Focco Ukena

 

Focco Ukena was een zeer avontuurlijk man, een Napoleon in zakformaat, maar dan wel wat ruwer. Maar daarvoor leefde hij ook in de middeleeuwen.
Veertig jaar lang was hij de schrik van heel Friesland, ook het gebied tussen Eems en Lauwers.
Hij was van voorname afstamming. De zetel van het geslacht der Ukena's was de borg Edramoor in Mormerland.
Er bestaat een munt, nog wel de oudste der tot nu toe bekende hoofdelingenmunten van Oost-Friesland, een Tournois uit het midden der 14e eeuw, van 'Uko, domicus' met een typische rand van 12 lelies.
Deze Uko was de vader van Focco Ukena. De moeder van Focco was Amke van Lengen.
Focco's familie was dus wel van voorname stand, maar het geld om deze stand op te houden ontbrak.
Volgens oude Friese kronieken heeft Focco zich als jongen veel onder het ruwe krijgsvolk opgehouden. Waarom de jongen bij deze bandeloze soldatenbendes terecht was gekomen, is niet bekend, maar vermoedelijk niet van weelde. Misschien is hij door armoede tot het avontuurlijke leven van die stropende bendes van middeleeuwse huursoldaten gedreven en heeft hij op die manier de harde Spartaanse opvoeding gekregen, die voor heel zijn leven zijn stempel op hem gezet heeft.
Na het doorlopen van deze harde leerschool kwam hij in aanraking met Keno tom Broke, de bekende Oostfriese hoofdeling, hoofd van de partij der Vetkoopers.
Wij moeten echter niet denken, dat de berooide avonturier als ondergeschikte door Keno in dienst werd genomen. Integendeel, Keno heeft hem als volwaardig partijgenoot in zijn 'fliuta' opgenomen.
Reeds vr 1417 moet Focco, misschien enigszins als vazal, maar toch als heer over Mormerland beschouwd worden.

Keno en Focco hebben allebei groot profijt van hun bondgenootschap gehad. Keno vond in Focco een zeer bekwaam troepenaanvoerder, die hem menige overwinning in Friesland heeft bezorgd. Focco van zijn kant kreeg niet alleen de goederen van zijn voorvaderen terug, maar hij werd ook een vermogend man, door de buit, die hij uit zijn overwinningen wist te behalen.
Intussen was Focco getrouwd met Theda van Reide, van wie wij zo goed als niets weten. Ook is niet bekend, hoe lang hij met haar getrouwd was. Theda moet vr 1411 zijn gestorven, want in dat jaar trouwt Focco met Hiddeke van Witwert, Dijkhuizen en Garreweer, de dochter van Sjabbo van Garreweer.
Uit beide huwelijken had hij kinderen. Van zijn dochter Bawa schijnt niet vast te staan of zij uit het eerste of uit het tweede huwelijk was.

Na de dood van Keno tom Broke vangt de strijd aan tussen diens zoon Occo II en Focco Ukena. Beiden streefden naar oppermacht in n hand. Beiden droomden van een heerschappij over een groot, machtig Friesland, zich uitstrekkend van het Flie tot aan de Weser.
Geen van beiden heeft deze droom verwezenlijkt gezien, hoewel Focco in de strijd tegen Occo de overwinning heeft behaald.
Wilde Focco zijn tegenstander met succes bestrijden, dan moest hij eerst 'partyesluden' zoeken en hij moest die trachten te vinden onder de rijksten en machtigsten van het land. Daartoe bezat hij geen beter middel, dan zijn kinderen uit te huwelijken aan de groten van Oost-Friesland. Zijn zoon Udo trouwde met Hymba of Hyma Itzinga van Norden in 1421. Vier jaar later trouwde zijn zoon Uko met Hebe van Dornum. In 1426 trouwde zijn dochter Amke met Sibet van Rustringen, die naast Occo II de machtigste hoofdeling van Oost-Friesland was. Met wie zijn zoon Tyo getrouwd was, is niet bekend. Wel is van hem bekend, dat hij als heer van Neermoor op de oude stamborg Edramora zat.
Het staat niet alleen vast, dat Focco zijn kinderen machtige huwelijken deed sluiten, maar het is ook zeker, dat hij daarmee niet het geluk van zijn kinderen wilde bevorderen, doch daarmee allereerst een vijandige omsingelingspolitiek tegen Occo II heeft gevolgd.
Toen zijn 'fliuta' groot en machtig was, ving Focco de strijd aan en in drie veldslagen wist hij zijn tegenpartij absoluut te vernietigen.

