E s t h e r

Heb je wel eens gehoord van een land, dat Medi heet? Nee? Van Perzi dan? Ook niet? Nou, misschien toch wel, want Perzi heet nu Iran. Gaat er nou al een lichtje bij je branden?

Iran is een groot land, daar past ons kleine Nederland wel veertig keer in. Dat land is zelfs nog groter dan Nederland, Belgi, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Oostenrijk en Zwitserland samen. Groot h?

Hl, hl lang geleden bestond er ook een land, dat Medi heette en samen met Perzi een koninkrijk vormde, het koninkrijk der Meden en Perzen.
Medi was een land, dat lag ergens tussen de rivier de Tigris en de Kaspische Zee. Vroeger hoorde het toe aan Assyri, dat was een groot wereldrijk met als hoofdstad Assur. Nineve is ook hoofdstad van Assyri geweest.
Maar ongeveer zesentwintighonderd jaar geleden kwam er een eind aan het grote rijk Assyri. Weer een tijd later werd het land Medi veroverd door koning Kyros van Perzi. Dat was in het jaar 511 voor Christus. Toen werden Perzi en Medi dus n koninkrijk.

Toen de geschiedenis, waar we het nu over gaan hebben, zich afspeelde was Ahasveros koning over het koninkrijk der Meden en Perzen. En het kan zijn, dat die Ahasveros een zoon was van die koning Kyros, die Medi veroverde.
Maar zeker is dat niet.

De titel boven dit verhaal luidt "Esther", want zij speelt een belangrijke rol in het verhaal. Daarom heet het bijbelboek, waarin deze geschiedenis staat beschreven ook "Esther". Eigenlijk heette ze Hadassa, maar later kreeg ze de naam Esther. Ze was een Jodin.

Als de machtige Ahasveros ongeveer drie jaar koning is, besluit hij om een groot diner te geven voor zijn onderdanen. En niet zomaar een gezellig etentje, dat om zes uur begint en om tien uur afgelopen is.
Niks hoor, zo'n feestmaal duurde maar liefst zeven dagen!
Het gaat ook niet alleen om het eten, de koning wil ook eens goed laten zien hoe rijk hij wel is.
Het feest wordt aangericht in de voorhof van de paleistuin.
Het is een en al pracht en praal.
Schitterende gordijnen worden met zilveren knoppen aan zuilen van wit marmer bevestigd.
De vloer is van albast, wit marmer, parelmoer en steentjes in verschillende kleuren.
Op die vloer staan prachtige gouden en zilveren rustbedden. „Waarom bedden?" zul je misschien denken. In die tijd zaten de mensen niet op stoelen te eten, zoals wij, maar ze lagen op hun zij op een soort rustbedden, waarbij ze op hun elleboog steunden. Erg gemakkelijk lijkt me dat niet, vooral niet als een maaltijd wat lang duurde.
Maar ook Jezus en Zijn discipelen lagen op zulke bedden toen ze het laatste avondmaal gebruikten.
Bij zo'n feestmaal werd natuurlijk ook veel wijn gedronken. Daarvoor hadden ze in die tijd geen glasservies, zoals tegenwoordig. Nee, ze dronken uit bekers, erg dure bekers.
De koning was een echte opschepper en daarom werd de wijn uit gouden bekers gedronken. En dat was nog niet alles, want al die bekers waren ook nog verschillend. Je kon er geen twee bekers aantreffen, die gelijk waren. Nou, dan moest je toch wel erg rijk zijn, want reken maar, dat al die spulletjes een hele hoop geld hadden gekost.

