Evert Jan

 

Met een vermoeid gebaar streek ze een onwillige lok van haar voorhoofd en keek op de klok. Het was al ver na middernacht. Ze verlangde naar haar bed, maar het had geen zin om naar bed te gaan, want ze wist zeker, dat ze toch niet zou kunnen slapen, zolang Evert Jan nog niet thuis was.
Haar man sliep al. Tegen twaalf uur was hij nog weer naar beneden gekomen. „Emmy, goa nou toch sloap'n," had hij gezegd. Maar zij had resoluut haar hoofd geschud. Ze had geen zin om eindeloos te liggen woelen in bed.
In de verte blafte een hond. Het was guur buiten. De harde noordoosten wind deed hun kleine woning in Borgsweer kraken in al haar voegen. De regen striemde tegen de ramen.
Telkens als ze een brommer hoorde naderen, veerde ze op in de hoop, dat het Evert Jan zou zijn. Maar telkens zakte ze weer teleurgesteld terug in haar stoel.
Ze begreep niet, dat haar man Geert zo rustig kon slapen. Maakte hij zich dan geen zorgen als hun zoon zo laat thuis kwam? Maar eigenlijk had hij zijn slaap ook wel hard nodig, want hij moest de volgende morgen weer vroeg opstaan om op tijd op zijn werk te zijn. Hij was kraanmachinist in de haven van Delfzijl.
Voor de zoveelste keer keek Emmy op de oude pendule, die op de schoorsteenmantel de minuten wegtikte.
Twintig over twee was het al.

Op het politiebureau aan het Johan van den Kornputplein in Delfzijl zat wachtcommandant Snijders zonder veel interesse in een oud nummer van Panorama te bladeren.
Nachtdiensten waren nooit zijn hobby geweest. Ze waren meestal nogal saai. Soms kon Snijders zijn collega's in de stad benijden, daar was vaak wel het een en ander te beleven. Hoewel dat natuurlijk ook zijn schaduwkanten had. Vooral als het zulk slecht weer was als nu. Dan was het toch wel prettig, dat je rustig binnen kon blijven.
Het tijdschrift, dat hij voor de zoveelste keer doorbladerde, kon hem niet boeien. Herhaaldelijk zakte zijn hoofd dan ook met kleine schokjes voorover. Hij had moeite wakker te blijven. Daar had hij anders eigenlijk nooit last van, maar de avond ervoor was het nogal laat geworden. Zijn vrouw was jarig geweest en het was al ver na twaalven toen de laatste gasten vertrokken. Jan en Tiny Hoekzema maakten het altijd erg laat. Hoewel hij er een paar keer op gezinspeeld had, dat hij de volgende avond nachtdienst had, bleven ze toch plakken.
Zich vermannend stond hij op en ging in het wachtlokaal heen en weer lopen. Na een paar minuten schonk hij zich een kop sterke koffie in om de slaap te verdrijven. Hij rommelde nog eens in de stapel lectuur op zoek naar iets wat nog enigszins leesbaar was. Tot zijn verrassing vond hij daar een vrij recent nummer van AutoWeek. Dat was andere koek, dan zo'n oude Panorama.
Soms kon hij wel eens jaloers zijn op zijn collega Henk Jongejan. Die vond nachtdiensten juist leuk. Hij had altijd zo'n draagbare computer bij zich, dat was een laptop volgens Henk. Daarmee verveelde Henk zich geen minuut. Hij had altijd wel iets te doen. Pas nog had hij een soort levensbeschrijving van zichzelf gemaakt, zoiets als een autobiografie, maar wel met een ietsiepietsie fantasie, had Henk gezegd. En momenteel was hij bezig een kort verhaal te schrijven voor een wedstrijd van de Oude Groninger Kerken. Zo'n verhaal moest volgens Henk wel iets te maken hebben met een Groninger kerk.
Zijn verhaal zou gaan over de kerk van Marsum. Dat moest één van de oudste Groninger kerkjes zijn, gebouwd in 1160, wist Henk te vertellen. Hij vertelde trouwens ook, dat er op dat kerkje monniken en nonnen* lagen.
Nou, ze konden Jan Snijders veel wijs maken, maar dat geloofde hij toch beslist niet. Maar toch wist Henk aardig wat van oude kerken, hij had er ook al eens diaseries over gemaakt.

Zwaar traliewerk beschermde de juwelierszaak van Klaas Jan van der Woude in Farmsum. De zaak van Klaas stond aan de Borgshof, schuin tegenover de basisschool Rengersborg. Klaas had een goedlopende zaak. Hij was gelukkig getrouwd met zijn twee jaar jongere vrouw Diny. Hij was gelukkig in tweeërlei opzicht.
Met Everdina Carola van der Noord had hij niet alleen een lieve en knappe vrouw gekregen, maar zij was bovendien dochter en enig kind van Johannes Pieter van der Noord, die eigenaar was van een uiterst welvarende juwelierszaak, waarin Klaas van der Woude zijn rechterhand was.
Na het verscheiden van de oude van der Noord erfden Klaas en Diny natuurlijk de zaak, waarmee ze een gouden toekomst tegemoet gingen. De moeder van Diny bleef eerst nog ruim twee jaar bij hen inwonen. Toen kwam er een plaatsje vrij in het van Julsingha Tehuis in het Koningin Wilhelminapark in Delfzijl, waar ze al geruime tijd stond ingeschreven.
Net als de ouders van Diny, hadden Klaas en Diny slechts één kind, een dochter van zeventien. Dat was Klaas zijn oogappel. Ze heette Titia Clara, maar hij noemde haar altijd Titi.

