulp kwam.

Maar eerst krijgen de IsraŽlieten nog een ernstige berisping te incasseren.
God zendt een profeet, die de volgende boodschap aan het volk doorgeeft
[Richteren 6:8b t/m 10 (oude vertaling)]:

  • Alzoo zegt de Heere, de God IsraŽls: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd; en Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven; en Ik zeide tot ulieden: Ik ben de Heere, uw God, en vreest de goden der Amorieten niet, in welker land gij woont; maar gij zijt mijner stem niet gehoorzaam geweest.
  • De Amorieten vormden een Semitische bevolkingsgroep, die zich vanaf ongeveer 3000 v.C. in Palestina en SyriŽ ophield, later ook in Mesopo- tamiŽ.
    Vůůr de komst van de IsraŽlieten waren zij de bewoners van het bergland van Palestina.
    En dan stuurt God de Engel des Heren, die zich nederzet onder de terebint te Ofra. Een terebint is een terpentijnboom. Maar in de oude vertaling staat 'onder den eik'.
    Hoe dan ook, deze boom was eigendom van de AbiŽzriet Joas, waaruit men wel afleidt, dat Joas een vooraanstaande positie bekleedde.
    Joas was uit de stam van Manasse, want AbiŽzer was een zoon van Manasse, de oudste zoon van Jozef en Asnath
    (dochter van Potifera, zie Genesis 46:20).
    Onder de Engel des Heren moeten we verstaan Gods Zoon. Dit blijkt ook uit de verzen 14 en 16, waar Hij Here of Jehova genoemd wordt.
    Zie ook Genesis 18:10 e.v. en Genesis 48:16.
    Op het moment, dat de Engel des Heren verscheen, was de zoon van Joas in de wijnpers bezig. Deze zoon heette Gideon en hij was aan het dorsen. Dorsen in de wijnpers? Ja, dat deed hij, omdat het dan niet zo gauw op zou vallen. Het moest namelijk stiekem gebeuren, want de Midianieten mochten het niet in de gaten krijgen en die waren intussen al in aantocht. Gideon dorste ook niet op de gebruikelijke manier met ossen, maar hij gebruikte de dorsvlegel. De tarwe kon later op een eventuele vlucht worden meegenomen.
    Bij ouderen onder ons zal dit bepaalde herinneringen uit de tweede wereldoorlog oproepen.
    De Engel des Heren komt dan bij Gideon in de wijnpers en zegt tot hem: „De Here is met u, gij dappere held." Maar daar heeft Gideon zo zijn twijfels over. Hij antwoordt dan ook: „Och mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen?" Gideon duidt hier natuurlijk op de overheersing door de Midianieten.
    „De Here heeft ons verstoten en prijsgegeven aan de Midianieten."
    Gideon moet echter niet zeuren. Hij krijgt zonder meer de opdracht zijn volk te verlossen uit de macht van Midian. „Ik zend u immers," zegt de Here.
    Maar hij blijft tegenstribbelen. „Och Here, waarmee zal ik IsraŽl verlossen?"
    Maar er is geen ontkomen aan. Ook al wijst Gideon er op, dat zijn geslacht slechts gering is en hij de jongste van de familie is.
    Maar de Here zegt: „Ik ben met u." En Gideon krijgt dan de verzekering, dat hij de Midianieten zal verslaan alsof hij met slechts ťťn man te doen zou hebben.
    Maar dan vraagt Gideon om een teken.
    Hij gaat naar binnen en maakt een maaltijd klaar. Een geitenbokje en brood.
    Als hij daarmee naar buiten komt, geeft de Engel Gods hem opdracht het vlees en het brood op de rots te leggen en er het vleesnat over te gieten. De Engel raakt dan met zijn staf het vlees en brood aan en meteen komt er vuur uit de rots, dat het vlees en het brood verteert.
    Dan verdwijnt de Engel des Heren. Niet door weg te lopen, nee, opeens is Hij verdwenen in het niets.
    Gideon slaat de schrik om het hart, want het dringt nu tot hem door, dat hij met de Engel des Heren te doen gehad heeft.
    En hij roept uit: „Wee mij Here Here! Want ik heb de Engel des Heren gezien van aangezicht tot aangezicht."
    Hij denkt, dat hij nu zal moeten sterven.
    Maar de Here zei tegen hem: „Vrees niet, u zult niet sterven."
    Gideon moet dan het altaar van Bašl, dat zijn vader toebehoort, omver halen.
    Dan moet hij een altaar bouwen voor de Here en daarop een stier van zijn vader als brandoffer offeren.
    Dat doet Gideon met de hulp van tien van zijn knechten. Maar hij durft het niet overdag te doen, daarom doet hij het in het donker van de nacht.
    De volgende morgen, als het licht wordt en de mensen ontwaken, weten ze niet wat ze zien.
    „Wie heeft dat gedaan?!" Zo klinkt het uit veel monden.
    Al gauw komen ze erachter, dat Gideon de dader is. Ze gaan dan naar Joas, de vader van Gideon. Ze eisen, dat hij zijn zoon naar buiten laat komen, want ze willen hem doden.
    Maar Joas zegt: „Willen jullie voor Bašl vechten? Wie dat doet, zal nog deze morgen gedood worden. Als Bašl een god is, laat hij dan voor zichzelf strijden."

