Koning David
Samuël krijgt opdracht van de Heer naar Bethlehem te gaan,
naar een zekere Isaï om één van diens zonen tot koning over
Israël te zalven.
Maar Samuël is bang. Bang voor Saul.
Hij zegt: Hoe kan ik daar nu heen gaan? Saul zal het
beslist gewaar worden en mij laten doden."
Maar God geeft hem opdracht een kalf bij de hand te houden en te
zeggen, dat hij gekomen is om de Heer een offerande te brengen.
| En gij zult Isaï ten offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven wat gij doen zult, en gij zult Mij zalven dien Ik u zeggen zal. 1 Samuël 16:3. |
Samuël gaf gehoor aan de opdracht van de Heer en ging naar
Bethlehem.
Daar aangekomen komen de oudsten hem bevend tegemoet en vragen
hem of zijn komst vredelievend is. Ze zijn bang, dat hun gevaar
dreigt.
Ze houden rekening met de mogelijkheid, dat Samuël op de vlucht
is voor Saul, die boos op hem is, omdat Samuël hem aangezegd
heeft, dat God hem van zijn koninkrijk verstoten heeft.
Ook is er altijd nog de mogelijkheid, dat zij, de oudsten, zelf
van een grote zonde worden beschuldigd, waarover de profeet hun
de straf Gods komt verkondigen.
Maar Samuël stelt hen gerust en zegt: Ik ben gekomen om de
Here offerande te doen." En hij nodigde ze uit om de
offerande bij te wonen.
Dat 'ten offer nodigen' in vers 3 moeten we verstaan als 'tot de
maaltijd nodigen', de maaltijd, die gehouden werd na de offerande,
waarbij het vlees van het geofferde kalf werd genuttigd.
Die maaltijd kan niet ten huize van Isaï plaats hebben gevonden,
want men nodig niet iemand voor een maaltijd in zijn eigen huis.
Maar vóór die maaltijd vraagt Samuël Isaï zijn zonen één
voor één bij hem te brengen, te beginnen met de oudste.
Ongetwijfeld heeft Samuël intussen aan Isaï het eigenlijke doel
van zijn bezoek bekend gemaakt. Dat blijkt duidelijk uit wat er
geschreven staat in de verzen 8 e.v.
De oudste zoon, Eliab, verschijnt voor Samuël, maar God geeft
hem te kennen, dat dit hem niet is.
| Doch de Here zeide tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan. 1 Samuël 16:7 |
Vervolgens komt Abinadab opdraven, maar ook die is het niet.
Vervolgens is de derde zoon, Samma of Simea, aan de beurt, maar
ook hij is niet de door God verkorene.
Zo verschijnen er zeven zonen van Isaï voor Samuël, maar geen
van hen is de toekomstige koning van Israël.
Waren dit al uw zonen?" vraagt Samuël aan Isaï.
Nee," antwoordt Isaï, er is nog één, de
jongste, die is in het veld om de

schapen te weiden." Laat iemand hem gaan zoeken en
hier brengen," zegt Samuël, want wij zullen niet aan
de maaltijd beginnen, voordat ook die jongste zoon aan mij
verschenen is."
Rustig wacht men tot ook de jongste zoon voor Samuël verschijnt.
Als dat eindelijk gebeurt, dan ziet Samuël voor zich een jonge
man met roodachtig haar. Het is een knappe jongeman, die de naam
David draagt.
God geeft dan aan Samuël te kennen, dat dit de toekomstige
koning van Israël is en Samuël krijgt dan de opdracht David te
zalven.
Samuël geeft dan aan Isaï en de broers van David en verder aan
alle aanwezigen te kennen, dat het de wil van God is, dat David
tot koning over Israël wordt gezalfd.

Samuël neemt dan de kruik met olie en zalft David tot koning.
En meteen wordt de Geest Gods vaardig over David, lezen we dan in
vers 13.
We kunnen ons afvragen, waarom alle zonen van Isaï de revue
moesten passeren. God wist toch vooruit, wie de nieuwe koning van
Israël zou worden, dan had Samuël toch ook meteen tegen Isaï
kunnen zeggen: Roep uw jongste zoon, want ik ga hem tot
koning zalven."?