De koningin, waarmee de koning getrouwd is heet Vasthi. Dat was een heel erg knappe vrouw en daar was de koning dan ook erg trots op.
Koningin Vasthi gaf ook een diner, maar dat was alleen voor de vrouwen.
Als de koning een diner gaf, dan was dat altijd alleen voor mannen. De vrouwen deden niet mee. En daarom zorgde de koningin zelf voor een diner voor de vrouwen. Dat diner vindt plaats in het koninklijk paleis.
Op de zevende dag van het feest is de koning erg vrolijk. Hij is waarschijnlijk een beetje aangeschoten door de vele bekers wijn, die hij heeft gedronken.
En dan denkt de koning bij zichzelf: „Ik zal mijn gasten eens laten zien hoe buitengewoon bijzonder mooi mijn koningin wel is."
En dan stuurt hij een bode naar de koningin met de opdracht, dat ze voor hem moet verschijnen in haar mooiste kleren en met een lekker geurtje op en zo.
Dat was in die tijd heel anders dan nu. Toen kon een koning zijn koningin van alles bevelen en dat moest ze dan braaf doen.
Maar nu gebeurt er iets wat nog nooit gebeurd is. De koningin vertikt het om te komen! Nou, zoiets is onvoorstelbaar en ongehoord! De koning is razend. Hij springt van woede bijna uit zijn vel. Maar net op tijd denkt hij eraan, dat hij er daarna toch weer in moet kruipen en daarom doet hij het maar niet.
En onder de gasten wordt natuurlijk hevig gemompeld: „Heb je 't al gehoord? De koning is geen baas meer over de koningin. Ze vertikt het gewoon om voor hem te verschijnen."Vol spanning kijken ze allemaal naar hun woedende, razende en bijna uit zijn vel springende koning. Ze vragen zich af wat hij zal gaan doen.
Nou, koning Ahasveros hoeft er niet lang over na te denken, wat hij zal doen. Hij overlegt nog even met enkele van zijn hooggeplaatste raadslieden en dan staat zijn besluit vast. De koningin moet de laan uit! De koning wil haar niet meer zien. En alimentatie krijgt ze ook niet!
En dan is de zevende dag ook voorbij en iedereen gaat naar huis. Ze praten nog lang na over al de heerlijkheden, die ze gegeten hebben bij de koning. Ze vinden, dat de koning daar wel een gewoonte van mag maken.

Maar intussen zit de koning natuurlijk wel zonder koningin. Hij heeft natuurlijk nog vrouwen genoeg. Want de koningen van toen hadden een hele verzameling vrouwen. Maar uit al die vrouwen kozen ze n uit, die de titel van koningin mocht dragen. Daarvoor kozen ze natuurlijk altijd de mooiste en de liefste.
En onder de vrouwen, die hij nu nog heeft is er niet n, die de koning mooi en lief genoeg vindt om koningin te worden.
De dienaren van de koning raden hem dan aan om in het hele land naar mooie meisjes te laten zoeken. Dat lijkt de koning wel een goed idee.
Er worden dan in alle delen van het land ambtenaren aangesteld, die mooie meisjes moeten opzoeken en verzamelen.
Als al die ambtenaren een aantal meisjes bij elkaar hebben, worden al die meisjes naar de hoofdstad Suzan gebracht en daar worden ze bijeengebracht in het vrouwenhuis van de burcht Suzan. Ze staan daar onder toezicht van meneer Hega, dat is de bewaker van de vrouwen.
En dan wordt aan de koning meegedeeld, dat hij kan komen om een nieuwe koningin uit al die meisjes te kiezen. Dat is niet zo eenvoudig, want het zijn heel veel meisjes en de n is nog mooier dan de ander.
Maar er is uiteindelijk toch een meisje bij, waar de koning al een paar maal naar heeft gekeken. Dat leek hem wel wat. Het is een Jodinnetje, maar dat weet hij dan nog niet.
Het meisje heet Hadassa. Maar die naam houdt ze niet. De koning besluit, dat ze voortaan Esther zal heten. Die naam vindt hij mooier dan Hadassa.