    Vanaf die dag kreeg Gideon de naam Jerubbašl.
    De Midianieten en de Amalekieten waren intussen de Jordaan overgestoken en hadden zich gelegerd in de vlakte van JizreŽl.
    Gideon verzamelde toen een leger, dat niet alleen bestond uit AbiŽzrieten, waartoe Gideon zelf behoorde, maar hij riep ook mannen op uit Manasse, Aser, Zebulon en Naftali.
    Maar weer begon Gideon te twijfelen.
    Hij bad tot God opnieuw om een teken. Hij zei: „Ik leg een vlies wol op de dorsvloer. Als er dan alleen op dat vlies dauw komt en verder nergens, dan zal dat mij overtuigen, dat ik de vijand kan verslaan."
    Toen hij de volgende morgen opstond, was inderdaad alleen het vlies bedauwd. Een hele schaal water kon hij eruit persen.
    Maar nog was hij niet overtuigd en opnieuw bad Gideon tot God: „Laat mij nog ťťn keer de proef nemen. Laat nu alleen het vlies droog blijven en het hele land bedauwd."
    En weer deed God wat Gideon vroeg. Nu was Gideon overtuigd en hij riep zijn mannen samen.
    Ze legerden zich bij de bron van Harod. Dat was ten zuiden van de legerplaats van de vijand.
    Maar dan zegt God, dat hij veel te veel mannen heeft. Met zo'n grote legermacht zou IsraŽl zich er wellicht op kunnen beroepen, dat ze de vijand op eigen kracht hadden overwonnen.
    God zegt: „Laat iedereen die bang is voor de strijd zich terugtrekken."
    TweeŽntwintigduizend mannen verlieten de legerplaats en gingen terug naar huis. Tienduizend hield Gideon over.
    Maar dat aantal vond God nog veel te groot. Gideon moest toen met de mannen naar de waterkant gaan om hen te laten drinken. Mannen, die staande met de hand water opschepten om te drinken moesten afgezonderd worden van de mannen, die op hun knieŽn gingen om te drinken. Slechts driehonderd dronken staande uit de hand. Alle overigen gingen op de knieŽn.
    Toen liet God aan Gideon weten, dat hij de vijand moest overwinnen met de driehonderd, die staande uit de hand hadden gedronken. De overigen konden huiswaarts keren.
    Toen het nacht werd liet de Here aan Gideon weten, dat nu de tijd gekomen was om de vijand te verslaan.
    Maar God wist natuurlijk, dat Gideon nog steeds bang was om de aanval in te zetten. God gaf toen aan Gideon de raad om eerst met zijn dienaar Pura naar de legerplaats van de vijand te sluipen om te horen wat daar gezegd werd.
    Voorzichtig en op hun hoede slopen Gideon en Pura naar het vijandelijke kamp. Ze zagen de geweldige overmacht van de Midianieten en Amalekieten.
    Toen ze dicht genoeg waren genaderd om te kunnen horen wat er besproken werd, hoorden ze een man een droom vertellen aan zijn maat.
    Hij had gedroomd, dat een gerstebrood het kamp kwam binnenrollen en daarbij de grote tent omver stootte. Zijn maat antwoordde toen: „Dat kan niet anders zijn dan het zwaard van Gideon. God heeft ons in zijn macht gegeven."
    Toen Gideon dat hoorde aanbad hij God en spoedde zich terug naar zijn eigen kamp.
    Onmiddellijk riep hij zijn mannen bij elkaar. Hij verdeelde de driehonderd in drie groepen van elk honderd man.
    Hij voorzag alle mannen van hoorns en lege kruiken met daarin fakkels. Doordat die fakkels in de kruiken waren, was het schijnsel ervan niet door de vijand waar te nemen.
    Gideon zei toen tot zijn manschappen: „Nu moeten jullie straks goed opletten. Als ik het sein daartoe geef, moeten jullie allemaal tegelijk op je hoorn blazen en de kruik breken. En dan moeten jullie luidkeels roepen: Voor de Here en voor Gideon!"
    Aldus geschiedde. Bij het vijandelijke legerkamp aangekomen blies Gideon op zijn hoorn en brak hij zijn kruik stuk. En alle mannen volgden zijn voorbeeld en riepen met luide stem: „Voor de Here en voor Gideon!"
    Door dat kabaal ontstond grote verwarring bij de vijand. Ze vluchtten alle kanten op. Ze zagen elkaar voor de tegenstander aan, zodat ze hun eigen mensen aanvielen.
    Alle mannen van IsraŽl werden vervolgens opgeroepen om de Midianieten en Amalekieten te achtervolgen en te verjagen.
    Gideon stuurde ook ijlboden naar het gebergte van EfraÔm om de vijand bij de Jordaan de pas af te snijden.
    Twee vorsten van Midian werden gevangen genomen, Oreb en ZeŽb. Oreb werd gedood op de rots Oreb en ZeŽb vond de dood in de perskuip ZeŽb.
    Die rots en die perskuip kregen die naam pas naderhand, naar aanleiding van deze gebeurtenis.
    De hoofden van de twee gedode vorsten brachten ze naar Gideon, zodat hij kon zien, dat ze echt gedood waren.
    De mannen van EfraÔm echter, zeiden tegen Gideon: „Wat is dat nou voor een manier van doen Gideon, waarom hebt u ons niet geroepen om met u tegen Midian ten strijde te trekken?"
    Maar Gideon antwoordde: „Jullie moeten niet zeuren. Jullie hebben ook je aandeel in de strijd gehad. Hebben jullie niet de Midianieten opgevangen en hun twee vorsten Oreb en ZeŽb gedood? Of dachten jullie soms, dat dat niet belangrijk was?"