Samuël zijn taak is nu volbracht. Hij heeft de opdracht van God
uitgevoerd. Hij neemt afscheid en vertrekt naar Rama.
En dan trekt de Heer zich terug van koning Saul. Hij laat zelfs
toe, dat de satan bezit van Saul neemt door middel van een boze
geest. Satan beroert de zinnen van Saul, waardoor een soort
verstandsverbijstering optreedt. Eigenlijk gebruikt God hier de
satan voor Zijn doel. Dit laat ons ook zien wie er eigenlijk de
Baas is.
Intussen gaat het leven voor David gewoon op de oude voet
verder. Hij is niet meteen koning, dat duurt nog wel even. Saul
blijft nog even koning, maar wel een erg razende en tierende
koning. Zijn dienaren vragen hem of ze iemand zullen zoeken, die
hem rust en kalmte kan geven door bijvoorbeeld voor hem op de
harp te spelen.
Saul stemt daarin toe. Hij zegt: Ja, doe dat! Zoek een man
die mooi op de harp kan spelen, zodat ik daardoor misschien tot
rust kom."
Eén van de dienaren van Saul zegt dan: Ik ken een jongeman,
die prachtig op de harp kan spelen. Het is David, een zoon van
Isaï, de Bethlehemiet. Het is een dappere, welbespraakte
jongeman."
Saul laat David dan halen. David krijgt van Isaï een ezel mee,
beladen met brood en een zak wijn. Ook een bokje krijgt hij mee.
En zo komt David aan het hof van Saul en wordt diens
wapendrager. David valt erg in de smaak bij Saul, die David voor
vast aan het hof wil houden. Hij laat dat ook aan Isaï weten.
En telkens als de boze geest van Saul bezit neemt, speelt David
voor hem op de harp, wat op Saul een kalmerend effect heeft.
Hierin kunnen we de bestiering van de Heer vinden. God heeft door
Zijn voorzienigheid beschikt, dat David aan het hof opgevoed
wordt en daardoor wordt voorbereid tot het ambt, dat hij eens zal
bekleden en waarvoor hij al gezalfd is.
Israël is in die tijd steeds in staat van oorlog met de
Filistijnen.
Zo lezen we in 1 Samuël 17, dat de Filistijnen zich legeren in
Juda, aan het eind van de Dammim, tussen Socho en Azeka.
De stad Socho was gesticht door Rehábeam, dit is te lezen in 2
Kronieken 11:7. Later is Socho weer veroverd door de Filistijnen
lezen we in 2 Kronieken 28:18.
De stad Azeka, ook gebouwd door Rehábeam, is ook door
Nebukadnezar belegerd geweest, dit staat in Jeremia 34:7.
Het leger van Israël legert zich in het eikendal.
De beide legers hebben zich elk aan de voet van een berg
opgesteld, met tussen hen de vallei.
De Filistijnen hebben een machtig wapen, een menselijk wapen. Een
zogenaamde kampvechter, ook wel tweevechter genoemd. Dit is een
man, die namens de ene partij strijdt tegen een man van de andere
partij.
Maar deze kampvechter van de Filistijnen is geen gewone man, nee,
het is een reus. Goliath is groot, zes ellen en een span is zijn
hoogte.
De vraag is nu: hoeveel is een el en hoeveel een span?
In onze tijd is een el een oude lengtemaat van 69 centimeter,
veelal door kleermakers gebruikt. En in manufacturenwinkels werd
er stof mee afgemeten.
Maar de bijbelse el kan meerdere lengten hebben.
Zo heb je de gemene el van vijf palmen lang, de heilige el van
zes palmen lang en de geometrische el, die zes keer de gemene el
meet, dus dertig palmen.
Anderen menen, dat de gemene el zes palmen lang is. De heilige el
het dubbele daarvan, dus twaalf palmen en de geometrische el zes
keer de gemene, dus zesendertig palmen.
