De |
| Lang, heel lang
geleden, zelfs meer dan 2500 jaar leefde er een machtige
en rijke koning. Dat was de koning van Babel. Hij had een beetje een moeilijke naam, hij heette Nebukadnezar. Op een keer trok Nebukadnezar met zijn leger naar Jeruzalem en belegerde die Heilige Stad. Weet je wat dat is, belegeren? Dan gingen de soldaten rondom de stad liggen in loopgraven en zo. Niemand kon dan de stad nog in of uit. En op de duur kregen ze dan ook geen eten meer, want er kon geen graan en groente en vlees worden aangevoerd. Maar zolang hoefde Nebukadnezar niet om de stad te blijven liggen. Zijn leger was groot en sterk en kon het leger van Jojakim, de koning van Juda gemakkelijk verslaan. Maar die Nebukadnezar was een grote deugniet, want hij roofde ook heilige voorwerpen uit de tempel van de Here God. Dat was niet mooi van Nebukadnezar. En hij nam ook gevangenen mee naar zijn land. Toen liet Nebukadnezar zijn hoofdbediende bij zich komen. Die had ook al zo'n moeilijke naam, hij heette Aspenaz en hij was het hoofd van de hofhouding. "Hoor eens Aspenaz," zei Nebukadnezar, "zoek uit die gevangenen een aantal jongens, die sterk en gezond zijn. En ze moeten ook nog knap van uiterlijk zijn." "Goed majesteit," zei Aspenaz, "het komt voor de bakker." "Mooi," zei Nebukadnezar en hij ging een wandelingetje in de paleistuin maken. En Aspenaz ging op zoek naar geschikte jongemannen. Dat was nog niet zo eenvoudig, want ze moesten ook nog tot de koninklijke familie of tot de adel behoren. En bovendien moesten ze een goed stel hersens hebben. Maar het lukte hem toch een aantal bij elkaar te krijgen. Er waren vier jongens uit Juda bij, dat waren Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Maar ze mochten hun eigen naam niet houden. Zo kreeg Daniël bijvoorbeeld de naam Beltsazar, genoemd naar de afgod Bel. De jongemannen kregen een opleiding van drie jaar en zouden daarna bij de koning in dienst komen. Daniël en zijn drie vrienden konden heel goed leren en al gauw waren ze van alles op de hoogte. Daniël kreeg ook nog de gave om dromen te kunnen uitleggen. Toen die drie jaren voorbij waren moesten ze bij de koning komen, die hen flink aan de tand voelde. Ons viertal kreeg hoge posities, ze werden aangesteld als adviseurs van de koning. Nebukadnezar merkte, dat ze veel beter waren dan de geleerden uit zijn eigen rijk. Koning Nebukadnezar kreeg eens een nare droom, een nachtmerrie. Hij schrok wakker en ging rechtop in bed zitten met zweetdruppels parelend op zijn voorhoofd. Hij deed het licht aan en nam een slokje water. Toen probeerde hij weer te gaan slapen, maar dat lukte helemaal niet. Voor dag en dauw liet hij een aantal geleerden, tovenaars en meer van die soort bij zich komen. "Hoor eens geleerde meneren," zei de koning, "ik heb vannacht een vreselijke droom gehad en ik wil, dat jullie mij vertellen, wat die droom te betekenen heeft." "Goed majesteit," zeiden de geleerde meneren, "vertelt u ons maar wat u gedroomd hebt en wij zullen u vertellen wat het te betekenen heeft." "Ben je betoeterd," zei de koning, "jullie moeten mij ook vertellen wat ik gedroomd heb, want dat weet ik zelf ook niet meer precies." "Ja, sorry majesteit," zeiden de geleerden en tovenaars, " maar dat weten wij niet, als u ons niet kunt vertellen wat u hebt gedroomd, dan kunnen wij u ook geen uitleg geven, dat kan geen enkele geleerde van de hele wereld." "Als jullie mij niet kunnen zeggen wat