Esther heeft geen ouders meer. Ze is opgevoed door een neef, dat is de zoon van een broer van haar vader. En die neef heet Mordechai. Het is ook op aanraden van Mordechai, dat ze niet direct vertelt, dat ze een Jodin is.
Nu moet je niet denken, dat Esther direct met de koning trouwt en op huwelijksreis kan gaan. Nee hoor! Ze moet eerst nog mooi gemaakt worden. Nog mooier dan ze al is. En zo'n schoonheidsbehandeling duurt een heel jaar. Het eerste halfjaar gebruiken ze daarvoor mirre-olie en het tweede halfjaar balsem en allerlei andere schoonheidsmiddelen.
En dan is het eindelijk zover, dat ze op een avond bij de koning gebracht wordt.
Gezellig zitten ze dan bij elkaar en drinken een kopje koffie. Esther is natuurlijk nog wel wat zenuwachtig, voor het eerst zo met de koning in hetzelfde vertrek te zitten. Maar Ahasveros stelt haar al gauw op haar gemak.
Esther mag niet steeds bij de koning blijven. De volgende dag moet ze weer vertrekken, weer naar een vrouwenhuis, maar niet naar het vrouwenhuis, waar ze eerst was. Ze komt nu in een tweede vrouwenhuis, speciaal voor bijvrouwen. En een meneer Sasgaz heeft het toezicht over dat vrouwenhuis.
Maar daar hoeft Esther gelukkig niet zo lang te blijven, want de koning vindt haar erg aardig en besluit, dat Esther zijn koningin moet worden en de plaats van Vasthi innemen.
De koning zet haar een koninklijke kroon op het hoofd en richt een groot feestmaal aan voor al zijn hoge dienaren ter ere van Esther. Een soort bruiloft dus. En daar hoort ook bij, dat de koning geschenken uitdeelt en vrijstelling van belastingen geeft.

Maar dan gebeurt er iets ergs. Twee kamerlingen hebben snode plannen beraamd. Ze heten Bigtan en Teres en ze willen een aanslag op de koning plegen. Wat een deugnieten h?
Weet je wat een kamerling is? Nee? Nou, kamerling is een ander woord voor kamerheer en een kamerheer is een hooggeplaatste dienaar aan het hof.
Maar gelukkig komt dit Mordechai ter ore en die vertelt het zo gauw hij de kans heeft aan zijn nicht Esther.
„Wel verdraaid!" zegt Esther. „Wat denken die schurken wel! Zomaar mijn kersverse heer gemaal om zeep helpen? Dat gaat zomaar niet! Ik begin er net een beetje aan te wennen, dat ik koningin ben."
En Esther vertelt aan de koning, wat Bigtan en Teres van plan zijn.
„Oei oei! Foei foei!" zegt de koning. Hij laat meteen een onderzoek instellen. En ja hoor, dan blijkt, dat het inderdaad zo is.
De koning stuurt meteen zijn lijfwacht erop af en laat het tweetal in de gevangenis werpen.
Zo. dat gevaar is geweken. De koning bedankt Esther vriendelijk, dat ze hem gewaarschuwd heeft en geeft haar een kusje.