Een palm is vier vingerbreedtes, dat zal ongeveer acht-en-een-halve
centimeter zijn. Een span tenslotte is ongeveer 25 centimeter.
Hoe groot was nu Goliath? Zes ellen en een span, staat in 1
Samuël 17:4.
Maar welke el moeten we nu nemen? De kortste el is de
eerstgenoemde gemene el van vijf palmen, dat is 42½ cm. De
grootste el is de laatstgenoemde geometrische el van zesendertig
palmen, dat is 306 cm.
We moeten de grootte van Goliath dus zoeken tussen 2,80 meter en
ruin 18,5 meter.
De heilige el zou gebruikt zijn bij de bouw van heilige gebouwen,
zoals de tempel.
Goliath draagt een zwaar harnas. Op zijn hoofd een koperen
helm, om zijn lichaam een schubachtig pantser van ruim 39
kilogram. Zijn benen worden beschermd door een koperen
scheenharnas en tussen zijn schouders heeft hij een koperen
schild.
Veertig dagen lang stelt Goliath zich elke morgen op tussen de
beide legers en telkens daagt hij Israël dan uit een sterke man
te sturen om met hem te vechten.
Verslaat die man hem, dan zullen de Filistijnen knechten van
Israël worden, maar komt Goliath als overwinnaar uit de strijd,
dan zullen de Israëlieten knechten van de Filistijnen moeten
worden.
Maar het volk van Israël is bang. Niemand durft het tegen die
reus opnemen.
Tot het leger van Saul behoren ook de drie oudste zonen van Isaï.
Dat zijn Eliab, Abinadab en Samma.
Op zekere dag wordt David door zijn vader naar het legerkamp
gestuurd om zijn broers van voedsel te voorzien en om naar hun
welstand te vragen.
Juist als David in het kamp aankomt, begint Goliath weer met zijn
dagelijkse gebral.
Verbaasd vraagt David aan de krijgers van Israël wat dat te
betekenen heeft.
Men vertelt hem dan, dat die reus daar elke morgen staat om
Israël uit te dagen.
Wat verbeeldt die onbesneden Filistijn zich wel, dat hij
het volk van God zomaar staat te honen en bespotten?" zegt
David. Wat heeft de koning uitgeloofd voor degene, die hem
verslaat?" vraagt David.
Men antwoordt hem, dat de koning die man met rijkdom zal
overladen en hem zijn dochter tot vrouw zal geven.
Ook zal de koning die man en zijn huis in de adel verheffen en
alle rechten en vrijheden daaraan verbonden geven.
Nou," zegt David, ik durf het wel tegen die man
op te nemen!"
Dit komt Saul ter ore en hij roept David bij zich.
Als David voor Saul verschijnt, begint Saul te lachen.
Vergeet het maar David," zegt Saul. Die Goliath is een
reus en een ervaren strijder en jij bent nog maar een jongen. Je
kunt onmogelijk tegen hem vechten.
Hoor eens Majesteit," zegt David, ik mag dan nog
jong zijn, maar ik heb toch al een leeuw en een beer bevochten en
overwonnen, toen die mijn schapen wilden verscheuren."
Zozo," zei Saul, in zijn baard krabbend. Nou
vooruit, probeer het dan maar, van mij mag het, maar je moet wel
een behoorlijke wapenrusting aan, want anders ben je helemaal
kansloos."
David wordt dan in een harnas gezet en hij krijgt een zwaard in
de hand. Maar die wapenrusting is veel te zwaar voor hem. Als hij
probeert te lopen, valt hij haast om.
Majesteit, dit kan niet," zegt David, deze
uitrusting is veel te zwaar voor mij, zo kan ik me nauwelijks
bewegen, laat staan dat ik die Goliath zo zou kunnen verslaan.
Ze halen David weer uit het harnas. Opgelucht haalt David een
paar keer diep adem. Goliath staat intussen nog steeds luidkeels
te schreeuwen.
David loopt dan naar een beek en zoekt daar enkele mooie gladde
stenen, die hij in zijn herderstas doet.