ik gedroomd heb en wat de betekenis ervan is, dan laat ik jullie in stukken hakken en jullie huizen worden met de grond gelijk gemaakt," zei de koning boos, "maar als jullie mij wel kunnen zeggen wat ik gedroomd heb, dan zal ik jullie rijkelijk belonen." Toen de geleerde meneren en de tovenaars opnieuw aan de koning duidelijk probeerden te maken, dat ze echt niet konden weten wat hij had gedroomd, werd Nebukadnezar ontzettend verschrikkelijk boos en onmiddellijk gaf hij opdracht om alle wijze en geleerde meneren van Babel te doden. Dat was wat . Boevenwagens reden door het land en pikten overal geleerde mannen en tovenaars op om ze naar de gevangenis te brengen. Ook Daniël en zijn drie metgezellen liepen gevaar, maar ze wisten nog van niets, hoewel Daniël wel gehoord had, dat er iets aan de hand moest zijn. Daniël vroeg aan het hoofd van de koninklijke lijfwacht waarom de koning toch zo boos was. Arioch, zo heette die man, vertelde hem toen wat er aan de hand was. Daniël ging toen naar de koning en vroeg hem: "Majesteit, geeft u mij nog een beetje tijd en dan zal ik uw droom uitleggen. Wacht u alstublieft nog even met het doodmaken van al die geleerde meneren" "Beltsazar," zei de koning verheugd, "dat is nog eens goed nieuws! Goed ik zal nog even wachten met het doodmaken van de geleerde meneren. Maar maak wel voort, want ik ben zo ontzettend nieuwsgierig naar mijn droom en de uitlegging ervan." Daniël ging toen vlug naar huis en riep zijn drie vrienden bij zich. Hij vertelde wat er aan de hand was en vroeg hen om tot de Here God te bidden om wijsheid en inzicht. Hun gebeden werden verhoord en de Here God vertelde aan Daniël wat de koning gedroomd had en ook wat die droom betekende. Nou, Daniël was dolblij natuurlijk, dat snap je wel. Hij ging gauw naar Arioch en zei tegen hem: "Die doodmakerij van geleerde meneren gaat niet door. Breng mij maar vlug bij de koning, want ik ga hem zijn droom uitleggen." Ze haastten zich naar Nebukadnezar en Arioch zei: "Majesteit, ik heb hier Daniël bij me en die zal u de droom uitleggen." "Prachtig," zei de koning, "is het echt zo Daniël, kun je mij vertellen wat ik heb gedroomd en wat dat betekent?" "Nee majesteit," zei Daniël, "geen mens kan weten wat u gedroomd hebt, zelfs de allergeleerdste meneren van de hele wereld niet. Maar de Here God in de hemel kan dat wel en de Here God heeft mij laten weten wat u hebt gedroomd en wat het betekent. Ik beschik niet over bovennatuurlijk wijsheden, alleen doordat de Here God in zijn goedheid mij uw droom heeft geopenbaard kan ik de uitleg ervan aan u vertellen. De Here God heeft u door een droom laten weten, wat er in de toekomst gaat gebeuren. In uw droom zag u een buitengewoon verschrikkelijk groot beeld van een mens. Het beeld zag er afschrikwekkend uit en stelde een mens voor met een gouden hoofd en een zilveren borst en armen. Zijn buik en dijen waren van koper. Zijn benen waren van ijzer en zijn voeten van ijzer en klei. En terwijl u keek kwam er een steen van de berghelling afrollen. Die steen verpletterde de voeten van het beeld, zodat het beeld omviel. Toen verpletterde de steen ook de rest van het beeld, zodat er op het laatst alleen nog een grote hoop ijzer, klei, koper, zilver en goud op de grond lag, fijn gemaakt als stof. Toen kwam de wind en alles werd weggeblazen. Niets bleef ervan over. Maar de steen werd steeds groter en groter en groeide uit tot een grote berg, die