In 1426 versloeg hij in de slag bij Deteren de aartsbisschop van Bremen, n der bondgenoten van Occo II.
In 1427 verslaat hij de Groningers, eveneens bondgenoten van Occo. Deze slag was bij Oterdum. In deze strijd stonden de Ommelanders, die de kans schoon zagen de gehate stad een hak te zetten hem trouw ter zijde. Hun succes was groot. In deze slag vielen er veel Groningers en werd hun aanvoerder gevangen genomen.
Focco had te Oterdum een burcht, die aan zijn vrouw behoorde en hier vond hij dus dadelijk een vast punt, van waaruit hij de strijd kon aanbinden.
Op weg naar Oterdum begonnen de Groningers maar vast met een aanval op het niet bezette Dijkhuizen en roofden er alles uit wat maar enige waarde had.
In 1428 heeft de stad die vernielpartij lelijk moeten bezuren, want toen moest aan Focco schadevergoeding worden betaald.
Een derde overwinning werd door Focco behaald op de Wilde Akkers in Oost-Friesland. Dit was ook in 1427, slechts drie weken na de slag bij Oterdum.
Occo II werd hier niet alleen verslagen maar ook gevangen genomen. Hij werd in Leer in Focco's burcht opgesloten.
Het oude huis Tom Broke werd gesloopt en tot de grond verwoest.
Na deze schitterende overwinning stond Focco op het toppunt van zijn macht. Weliswaar heeft hij zich nooit hoofdeling van Oost-Friesland genoemd, maar hij was het wel. Hij heerste niet alleen over het land van Oost- Friesland, doch ook over het land tussen Eems en Lauwers. Hij gaf aan dat land, waarin de goederen van zijn vrouw Hiddeke lagen, zijn beroemde Willekeuren, die rechtspraak, bestuur en dijkwezen regelden en deze streken aan de invloed van Groningen onttrokken.
Zo heerste hij van de Lauwers tot de Weser oppermachtig!
Maar dan keert de wispelturige Fortuna hem de rug toe.
De Cirksena's verschijnen op het toneel en komen voor de gevangen Occo op.
Focco trekt zich terug in zijn sterke burcht te Leer, maar wordt daar door een sterke strijdmacht ingesloten. Toch weet hij door nacht en nevel dwars door het leger van zijn vijanden te ontkomen. Nu wordt ook Focco's burcht verwoest en met de grond gelijk gemaakt.
Zijn kansen stonden helemaal niet zo gunstig. Zijn eigen onderdanen hadden zich bij zijn tegenpartij aangesloten.
Aan zijn zoon Tyo op Edramoor in Mormerland had hij niet veel. Ook Udo en Uko konden geen hulp bieden. Of de Ommelanders hem nog op het goed van zijn vrouw Hiddeke zouden dulden, was nog de vraag. In elk geval zouden ze hem niet graag in een nieuw avontuur over de Eems willen volgen.
Toch bestookte Focco een tijdlang, van het Munsterse Sticht uit, zijn tegenstanders op gevaarlijke strooptochten, die hem veel buit opleverden en die zijn naam als de 'flegende' ruiter hebben gevestigd.
Maar weldra moest hij wijken naar Groningerland.
En daar zat nu de trotse adelaar gevangen.
Alles wat hij in Oost-Friesland had bezeten aan burchten en landerijen moest hij achterlaten.
Ook zijn beide zoons Uko en Udo en zijn schoonzoon Sibet moest hij achterlaten, zij waren in 1433 gesneuveld.
In de slag bij Bargerbur bij Norden werd in dat jaar voorgoed afgerekend met de macht van Focco's aanhangers en hierdoor werd de oude vechtersbaas voor altijd de kans ontnomen tot herstel van zijn vroegere machtspositie.
Zijn droom van roem en grootheid was ten einde. Slechts een paar kleine plekjes grond, hier en daar in de Ommelanden verstrooid, vormden het gebied, waar hij heersen mocht.
Van de kinderen uit zijn eerste huwelijk bracht hij alleen Amke, de weduwe van Sibet, mee naar de Ommelanden. De kinderen uit het tweede huwelijk waren er allen.
Amke heeft spoedig haar weduwenkleed afgelegd en is hertrouwd met Evert Sickinge, de man, die in het midden van de 15e eeuw herhaaldelijk voorkomt als proost van Loppersum en hoofdeling te Winsum.
Tyo is vermoedelijk met de vijanden van zijn vader tot overeenstemming gekomen en in Oost-Friesland gebleven.