Dan neemt hij in de ene hand zijn herdersstaf en in de andere
hand zijn slinger en langzaam, zonder een spoor van angst, loopt
hij naar Goliath toe.
Stomverbaasd kijkt Goliath naar die jongeman, die daar op hem
af komt. En dan wordt hij boos. Hij is diep beledigd, dat die
Israëlieten het wagen een jongen, een schapenhoeder op hem af te
sturen. Wie denk je wel, dat ik ben! Denk je dat ik een
hond ben, die je met een stok kunt verslaan?" briest hij
woedend. Kom hier snotaap en ik zal je in stukken hakken en
je vlees aan de vogels voeren!"
Maar David schrikt daar niet van, hij knippert niet eens met zijn
ogen. Rustig, maar op besliste toon geeft hij de Filistijn
antwoord. Ik ben niet zwaarbewapend zoals u, maar ik kom in
de naam van de Heer der Heirscharen, de God van Israël. De Heer
heeft u heden in mijn hand gegeven. Ik zal u verslaan en uw hoofd
van u wegnemen. En niet mijn vlees, maar het vlees van de
Filistijnen zal aan de vogels gevoerd worden. En heel de wereld
zal weten, dat Israël een God heeft."
Rustig kiest hij dan een steen uit zijn herderstas, legt hem in
de slinger en razendsnel laat hij de slinger in zijn hand
ronddraaien, intussen zorgvuldig mikkend.
|
En dan... op het juiste
moment... daar gaat de steen... en raakt Goliath midden
in het voorhoofd, juist op een plek, die niet door ijzer
of koper is bedekt. Bewusteloos stort de reus ter aarde. Vlug loopt David op hem toe en omdat David zelf geen zwaard draagt, neemt hij het zwaard van Goliath en doodt hem met zijn eigen zwaard. Vervolgens houwt David het hoofd van de reus af. Als de Filistijnen dit zien, slaan ze op de vlucht. Het volk van Israël komt ook in actie. Het achtervolgt de Filistijnen, waarvan velen gedood en verwond worden. Op de terugweg na die achtervolging worden de legerplaatsen van de Filistijnen leeggeroofd. |
David brengt het hoofd van Goliath naar Jeruzalem en de wapens
van de reus legt hij in zijn tent.
Saul is natuurlijk blij met de overwinning. Hij vraagt dan aan
Abner, zijn krijgsoverste: Zeg Abner, wie is die David?
Waar is hij een zoon van?"
Al slaat u me dood majesteit," antwoord Abner,
ik weet het niet."
Vraag het hem dan," zegt Saul.
Dan haalt Abner David op en brengt hem bij Saul.
Zeg David," zegt Saul, dat heb je goed gedaan!
Maar vertel eens, wie is je vader?"
Ik ben een zoon van Isaï, de Bethlehemiet majesteit,"
antwoordt David.
Hieruit valt af te leiden, dat de strijd met Goliath plaatsvond
vóórdat David aan het hof kwam, zoals op pagina 3 beschreven is.
Eigenaardig, dat deze twee feiten in omgekeerde volgorde in de
bijbel staan.
De overwinning van Goliath staat in 1 Samuël 17, terwijl in
hoofdstuk 16 wordt beschreven hoe David aan het hof komt.
Er zijn ook nog twee andere verklaringen voor deze omwisseling
van gebeurtenissen.
Sommigen denken, dat Sauls verstand zodanig door de boze geest is
aangetast, dat hij niet meer weet, wie de vader van David is.
Anderen denken, dat Saul David nog wel degelijk kende en zijn
vader ook, maar dat hij gewoon meer wilde weten over de oorsprong
van het geslacht.
Dat Abner David niet kende, is te verklaren uit het feit, dat hij
meestal bij het leger in het veld was en slechts zelden aan het
hof.