    In de Bijbel staat het iets anders, meer in de vorm van een gelijkenis. Er staat:

  • Is de nalezing van EfraÔm niet beter dan de wijnoogst van AbiŽzer?
  • Onder 'nalezing' moeten we verstaan het verzamelen van de druiven, die bij de wijnoogst achtergebleven zijn. Denk maar aan Ruth, die op het veld korenaren ging 'lezen'.
    Gideon vergelijkt nu het vervolgen van de vluchtende Midianieten en het gevangen nemen van de twee vorsten met het 'nalezen' van druiven.
    Met de wijnoogst van de AbiŽzer bedoelt Gideon natuurlijk zichzelf, want hij was een AbiŽzer.
    Nadat Gideon zo tegen hen gesproken had, bedaarden de mannen van EfraÔm.
    Bij de Jordaan aangekomen, stak Gideon de rivier met zijn driehonderd mannen over. Ondanks hun vermoeidheid zetten ze de vervolging voort.
    Ze kwamen in Sukkoth, gelegen aan de overkant van de Jordaan, bij de beek Jabbok, in het erfdeel van Gad.
    Daar vroeg Gideon om brood voor zijn vermoeide mannen.
    Maar dat wordt hem geweigerd. De bestuurders van Sukkoth
    (de Bijbel noemt hen vorsten) weigeren alle medewerking. Ze bespotten Gideon zelfs. „Je gedraagt je als een overwinnaar," zeggen ze. „Maar je hebt de strijd nog lang niet gewonnen. Je moet de huid niet verkopen voor de beer geschoten is."
    Dat schiet bij Gideon in het verkeerde keelgat.
    „Wacht maar," zegt hij, „als ik de vijand verslagen heb kom ik terug en dan zal ik uw lichamen met woestijndoorns en distels dorsen."
    'Met doornen der woestijn' staat in de oude Statenvertaling. Er bevond zich dichtbij Sukkoth namelijk een woestijn. Die woestijn lag tussen Sukkoth en PnuŽl aan de beek Jabbok. De beek, die Jacob overgetrokken was, nadat hij met God geworsteld had. Jacob zei toen: „Dit is Gods veld." En hij noemde het 'MahanŠÔm' Daarom wordt deze woestijn, omdat hij er dichtbij ligt 'De woestijn van MahanŠÔm' genoemd.
    Gideon trekt verder met zijn mannen en ze komen in PnuŽl
    (of PniŽl). Deze naam had Jacob aan deze plaats gegeven, omdat hij daar God had ontmoet. PniŽl betekent 'Gods aangezicht'.
    Ook in PnuŽl vroeg Gideon om brood voor zijn mannen, maar ook hier werd het hem geweigerd. Men reageerde eigenlijk net zoals men in Sukkoth gereageerd had.
    Gideon zei toen: „Als ik behouden uit de strijd terugkom, zal ik deze toren afbreken. Die toren was voor de mensen van PnuŽl als een vesting, waarin ze zich bij gevaar konden verbergen en waarin ze zich veilig voelden.