de hele aarde bedekte." Koning Nebukadnezar had ademloos geluisterd. "En verder Beltsazar, hoe gaat het verder? Wat is de verklaring van dit alles?" En toen begon Daniël aan de uitleg van deze vreemde droom. "Majesteit, u bent de machtigste koning op aarde. Alle andere koninkrijken zijn u onderdanig. Uw Babylonische heerschappij heerst over alle koninkrijken en landen. Dit koningschap hebt u van de Here God gekregen. God laat u heersen over alle mensen tot in de verste uithoeken der aarde. U bent dat gouden hoofd." Dat kon Nebukadnezar wel bekoren, en glimlachend verzocht hij Daniël verder te gaan. "Maar aan uw koninkrijk zal eens een einde komen, want ook u zult eenmaal sterven. Er zal dan een andere wereldmacht komen, kleiner dan het uwe, dat zijn de zilveren borst en armen. Daarna komt er weer een grote wereldmacht, weergegeven door de buik en dijen van koper. Het volgende, het vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer, de ijzeren benen, dat rijk zal alles verwoesten en verbrijzelen. En tenslotte de voeten en tenen van ijzer en klei. Zij duiden op het volgende koninkrijk, het vijfde, dat zal een verdeeld rijk zijn, gedeeltelijk hard als ijzer en gedeeltelijk broos als gebakken klei. Deze verdeelde rijkjes zullen proberen machtiger te worden door zich te vermengen door huwelijken. Maar er zal geen eenheid komen, want ijzer en klei laten zich niet mengen. Maar dan komt de Here God. Hij zal een Koninkrijk oprichten, dat nooit ten onder zal gaan. Dat Koninkrijk zal onoverwinnelijk zijn. Dat Koninkrijk zal alle koninkrijken verbrijzelen, maar zal zelf tot in eeuwigheid blijven bestaan. Het Koninkrijk Gods! Aangeduid door de steen, die van de berg afrolde en uiteindelijk uitgroeide tot een reusachtige berg." Toen zweeg Daniël. Nebukadnezar was heel blij, dat hij nu wist wat hij gedroomd had en wat het betekende. Hij begon Daniël te loven en te prijzen. "Uw God is werkelijk de God boven alle goden, hij heerst over alle koningen der wereld!" Daniël kreeg toen een heel hoge functie. Hij werd baas over het hele gebied Babel en bovendien kwam hij aan het hoofd te staan van alle wijze meneren uit Babel. Zijn metgezellen Sadrach, Mesach en Abednego werden zijn assistenten. Zij kregen hoge functies in het land, maar Daniël zelf bleef aan het hof bij de koning. Iedereen die de koning wilde spreken, moest daarvoor eerst toestemming aan Daniël vragen. Door zijn hoge functie kon Daniël ook veel voor de Joden betekenen. Koning Nebukadnezar kwam eens op een keer op het idee om een groot gouden beeld te laten maken. Dat beeld werd 27 meter hoog. Toen het beeld werd ingewijd moesten alle hoge omes van het rijk er bij aanwezig zijn. Ze moesten zich allemaal keurig voor het beeld opstellen. En een omroeper, een heraut noemden ze dat, ging toen voor de mensen staan en riep met luide stem: "Het is de wil van de koning dat, zodra de muziek begint te spelen, iedereen zich languit op de grond laat vallen om het beeld te aanbidden.. Wie dat niet doet, zal in de brandende oven worden geworpen!" Even later begon de muziek te spelen en iedereen ging op de grond liggen. Iedereen??? Nee, toch niet . drie mannen bleven gewoon staan. En wie waren die drie? Dat waren de metgezellen van Daniël. Het waren Sadrach, Mesach en Abednego. Ze moesten bij de koning komen, die erg boos op hen was. "Hoor eens Sadrach, Mesach en Abednego,"zei Nebukadnezar, jullie weten toch wat er met je