In hoofdstuk 18 van 1 Samuël lezen we, dat Saul David in dienst
neemt.
| En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet wederkeren tot zijns vaders huis. 1 Samuël 18:2. |
Dit lijkt ietwat in tegenspraak met wat eerder geschreven staat:
| Alzo kwam David
tot Saul; en hij stond voor zijn aangezicht; en hij
beminde hem zeer; en hij werd zijn wapendrager. Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden. 1 Samuël 16:21 en 22. |
Bedenk dan wel, dat het hier om twee heel verschillende hoedanigheden gaat. In hoofdstuk 16 wordt David min of meer in dienst genomen als harpspeler. Hij heeft toen overdag ook wel gewoon zijn schapen gehoed.
| Doch David ging henen en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. 1 Samuël 17:15. |
Maar in hoofdstuk 18 wordt hij door Saul aangesteld als
krijgsoverste.
Intussen ontstaat er ook een hechte vriendschap tussen David en
Jonathan, Sauls zoon.
En dan blijkt David in de strijd een bekwaam strateeg te zijn,
die bovendien bij het volk geliefd is.
Als Saul en David dan terugkeren van een veldslag stromen de
vrouwen de troepenmacht tegemoet met trommels en met
muziekinstrumenten. Deze in het Hebreeuws genoemde
muziekinstrumenten zijn bij ons niet bekend, maar het schijnen
drie-snarige instrumenten te zijn geweest.
En de vrouwen zingen dan: Saul heeft zijn duizenden
verslagen, maar David zijn tienduizenden!"
Maar dat vindt Saul niet zo leuk en hij krijgt dan ook een
gruwelijke hekel aan David. Hij wil hem zelfs wel doden. De boze
geest neemt weer bezit van hem. David probeert hem weer te
kalmeren met zijn harpspel, maar dat lukt niet. Saul neemt een
speer en werpt die naar David om hem te doden. Maar David weet de
speer te ontwijken.
Saul probeert dan van David af te komen door hem een gevaarlijke
positie in het leger te geven in de hoop, dat hij in de strijd
zal blijven. Maar David is een uitstekende krijgsman en weet het
gevaar steeds te ontwijken.
En vanaf die tijd is er sprake van een soort kat-en-muis
spelletje tussen Saul en David. Saul zoekt steeds een
mogelijkheid om David te doden, maar David weet dat steeds te
ontwijken.
Intussen trouwt David ook nog met een dochter van Saul. Wat een
gezellige bruiloft zal dat geweest zijn...
David weet Saul soms ook behoorlijk te plagen.
Het gebeurde eens, dat David en zijn mannen door Saul omsingeld
werden in de woestijn vam Maon. Deze woestijn heeft haar naam van
de gelijknamige stad. Het is een bosachtig gebied met veel
spelonken en dus bij uitstek geschikt om zich in te verbergen. En
heeft David zijn redding eigenlijk te danken aan de Filistijnen,
die een inval doen in Israël.
Saul moet dan noodgedwongen eerst ten strijde tegen die
Filistijnen en dat geeft David de gelegenheid te maken, dat hij
wegkomt.
Men noemt die plaats dan Sela-Machlokôth of Sela-Hammachlekôth.
Dat betekent: steenrots der deling.
David gaat dan naar Engédi, ook Hazazon-Thamar geheten. Dat is
een stad, gelegen in de stam van Juda, aan de Dode Zee, tussen
hoge bergen en rotsen.
Het is een mooi gebied met valleien en velden, beplant met palmen
en dergelijke.
Maar verraders slapen niet en zodra Saul de Filistijnen heeft
verjaagd en terugkeert om de strijd tegen David weer te hervatten,
wordt hem al gauw verteld, waar David zich ophoudt.
Met drieduizend mannen gaat hij dan op zoek naar David.
Als Saul ergens een spelonk binnengaat om daar zijn behoefte te
doen, lijkt voor David de kans gekomen om toe te slaan, want hij
bevindt zich pal naast die spelonk met zijn mannen. Zijn mannen
dringen er dan ook bij hem op aan, Saul te doden, nu hij de kans
heeft.
| Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie, de dag, op welken de Here tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en gij zult hem doen gelijk als het goed zal zijn in uw ogen. 1 Samuël 24:5. |
Maar David doodt Saul niet. Wel sluipt hij de spelonk in en
snijdt vlug een slip van de mantel van Saul.