Er is in dat land ook een man, die Haman heet. Wie dat geweest is, weten we niet precies, maar het is zelfs mogelijk, dat hij ook van koninklijke afkomst was.
En die Haman wordt nu door koning Ahasveros op een buitengewoon hoge positie geplaatst. Hoger dan alle andere hoge pieten in het koninkrijk. Hij wordt als het ware de rechterhand van de koning.
Maar dat is toch niet zo'n goed idee van de koning, want die Haman blijkt later helemaal niet zo'n beste te zijn.
De koning vaardigt dan een gebod uit, dat iedereen, die zich bij de poort van de koning bevindt als Haman daar voorbij komt, voor Haman moet knielen en zich in het stof werpen.
En iedereen doet dat dan ook braaf. Iedereen, behalve Mordechai.
„Haman," denkt Mordechai, „je kunt de pot op, ik kniel niet voor jou. Voor jou maak ik m'n kleren niet vuil."
De mensen zeggen dan wel tegen Mordechai: „Zeg Mordechai, je mag wel oppassen hoor! Straks neemt Haman je nog te grazen."
Maar Mordechai slaat alle waarschuwingen in de wind.
„Ik ben een Jood," zegt Mordechai, „en wij Joden buigen niet voor een mens, dat mogen wij niet eens."
Maar dan verklikken de mensen Mordechai bij Haman.
En dan gebeurt, waar de mensen Mordechai al voor gewaarschuwd hebben, Haman besluit Mordechai te grazen te nemen. En hij wil niet alleen Mordechai straffen, maar het hele joodse volk. Listig bedenkt hij dan een plan om alle Joden in het koninkrijk van Ahasveros uit te roeien.
Maar dat kan direct nog niet, want ze moeten eerst nog het lot, het Pur, werpen om het juiste tijdstip ervoor vast te stellen. Die Perzen waren een bijgelovig volk. En dat werpen van het lot was een heidens, Perzisch bijgeloof om een bepaald tijdstip vast te stellen.
Voor elke maand moeten ze dan het lot werpen. Ze beginnen met de maand Nisan en eindigen met de maand Adar. Die maand Nisan viel gedeeltelijk in onze maand maart en gedeeltelijk in april. En de maand Adar viel gedeeltelijk in onze maand februari en gedeeltelijk in maart.

Als dan eindelijk het lot een geschikte tijd heeft aangewezen, gaat Haman naar de koning.
„Majesteit," zegt Haman, „u bent koning over een prachtig en groot koninkrijk. Maar het is zo jammer, dat uw koninkrijk ontsierd wordt door een volk, dat verstrooid over uw land leeft. Ze hebben hun eigen wetten en van uw wetten trekken ze zich niets aan. Zou het niet beter zijn om dat volk maar uit te roeien?"
Haman vertelt er niet bij, dat het om het joodse volk gaat.
De koning heeft het volste vertrouwen in Haman. „Haman," zegt de koning, „je doet maar wat jou het beste lijkt. Weet je wat! Hier heb je mijn zegelring, dan kun je in mijn naam wetten uitvaardigen."
Haman lacht in zijn vuistje. Het wordt nog mooier, dan hij verwacht had. Want met die zegelring kan hij precies doen wat hij graag wil. Die zegelring betekende in die tijd hetzelfde als nu een handtekening. Als hij nu een wet maakt, dan lijkt het net of de koning die wet zelf heeft ondertekend.
En dan gaat Haman aan de slag. Hij laat brieven naar de bestuurders van alle delen van het land sturen, waarin uitvoerige instructies staan.
Op de dertiende dag van de twaalfde maand moeten alle Joden, ook vrouwen en kinderen, worden gedood. Erg h?
Als Mordechai hiervan hoort scheurt hij zijn kleren en hult hij zich in zak en as. Dat was in die tijd bij de Joden een teken van diepe droefheid en rouw. Met zo'n zak wordt een treurkleed bedoeld, die dan met as wordt bestrooid.
Luid klagend en jammerend trekt Mordechai zo door de straten en nadert tot de poort van de koning. Hij mag de poort niet binnengaan, want dat mag niet als je in rouwkleding gehuld bent.
Als Esther hoort van het gedrag van Mordechai schrikt ze hevig. Gauw stuurt ze iemand met kleren naar Mordechai, maar die wil hij niet aannemen.
Esther stuurt dan haar bediende Hatach naar Mordechai om te horen, waarom Mordechai zo ontstemd en bedroefd is.