    Zebah en Zalmuna, twee vorsten van Midian, hadden zich intussen met het restant van hun legermacht in de plaats Karkor gelegerd. Van het eens zo machtige leger waren slechts vijftienduizend man over. Honderdtwintigduizend mannen waren gesneuveld.
    Ze voelden zich daar volkomen veilig. Ze hadden er geen erg in, dat Gideon hen zo dicht op de hielen zat.
    Gideon trok op langs de weg der tentbewoners ten oosten van Nobah en Jogbeha, zo lezen we in de Bijbel.
    Met die tentbewoners worden Arabieren bedoeld, die ook wel 'scenitae' genoemd worden, wat betekent 'tentenaars'.
    Gideon overrompelde dit leger en joeg het uiteen, terwijl hij de beide vorsten Zebah en Zalmuna gevangen nam.
    Na zijn overwinning trekt Gideon terug langs de pas van Heres, zo lezen we in de nieuwe vertaling. In de oude Statenvertaling staat ook nog een andere uitleg, maar daar zullen we ons nu maar niet verdiepen.
    Hij kreeg een jongeman uit Sukkoth te pakken. Van hem wilde Gideon precies alle namen van de vorsten en oudsten van Sukkoth weten, omdat hij wilde voorkomen, dat hij verkeerde mensen zou straffen. Zevenenzeventig namen kreeg hij.
    Vervolgens ging Gideon naar Sukkoth en zei: „Hier zijn de vorsten Zebah en Zalmuna om wie gij mij gehoond hebt."
    Gideon liet toen alle vorsten en oudsten bij zich komen en strafte hen, zoals hij eerder aangekondigd had. Ook de toren van PnuŽl brak hij af en bovendien doodde hij alle vorsten van de stad. Gideon liet niet met zich spotten.
    En dan richt hij zich tot Zebah en Zalmuna: „Waar zijn de mannen, die gij op Thabor gedood hebt?" In de oude Statenvertaling staat dat duidelijker vind ik, daar staat
    'Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt?'
    Thabor was een berg, gelegen in Zebulon, dichtbij de beek Kison, tegenover het dal JizreŽl.
    Ze antwoorden dan: „Het waren mannen van uw gestalte, het leken koningszonen."
    „Het waren mijn broers," zegt Gideon. „Als jullie hen niet hadden gedood, dan zou ik jullie nu ook laten leven, maar nu moeten jullie sterven."
    Gideon geeft dan zijn oudste zoon Jether opdracht de twee te doden. „Sta op en dood hen," zegt Gideon. Maar Jether is nog erg jong en heeft de moed niet zijn vaders opdracht uit te voeren.
    Dan zeggen Zebah en Zalmuna: „ Laat zien, dat je een man bent en dood ons zelf."
    Dan doodt Gideon de twee en ook neemt hij de maantjes, die hun kamelen aan de hals droegen. Die maantjes, waren gouden halsversieringen, die de vorm hadden van de volle maan.