David weerhoudt zijn mannen ook met kracht ervan om iets tegen
Saul te ondernemen.
Als Saul de spelonk verlaat, spreekt David hem aan. Hij laat Saul
de afgesneden slip van de mantel zien en zegt: Ziet u nu
wel, dat ik niets kwaads tegen u in de zin heb? Ik had u zo
kunnen doden, maar ik heb het niet gedaan, hoewel mijn mannen mij
dat wel aanrieden. Maar ik peins er niet over om een hand uit te
steken naar de gezalfde des Heren.
Het lijkt dan, dat Saul David verder met rust zal laten.
Saul vertrekt, maar David blijft achter, want hij vertrouwt Saul
toch nog niet, daarvoor kent hij hem te goed. Hij blijft zich
verbergen.
En dan sterft Samuël. Hij wordt begraven in zijn huis te Rama
en heel Israël rouwt om de dood van Samuël.
David was eigenlijk steeds min of meer in de buurt van Samuël
gebleven, wat menigmaal vroeg hij Samuël om raad.
Maar nu Samuël dood is, gaat David weg van daar. Hij gaat naar
de woestijn van Paran. Dit is alleen de naam van een stad, maar
ook van het omliggende land en gebergte.
En dan gaat David weer trouwen.
Een rijke man te Karmel (niet het Karmel, bekend
vanwege de profeet Elia, gelegen in de stam van Issaschar)
bezit drieduizend schapen en duizend geiten. Ten tijde, dat David
zich daar in de woestijn ophoudt met zijn mannen, is hij juist
bezig met het scheren van de schapen. Die man is een Kalebiet,
naar men aanneemt een nakomeling van Kaleb. Het is een
onvriendelijke man, hardvochtig en boos. Zijn naam is Nabal. Hij
wordt zelfs een zoon belials genoemd
| ..... want het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn ganse huis; en hij is een zoon belials, zodat men hem niet kan aanspreken. 1 Samuël 25:17b. |
Het Hebreeuwse woord belijaal betekent in onze taal een
deugniet, een bandeloos mens, die zich niet stoort aan orde of
gezag.
Zijn vrouw Abigaïl is een knappe verschijning met een goed
verstand.
David stuurt tien van zijn mannen naar Nabal om te vragen of hij
hen van voedsel kan voorzien.
Maar ze krijgen nul op het rekest. Bits vraagt Nabal: Wie
is die David van jullie? Is dat niet die man, die zijn heer Saul
verlaten heeft? Waarom zou ik mijn voedselvoorraad met hem delen?"
En met lege handen keren de mannen naar David terug.
En wat David dan doet is toch eigenlijk wel vreemd.
Hij laat zijn mannen zich wapenen en wil dan met geweld nemen,
wat hij nodig heeft. Hij wil zelfs alle mannen van Nabal doden.
Eén van de mannen van Nabal is echter intussen heimelijk naar
Abigaïl gegaan om haar het voorgevallene te vertellen.
Abigaïl laadt dan snel een voorraad levensmiddelen op enkele
ezels en haast zich David tegemoet, hiermee een slachting
voorkomend.
Als Abigaïl weer thuiskomt, heeft haar man Nabal zich intussen
van een uitgebreide maaltijd laten voorzien. Bovendien heeft hij
de wijn rijkelijk laten vloeien. Abigaïl treft hem dan ook
stomdronken aan.
Pas de volgende morgen vertelt ze hem, hoe ze hem voor een
bloedbad gespaard heeft.
Nabal krijgt dan bijna een hartverlamming van schrik. En na een
dag of tien sterft hij dan ook werkelijk.
Geruime tijd na de dood van Nabal laat David Abigaïl bij zich
komen en dan neemt hij haar tot vrouw.
Ook neemt David dan nog een zekere Ahinoam tot huisvrouw.
David heeft dan twee vrouwen, want zijn eerste vrouw Michal, de
dochter van Saul heeft hem intussen verlaten. Zij is door Saul
aan een ander ten huwelijk gegeven.
Intussen heeft Saul te horen gekregen, waar David zich ophoudt.