Mordechai vertelt dan aan Hatach, wat Haman van plan is. Hij geeft hem zelfs een afschrift van de brief van Haman mee. Dan zegt Mordechai tegen Hatach: „Ga naar Esther en geef haar in mijn naam opdracht naar de koning te gaan om te proberen dit onheil af te wenden."
Als Hatach bij Esther komt en haar dit alles vertelt, schrikt Esther zich een hoedje!
„Ga gauw weer naar Mordechai," zegt Esther, „en zeg tegen hem, dat iedereen, die ongeroepen bij de koning durft te komen, grote kans loopt gedood te worden. Zo is de wet van dit land nu eenmaal. In hoge uitzonderingsgevallen toont de koning genade. Als hij de ongenode bezoeker zijn scepter toesteekt, dan is de koning bereid hem of haar te ontvangen."
Weet je wat een scepter is? Nee? Nou, een scepter is een kostbare staf, als teken van vorstelijk gezag. Je kunt het misschien wel een beetje vergelijken met de staf van Sinterklaas.

En dan gaat Hatach weer naar Mordechai om de woorden van Esther over te brengen. Maar Mordechai blijft aandringen. Hij vindt, dat Esther toch naar de koning moet gaan. Zij is immers zijn uitverkorene? Zijn lievelingsvrouw, die hij zelfs tot koningin gemaakt heeft? De koning zou toch niet zo dom zijn om zijn koningin nu alweer te verstoten? En dan weet Mordechai uiteindelijk Esther toch over te halen om met gevaar voor haar leven naar de koning te gaan.
Esther kleedt zich in haar mooiste koninklijke gewaad en gaat dan met trillende knien in de binnenste voorhof staan, tegenover de grote koningszaal, waar de koning op zijn troon zit.
Als de koning Esther ziet staan, bezwijkt hij voor haar charme en reikt haar zijn scepter toe. Esther haalt opgelucht adem en treedt nader. Ze raakt dan de punt van de scepter aan.
Dan vraagt de koning haar: „Wat wenst mijn geliefde koningin? Vraag het gerust, al is het ook de helft van mijn koninkrijk, ik zal het je geven!"
Maar Esther komt dan nog niet direct met haar verhaal over Haman zijn snode plannen. Nee, ze vraagt nu of de koning haar de eer wil bewijzen om samen met Haman bij haar te komen, want zij heeft een lekker maaltje voor hen gekookt. En daar zal ze dan haar wens aan de koning kenbaar maken.
De koning neemt haar uitnodiging aan. Hij stuurt direct iemand naar Haman om hem te halen en dan gaan ze naar de vertrekken van Esther, waar de tafel al gedekt is.
Ahasveros en Haman laten zich het feestmaal goed smaken. En ze zeggen tegen elkaar, dat Esther toch verdraaid lekker kan (laten) koken.
Als na de maaltijd de wijn is ingeschonken, vraagt de koning opnieuw naar de wens van Esther. En opnieuw zegt hij, dat ze mag vragen wat ze wil, al is het de helft van zijn koninkrijk.
Maar Esther aarzelt. Ze durft nog niet te zeggen, wat ze op haar hart heeft.
En tegen de koning zegt ze dan: „Mag ik alstublieft nog n dag om na te denken? Als de koning morgen opnieuw mijn gast wil zijn, samen met Haman, dan zal ik zeker mijn wens kenbaar maken."
„Goed hoor,"zegt de koning, al begrijpt hij de aarzeling van zijn koningin niet. „Wij zullen morgen weer van de partij zijn."