In een portiek tegenover de juwelierszaak had zich iemand verdekt opgesteld. Hij huiverde in zijn dunne jack. Met de capuchon ver over zijn hoofd getrokken hield hij de woning van de juwelier nauwlettend in de gaten. De woning bevond zich boven de winkel. Alles leek in diepe rust. Plotseling flitste het licht aan achter een der ramen. De persoon met de capuchon uitte een gesmoorde verwensing.
Na een paar minuten ging het licht weer uit. Moeder Diny was wezen plassen.
„Nou mou'k op zien minst nog weer 'n half uur wacht'n," gromde hij zachtjes.
Hij keek op de verlichte wijzerplaat van zijn horloge.
Twintig over twee was het al.

Emmy van der Hoek schrok wakker uit een lichte dommel. In de verte rolde de donder. Ze keek op de pendule. Het was kwart voor drie. Behalve ongerust was ze nu ook erg kwaad op haar zoon Evert Jan. Hij had haar stellig beloofd het niet te laat te maken. „Veur twaalf uur bin'k thoes, echt woar!" Ze hoorde het hem nog zeggen.
Slaperig slofte ze naar de keuken om wat melk op te warmen. Ze nam er een paar biscuitjes bij.
Daarna sloop ze naar de slaapkamer van de kleine Jolanda, een nakomertje van bijna tien jaar. Voorzichtig opende ze de deur op een kier. Maar gelukkig sliep haar jongste rustig.

De persoon in de portiek keek weer op zijn horloge. Kwart voor drie was het. Hij vond, dat hij nu lang genoeg gewacht had.
Hij pakte zijn gé-es-emmetje uit zijn zak en schoof voorzichtig iets naar voren, zodat het licht van een straatlantaarn de toetsen op zijn gé-es-emmetje enigszins leesbaar maakte. Nauwkeurig koos hij een nummer: vier drie een zes drie twee. Hij liet de bel twee keer overgaan en verbrak toen de verbinding weer.
Vrijwel meteen zag hij het licht van een klein zolderkamertje in huize van der Woude aanfloepen.
Hij verliet de portiek en liep snel naar het eind van de straat. Daar stapte op zijn brommer en reed weg. Via Weiwerd reed hij naar Heveskes. Daar stond een oud en bouwvallig kerkje, gebouwd in het jaar 1200, dat al jaren niet meer voor de eredienst werd gebruikt. Eigenlijk zou het gerestaureerd moeten worden, maar daarvoor was geld nodig, veel geld.
Dat oude kerkje, dat in 1778 verbouwd werd, had nu een heel andere bestemming gekregen. Het was namelijk erg geliefd bij verliefde stelletjes.
De persoon uit de portiek ging opzij van het kerkje staan wachten. Een minuut of vijf later hoorde hij het geluid van een andere brommer naderen. Een felrode snorfiets stopte vlak voor zijn voeten. Er stapte een klein tenger figuurtje af dat zich bij hem voegde. Door een klein, scheefgezakt poortje slopen ze naar binnen. Het kerkje heeft een fraaie, opmerkelijke preekstoel, maar dat kon het stelletje op dat moment niet interesseren. Het viel trouwens in het donker ook niet op. Ze begaven zich naar een nis in het koor, waar ze beschut konden staan en niet de kans liepen brokken puin op het hoofd te krijgen.

„Eindelijk," fluisterde hij. „Wat heb'k noar die verlangd! Mien laive, laive Titia!"
„Stil moar," fluisterde zij terug, „ik bin der nou toch?"
Met de armen stijf om elkaar heen geslagen vonden hun lippen elkaar. Hartstochtelijk werd er gezoend. Het was een lange en innige omhelzing. Eindelijk hield hij haar iets van zich af en keek haar diep in de mooie bruine ogen.
„Mien allerlaifste," fluisterde hij, „wat hol ik toch gloepend veul van die!"
„Joa mien laiverd," fluisterde ze terug, „ik hol ook toch zo verschrikkeluk veul van die! Mien laive, laive Evert Jan!"
En opnieuw sloot Evert Jan zijn Titia, die hij op het Fivelcollege in Delfzijl had leren kennen, stevig in zijn armen.

Moeder Emmy was steeds vaker even ingedommeld.
En na enige tijd sliep ze als een roos in haar gemakkelijke stoel bij de haard.
Door het gehuil van de wind merkte ze helemaal niet, dat om kwart over vier iemand zachtjes door de achterdeur naar binnen sloop en stilletjes de trap opging, waar hij de deur van zijn slaapkamer uiterst behoedzaam achter zich sloot.

Op het politiebureau werd agent Snijders om zeven uur in de ochtend na een saaie en slaperige nacht afgelost door zijn collega Mulders.

* Zo werd een dakbedekking met afwisselend holle en bolle pannen genoemd.

Terug