En met drieduizend man probeert hij David te overmeesteren, wat
hem echter ook nu weer niet zal gelukken.
Terwijl David zich in de woestijn schuil houdt, legert Saul zich
op de heuvel van Hachila.
In de nacht sluipt David met één van zijn mannen, Abisai
geheten, naar het kamp van Saul.
Behoedzaam, voetje voor voetje, sluipen ze tussen de slapende
mannen door naar de legerstede van Saul, die vredig ligt te
slapen in de wagenburg.
Ze sluipen tot bij de slapende Saul. Dan fluistert Abisai David
toe: Dit is uw kans, God heeft nu uw vijand in uw macht
gegeven. Sta mij toe, dat ik hem met mijn spies dood."
Maar David wijst dit voorstel verontwaardigd van de hand.
Wij mogen niet de hand aan een gezalfde des Heren slaan,"
fluistert hij terug.
De spies van Saul steekt aan zijn hoofdeinde in de grond.
Behoedzaam trekt David die spies uit de grond. Dan pakt hij ook
de waterkruik van Saul en stilletjes sluipt hij terug, Abisai
wenkend hem te volgen. En zonder dat er iemand wakker werd
verlieten ze het kamp van Saul weer.
Als David en Abisai op veilige afstand zijn gekomen, maar niet zo
ver, dat hun roepen niet meer in het kamp van Saul gehoord zou
kunnen worden, klimmen ze op een berg. En dan roep David
luidkeels naar het kamp van Saul en met name naar Abner, de
legeroverste: Hé Abner, wat ben jij nou voor een man!? Kun
je je koning niet beter bewaken? Ik ben
| vannacht in jullie kamp
geweest en heb naast de legerstede van Saul gestaan, maar
jij en je mannen snurkten maar door. En kijk eens wat ik
hier heb! Ik heb de spies en de waterkruik van koning
Saul weggenomen." En tot Saul roept hij: Vannacht heeft de Heer u in mijn macht gegeven Saul. Maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken naar de gezalfde des Heren. Zie uw spies en waterkruik, die ik ongemerkt bij u weggenomen heb. Laat één van uw mannen ze maar terughalen." Saul bekent dan, dat hij gezondigd heeft en vraagt David terug te keren naar Saul, die belooft hem geen kwaad meer te zullen doen. Maar David kijkt wel uit! Hij kent Saul veel te goed. En dan besluit David naar het land der Filistijnen te vluchten. Hij begeeft zich dan naar Gath, de Filistijnse stad, waar Goliath ook vandaan kwam. Hij vraagt dan aan de koning van Gath, Achis geheten, of hij in zijn land mag wonen. In onze tijd zouden we zeggen, dat David asiel vroeg. Maar dan is David slim. Hij vertrouwt de Filistijnen ook niet zo goed en daarom wil hij het liefst een plek voor zichzelf en voor zijn mannen en vrouwen en kinderen. |
|
Tegen Achis zegt hij, het te veel eer te vinden om in dezelfde
stad als de koning te wonen. En dan vraagt hij Achis een plaats
te bepalen, waar hij zich met de zijnen mag vestigen.
Achis geeft hem dan Ziklag als woonstede. Deze stad had
oorspronkelijk toebehoord aan Juda, maar was door de Filistijnen
ingenomen. En nu geeft Achis haar aan David.
Tot de dood van Saul blijft David in het land der Filistijnen
wonen. Hij was daar een jaar en vier maanden, lezen we. In het
Hebreeuws staat er: dagen en vier maanden. Het woord dagen wordt
bij de Hebreeën dikwijls voor een jaar genomen.
Tijdens zijn verblijf in Ziklag voert David strijd tegen
verschillende volken.
En van die volken laat hij man noch vrouw leven. Dit doet hij om
te voorkomen, dat iemand van zijn daden aan koning Achis zou
vertellen. Want tegen Achis doet David het voorkomen, alsof hij
tegen Israël vecht.
De volken, die David verslaat zijn de Gesurieten, de Girzieten en
de Amalekieten.