Zo had tenslotte deze Napoleon in zakformaat ook zijn St. Helena gevonden.
Lang heeft hij het in ballingschap niet uitgehouden. In 1435 is hij op 29 augustus op Dijkhuizen gestorven. Hij is toen begraven of bijgezet in of bij de Augustijner kerk te Appingedam.
Toen de kerkvoogdij van Appingedam in 1705 de oude bouwvallige Augustijner kerk wilde afbreken, is daartegen verzet gekomen van mevrouw Ripperda uit Oosterwijtwerd, een nakomelinge van Focco Ukena.
Zij heeft toen met de kerkvoogden gecontracteerd, dat de zuidmuur van die kerk, langs het kerkhof, zou blijven staan.
Welk belang kan mevrouw Ripperda daar bij gehad hebben? Hierop lijkt maar n antwoord mogelijk: bij die zuidmuur moet de grafkelder of het graf van Focco Ukena geweest zijn. En de plaats daarvan heeft zij in ere willen houden.
Focco's nagedachtenis werd ook door zijn nageslacht geerd door de instandhouding van een brokstuk van de zuidelijke muur van de borg Dijkhuizen.

Na de dood van Focco hebben lelijke geruchten de ronde gedaan over zijn vrouw Hiddeke, de achterblijvende weduwe.
Zij zou haar man hebben vergiftigd.
Dit was misschien niet meer dan een vaag gerucht, maar het feit, dat zo'n gerucht verspreid kon worden, wijst er toch wel op, dat het huwelijk niet al te gelukkig was geweest.
Het zou ook helemaal niet zo verwonderlijk zijn, als Focco op zijn oude dag, na zoveel desillusie en in vernederende ballingschap een onhandelbare brombeer was geworden.
Wie weet hoeveel Hiddeke van zijn kuren en nukken zal hebben geleden en onder zulke omstandigheden heeft menige middeleeuwse vrouw haar man vergiftigd.
Het spreekt vanzelf, dat er na de dood van zo'n man van spokerijen gehoord werd.
Hij stierf in een tijd, waarin onrustige mensen zelfs in hun graf geen rust konden vinden. Onthoofde burchtheren keerden naar hun huizen terug om er door holle gangen en donkere kelders of langs stoffige torentrappen met het hoofd onder de arm rond te dwalen. De boeren van Overledingerland hebben nog eeuwen lang aan hun kinderen verteld van de 'Flegende Foc- co', die als een soort wilde jager uit Wodan's legerscharen rusteloos door de lucht reed, evenals hij tijdens zijn leven als de 'vliegende ruiter' in wilde stormnachten over de Oostfriese slagvelden had gereden.
Op het Huis te Oosterwijtwerd heeft zijn portret nog eeuwenlang voor de schoorsteen gehangen.
Het opschrift erboven luidde:
Focco Ukena van Brokum Hueling to Edermoer end Ler Her van Aurich end Brockmerland offte Brocum.
Ook zijn wapen was hierbij afgebeeld. Dit was een witte leeuw in een blauw veld met een rode omgekeerde kroon om de hals. Deze kroon moet bewijzen, dat Focco uit een heel oud en voornaam geslacht stamde.
Karel de Groote zou namelijk reeds aan sommige Friezen de ridderslag gegeven hebben. De tot ridder geslagenen ontvingen dan een schild met de keizerlijke kroon. In het wapen van Oost-Friesland staan niet minder dan drie geslachten met zulke keizerskronen.
De harpij der Cirksena's draagt er n, de adelaar der Tom Broke's zelfs drie, en de klimmende leeuw in het wapen der Ukena's draagt er n, omgekeerd als halsband.
En ding moet tenslotte nog uit het veelbewogen leven van Focco Ukena worden verteld, namelijk het bouwen van Dijkhuizen en het Huis te Oosterwijtwerd.
Hij heeft waarschijnlijk de huizen, die Hiddeke hem aanbracht, niet mooi genoeg gevonden. Iemand, die droomde van een gravenkroon en van de heerschappij over een groot Friesland moest natuurlijk in een mooi huis wonen.
Het is niet waarschijnlijk, dat Focco iets geheel nieuws gebouwd heeft. Vermoedelijk heeft hij het reeds bestaande Huis te Oosterwijtwerd en Dijkhuizen bij Appingedam vertimmerd, verfraaid en vergroot.

Bron: GVA 1935 - Ds. M. ten Broek


TERUG