    Nu het volk van IsraŽl ziet, dat Gideon de Midianieten en Amalekieten heeft verslagen vragen ze hem: „Heers over ons, wees onze koning. En na u uw zoon en kleinzoon. U hebt ons vrede en vrijheid gebracht."
    „Nee mensen," zegt Gideon, „ik zal niet over u heersen. De Here zal uw Leidsman zijn."
    Hieruit kunnen we duidelijk afleiden, dat richters geen koningen waren, maar mensen, geroepen om verlossing en bescherming te geven.
    Maar Gideon vraagt nog wel iets van de mensen. Hij vraagt van ieder een ring uit zijn buit. Men had veel buit gemaakt op de vijand, waaronder ook gouden ringen. In de oude Statenvertaling wordt niet gesproken van ringen, maar van voorhoofdsiersels. Het Hebreeuwse woord betekent echter niet alleen voorhoofdsiersel, maar ook oorsiersel. Dat zullen oorringen geweest zijn en die ringen zullen in de nieuwe vertaling bedoeld worden. Bij de vijand had men die ringen gedragen, omdat zij IsmaŽlieten waren. Blijkbaar was dat bij hen gebruikelijk.
    Er werd een mantel uitgespreid en daarop wierpen de mensen de ringen. Het waren er heel veel. Hun totale gewicht bedroeg zeventienhonderd gouden sikkels.
    Van al die ringen en nog andere buitgemaakte gouden sieraden maakte Gideon een efod. Volgens de oude Statenvertaling was een efod een lijfrok, speciaal voor de hogepriesters. Maar dan wel een lijfrok van goud. Het is een beetje moeilijk om je daar een voorstelling van te maken. Gideon plaatste die efod in zijn stad Ofra op een hoge paal als gedenkteken van de overwinning.
    Heel IsraŽl bedreef er afgoderij mee, zoals men ook gedaan heeft met de door Mozes opgerichte koperen slang.
    En dan lezen we, dat de efod voor Gideon en zijn huis tot een valstrik werd. De afgoderij van het volk IsraŽl werd Gideon als zonde aange- rekend. Hij had die efod niet moeten maken en zeker niet te pronk hebben gezet, omdat hij moest weten, dat het volk tot afgoderij geneigd was. Met die efod had Gideon als het ware die afgoderij uitgelokt.

    Midian was echter verslagen. Voorgoed!
    Het volk IsraŽl had toen veertig jaar rust.

    Gideon had zeventig zonen, hem geschonken door zijn vele vrouwen.
    Hij stierf op hoge leeftijd en werd begraven in het graf van zijn vader.

    Terug