In een zeer opgewekte stemming en voldaan van de heerlijke maaltijd van de koningin gaat Haman naar huis.
Maar als hij door de poort komt, is het meteen weer gedaan met zijn goede humeur, want in de poort zit Mordechai, die het natuurlijk weer vertikt voor hem te buigen in het stof.
Narrig komt Haman thuis. Zijn vrouw Zeres ziet natuurlijk direct die grote donderwolk op zijn gezicht.
„Vanwaar die norse trekken op het gelaat van mijn heer gemaal?" vraagt ze. „Was het niet gezellig bij de koningin? Of was het eten niet lekker genoeg?"
„Jawel," bromt Haman, „het was buitengewoon aangenaam bij de koningin en ik voelde me zeer vereerd, dat ze alleen mij met de koning had uitgenodigd. En het eten was voortreffelijk! Ik heb in tijden niet zo lekker gegeten!"
„O, dankjewel," zegt zijn vrouw, „dus ik kook niet lekker genoeg meer voor jou? Maar als alles naar wens was, wat is dan de reden van je gramstorig gelaat?"
En dan vertelt Haman haar van zijn ontmoeting met Mordechai, die het steeds maar weer vertikt om hem, de grote Haman, de eer te bewijzen, die hem toekomt.
Ze roepen er enkele vrienden van Haman bij en samen overleggen ze dan wat ze moeten doen.
Plotsklaps krijgt n van hen een geweldig idee! „Weet je wat je moet doen Haman?" vraagt hij.
„Ik heb geen flauw idee," antwoord Haman.
„Het is heel eenvoudig," is het antwoord. „Je moet gewoon een hoge galg voor je huis oprichten en morgen vraag je de koning toestemming om Mordechai daaraan op te hangen."
„Geweldig!" roept Haman verheugd. „Wat een buitengewoon goed idee is dat! Ik heb in tijden niet zo'n goed idee gehoord!"
Hij heeft meteen zijn goede humeur terug.

Die nacht kan de koning de slaap niet vatten. Hij ligt maar te woelen. Rusteloos keert hij zich van de ene zij op de andere.
Zou hij teveel hebben gegeten bij Esther? Of zou hij liggen piekeren, wat de wens van de koningin wel zou kunnen zijn?
Hij besluit dan op te staan. Hij roept een bediende en laat zich dan een stukje voorlezen uit de kronieken van de Perzen.
De bediende leest dan ook het gedeelte, waar de beraamde aanslag door Bigtan en Teres is beschreven, die door Mordechai was verijdeld.
„Wat voor beloning heeft die Mordechai daar eigenlijk voor gekregen?" vraagt de koning.
Hij is ontstemd als hij hoort, dat Mordechai helemaal geen beloning heeft gekregen. Hij besluit daar meteen wat aan te doen. Maar eerst moet hij nog proberen een paar uurtjes te slapen. Gelukkig valt hij daarna gauw in slaap. Voorlezen helpt altijd goed, als je niet kunt slapen.
Onthoud dat dus goed! Als je niet kunt slapen, roep dan meteen je vader of moeder om je een stukje voor te lezen.