De Gesurieten zijn de inwoners van de stad Gesur, een koninklijke
stad in Syrië. Een dochter van de koning van Gesur zou later de
huisvrouw van David worden en de moeder van Absalom.
De Girzieten, of Gizrieten, zijn Kanaänieten, die voordien te
Gezer of Gazer woonden, in het land van Efraïm. Van daar
verdreven zijnde, gingen ze wonen tegen het zuiden van het land
Kanaän.
De Amalekieten waren de nakomelingen van Ezau. God had Saul
geboden hen geheel uit te roeien, maar Saul heeft enkelen laten
leven. David maakt dat nu dus verder af.
Intussen gelooft Achis wat David hem vertelt en daardoor is hij
ervan overtuigd, dat David zich nu voorgoed onmogelijk heeft
gemaakt bij het volk van Israël en hem zijn leven lang wel trouw
zal blijven.
Toch moet David er niet in geslaagd zijn om alle mannen en
vrouwen van de volken, die hij bestreed te doden, want in 1
Samuël 30 lezen we, dat de Amalekieten Ziklag binnenvallen en in
brand steken, terwijl ze alle vrouwen en kinderen gevankelijk
wegvoeren. Ook de beide huisvrouwen van David.
David weet hen echter te achterhalen en de vrouwen en kinderen te
bevrijden. Niet één wordt er vermist.
David laat alle Amalekieten doden, maar toch weten vierhonderd
jonge mannen, die op kamelen wisten te ontkomen.
Intussen gaat de strijd van de Filistijnen tegen Israël
onverminderd door. Saul wordt behoorlijk opgejaagd. En dan komt
er een dag, dat Saul en zijn mannen volledig ingesloten zijn door
de Filistijnen. Saul ziet dan, dat hij verloren is en hij beveelt
zijn wapendrager hem te doden om te voorkomen, dat hij levend in
handen van de Filistijnen valt. De wapendrager schrikt er echter
voor terug om zijn koning te doden. Hij durft het niet. Dan werpt
Saul zichzelf in zijn zwaard en dood zo zichzelf. Daarop doet
zijn wapendrager hetzelfde en sterft met zijn koning.
Jonathan, Abinadab en Malkisua, zonen van Saul, waren al eerder
gesneuveld.
En dan schrijft David een klaagzang, die is te vinden in 2 Samuël 1:
| O sieraad
Israëls, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de
helden gevallen! Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde. Gij bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefoffers; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild Sauls, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie. Van het bloed der verslagenen, van het vet der helden week Jonathans boog niet achterwaarts; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder. Saul en Jonathan, die beminden en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen. Gij dochteren Israëls, weent over Saul, die u kleedde met scharlaken, met allerlei weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding. Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten. Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan; gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren! 2 Samuël 1:19-27. |
Wonderlijk hoe David over Saul schrijft. Hij noemt hem bemind
en liefelijk in zijn leven, terwijl hij toch meermalen probeerde
David te doden.
Deze klaagzang is ook opgeschreven in het Boek des Oprechten.
Dit boek en meer geschiedkundige boeken, die in de Heilige
Schrift genoemd worden zijn niet bewaard gebleven.
Na de dood van Saul trekt David in opdracht van de Heer naar
Hebron, waar hij door de mannen van Juda tot koning over Juda
gezalfd wordt.
Zeven jaren en zes maanden is David koning over Juda.
Abner, de krijgsoverste van Saul, maakte Isboseth tot koning over
Israël, met uitzondering van Juda natuurlijk. Isboseth was een
zoon van Saul.
Er is dan een lange strijd tussen het huis van Saul en het huis
van David. Een strijd, die uiteindelijk natuurlijk door David
gewonnen wordt, want dat is de wil van God. Uiteindelijk wordt
David dan door alle stammen erkend en tot koning gezalfd over
geheel Israël. David is dus drie keer tot koning gezalfd. Eerst
heimelijk door Samuël, daarna door de mannen van Juda en
tenslotte door de oudsten van Israël.
David was dertig jaar oud, toen hij koning werd. Veertig jaar is
hij koning geweest, eerst alleen over Juda, daarna over geheel
Israël.