gebeurt als je het beeld niet aanbidt? Dan zul je in de brandende oven worden geworpen en geen enkele god kan je daaruit redden, zelfs jullie God niet." "Dat zullen we nog wel zien," zeiden Sadrach, Mesach en Abednego toen, "onze God kan ons zeer zeker uit die brandende oven en uit uw macht redden majesteit. Of Hij het zal doen weten we niet, maar in geen geval zullen wij uw beeld aanbidden." Woedend is Nebukadnezar dan en hij geeft opdracht de oven zeven keer zo heet als normaal te maken en daarna moeten Sadrach, Mesach en Abednego erin worden geworpen. Maar eerst worden ze stevig gebonden aan handen en voeten. Toen werden ze door enkele mannen opgepakt en naar de oven gedragen. De oven werd geopend. Een alles verzengende hitte kwam hun tegemoet. Die hitte was zo overweldigend, dat de mannen , die Sadrach, Mesach en Abednego in de oven wierpen er zelf door gedood werden. Maar niet Sadrach, Mesach en Abednego. De Here God stuurde een engel om hen te beschermen. De banden, waarmee ze gebonden waren, werden verbroken en ongedeerd wandelde ons drietal, samen met de engel door de brandende oven. Toen Nebukadnezar eens ging kijken of ze al verteerd waren door het vuur, kon hij zijn ogen niet geloven. Hij schreeuwde tegen zijn raadsmannen om snel bij hem te komen en het wonder te aanschouwen. "Kijk," bulderde hij, "drie mannen hebben wij gebonden in de oven geworpen en nu lopen zij ongedeerd door de oven, het vuur deert hen helemaal niet. En er is nog een vierde man bijgekomen en dat lijkt wel een engel!!!" Hij liet de deur van de oven openen en riep luid: "Sadrach, Mesach en Abednego! Kom uit de oven! Kom hier bij mij!" De drie mannen stapten uit de oven en werden door alle omstanders van alle kanten bekeken. Volkomen ongedeerd waren ze, zelfs hun hoofdhaar was niet geschroeid. Ook geen brandlucht was te bespeuren. Nebukadnezar loofde de God van Sadrach, Mesach en Abednego. En hij bepaalde toen, dat wie ook maar iets oneerbiedigs over de God van Sadrach, Mesach en Abednego zou zeggen, in stukken zou worden gehakt en zijn huis zou met de grond gelijk worden gemaakt. Later kreeg Nebukadnezar weer eens een vreemde droom, waar hij niets van begreep. En weer riep hij Daniël om hem de droom uit te leggen. "Beltsazar," zei hij, "wat ik nu toch weer gedroomd heb . Moet je horen, ik zag in mijn droom een boom, een buitengewoon ontzettend hoge boom. Zo'n hoge boom had ik nog nooit gezien. De takken van die boom reikten tot de hemel en hij was vanuit alle delen van mijn rijk te zien. Tussen de schitterende bladeren hingen ontelbare vruchten. Genoeg voor iedereen. De boom kon de hele wereld wel voeden. En in de boom bouwden vogels hun nesten. Toen zag ik uit de hemel een wachter neerdalen, een engel. Die engel gaf aan andere engelen opdracht de boom om te hakken en de takken met bladeren en vruchten te kappen. Maar de wortelstronk moesten ze in de aarde laten zitten, bijeengehouden door ijzeren en koperen banden. Dauw uit de hemel moest hem bevochtigen en hij moest gras eten met de dieren. Zeven jaar lang moest hij leven als een dier. Dit, Beltsazar, was mijn droom. Leg me nu maar eens uit wat dat betekent. De andere geleerde meneren van mijn rijk wisten het niet, maar jij kunt het me vast wel vertellen."
Daniël
was erg van streek, hij zat wel een uur in gedachten voor
zich uit te staren. |
| Afbeeldingen gebruikt met toestemming van Importantia Publishing www.importantia.com |