De volgende morgen ziet de koning Haman in de voorhof lopen. Haman wil de koning toestemming vragen om Mordechai op te hangen.
De koning laat Haman direct bij zich komen en stelt hem dan een vraag.
„Haman," zegt hij, „ik wil iemand een buitengewoon grote eer bewijzen. Wat zou jij me aanraden om te doen?"
Haman denkt dan bij zichzelf: „Aan wie anders zou de koning eer willen bewijzen, dan aan mij?" En daar weet hij wel iets voor.
„Nou Majesteit," antwoordt Haman, „Ik zou het in uw plaats wel weten. Ik zou zo iemand een koninklijk kleed aantrekken en hem op het paard van de koning zelf plaatsen, met op het hoofd van dat paard een koninklijke kroon. En een hooggeplaatste dienaar van de koning zou dat paard dan aan de teugel moeten leiden en al voortgaand door de straten roepen: Zo wordt gedaan aan de man aan wie de koning eer wil bewijzen!"
„Wat een uitstekend idee!" roept de koning verheugd. „Geweldig! Voortreffelijk! Ik had het zelf niet beter kunnen bedenken!"
Haman glundert tot achter zijn oren.
„En Haman, weet je aan wie ik die eer wil bewijzen?" vraagt de koning. Haman doet natuurlijk alsof hij geen idee heeft.
„Nee majesteit, ik zou het niet weten," antwoordt hij.
„Die eer wil ik bewijzen aan de Jood Mordechai, want die heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt, hij heeft mij zelfs het leven gered," antwoordt de koning.
Haman kijkt alsof hij het in Keulen hoort donderen. Zijn hele droomwereld stort in. Met een lijkbleek gelaat kijkt hij de koning aan.
„En Haman," gaat de koning verder, „jij mag die hooggeplaatste dienaar zijn, die het paard aan de teugel door de straten leidt en jij mag dan met luide stem roepen: Zo wordt gedaan aan de man aan wie de koning eer wil bewijzen!"
En Haman moet dan meteen aan de slag om voorbereidingen te treffen.
Bevend van woede gaat Haman dan naar huis. Razend is hij!
Veel zin om nog naar het diner van de koningin te gaan heeft hij ook al niet meer. Maar hij haalt het toch niet in zijn hoofd om niet te gaan.
Toen de hovelingen van de koning hem kwamen halen voor het feestmaal, ging hij dan ook gedwee mee.
En net als de vorige dag zitten koning Ahasveros, koningin Esther en Haman gedrien aan tafel te smikkelen van al het lekkere eten.
En als na de maaltijd de wijn geserveerd wordt, vraagt de koning weer aan Esther, wat haar wens is.
En dan vat Esther moed en zegt tegen de koning: „Mijn heer en koning, ik verzoek u het leven van mij en van mijn volk, het joodse volk, te sparen. Want wij zijn voorbestemd om uitgeroeid te worden."
De koning schrikt daarvan. Wie zou het durven wagen om zijn eigen koningin te doden en met haar haar hele volk?
En aan Esther vraagt hij dan: „Wie is de onverlaat, die zoiets zou durven beramen? Wie durft zijn hand uit te steken naar mijn dierbare koningin? Vertel het mij en hij zal ervan lusten!"
„Die booswicht zit hier bij ons aan tafel," antwoordt Esther, terwijl ze naar Haman wijst. „Het is Haman, waarvan gij denkt, dat hij uw trouwe dienaar is."
Haman schrikt zich te pletter als hij de toornige gezichten van de koning en de koningin ziet.
Woedend staat de koning op en loopt de tuin in. Hij moet dit even verwerken.
Maar Haman blijft bij de koningin en smeekt haar om genade. Hij neemt zelfs bij haar op haar rustbed plaats.
En dan komt de koning weer binnen. Als hij Haman daar op het rustbed van Esther ziet zitten, is de maat helemaal vol.
„Wel verdraaid!" roept hij boos. „Ook nog de koningin geweld aandoen? En dat nog wel in mijn eigen paleis?"
Meteen roept hij de bewaking erbij. Die pakken Haman beet en winden een doek om zijn hoofd.
„H, een doek om zijn hoofd?" zul je denken.
Ja, een doek om zijn hoofd. Het was bij de Perzen namelijk gebruikelijk, dat als iemand bij de koning in ongenade was gevallen, zijn hoofd omwonden werd, want zo iemand mocht de koning niet meer zien.
Harbona, n van de hovelingen, die Haman voor het diner van huis had gehaald, had voor het huis van Haman die galg zien staan, die Haman daar had laten neerzetten voor Mordechai. En hij vertelt nu aan de koning over die galg.
„Nou, dat komt dan mooi uit," zegt de koning. „Neem Haman mee en hang hem onmiddellijk op aan zijn eigen galg."
Zo zie je maar weer: wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. In dit geval: wie een galg opzet voor een ander, komt er zelf aan te hangen.
De koning geeft dan het huis van Haman aan Esther.

En Mordechai hoeft niet langer bij de poort te zitten, hij krijgt een verschrikkelijk hoge positie bij de koning.
Mordechai verstuurt ook brieven aan alle Joden in het lande der Meden en Perzen.
In die brieven draagt hij alle Joden op om elk jaar op de veertiende en vijftiende dag van de maand Adar een groot feest te vieren, het Purimfeest.
'Purim' is genoemd naar het woord 'pur', dat 'lot' betekent.
Hij doet dat, omdat Haman het lot geworpen had om de dag te bepalen, waarop de Joden uitgeroeid moesten worden.

Terug