De
Geschiedenis
van
DaniŽl

 

Lang, heel lang geleden, zelfs meer dan 2500 jaar leefde er een machtige en rijke koning.
Dat was de koning van Babel.
Hij had een beetje een moeilijke naam, hij heette Nebukadnezar.
Op een keer trok Nebukadnezar met zijn leger naar Jeruzalem en belegerde die Heilige Stad.
Weet je wat dat is, belegeren?
Dan gingen de soldaten rondom de stad liggen in loopgraven en zo.
Niemand kon dan de stad nog in of uit. En op de duur kregen ze dan ook geen eten meer, want er kon geen graan en groente en vlees worden aangevoerd.
Maar zolang hoefde Nebukadnezar niet om de stad te blijven liggen. Zijn leger was groot en sterk en kon het leger van Jojakim, de koning van Juda gemakkelijk verslaan.
Maar die Nebukadnezar was een grote deugniet, want hij roofde ook heilige voorwerpen uit de tempel van de Here God.
Dat was niet mooi van Nebukadnezar.
En hij nam ook gevangenen mee naar zijn land.
Toen liet Nebukadnezar zijn hoofdbediende bij zich komen.
Die had ook al zo'n moeilijke naam, hij heette Aspenaz en hij was het hoofd van de hofhouding.
"Hoor eens Aspenaz," zei Nebukadnezar, "zoek uit die gevangenen een aantal jongens, die sterk en gezond zijn. En ze moeten ook nog knap van uiterlijk zijn."
"Goed majesteit," zei Aspenaz, "het komt voor de bakker."
"Mooi," zei Nebukadnezar en hij ging een wandelingetje in de paleistuin maken.
En Aspenaz ging op zoek naar geschikte jongemannen. Dat was nog niet zo eenvoudig, want ze moesten ook nog tot de koninklijke familie of tot de adel behoren.
En bovendien moesten ze een goed stel hersens hebben.
Maar het lukte hem toch een aantal bij elkaar te krijgen.
Er waren vier jongens uit Juda bij, dat waren DaniŽl, Hananja, MisaŽl en Azarja.
Maar ze mochten hun eigen naam niet houden.
Zo kreeg DaniŽl bijvoorbeeld de naam Beltsazar, genoemd naar de afgod Bel.
De jongemannen kregen een opleiding van drie jaar en zouden daarna bij de koning in dienst komen.
DaniŽl en zijn drie vrienden konden heel goed leren en al gauw waren ze van alles op de hoogte. DaniŽl kreeg ook nog de gave om dromen te kunnen uitleggen.
Toen die drie jaren voorbij waren moesten ze bij de koning komen, die hen flink aan de tand voelde.
Ons viertal kreeg hoge posities, ze werden aangesteld als adviseurs van de koning.
Nebukadnezar merkte, dat ze veel beter waren dan de geleerden uit zijn eigen rijk.

Koning Nebukadnezar kreeg eens een nare droom, een nachtmerrie.
Hij schrok wakker en ging rechtop in bed zitten met zweetdruppels parelend op zijn voorhoofd. Hij deed het licht aan en nam een slokje water.
Toen probeerde hij weer te gaan slapen, maar dat lukte helemaal niet.
Voor dag en dauw liet hij een aantal geleerden, tovenaars en meer van die soort bij zich komen.
"Hoor eens geleerde meneren," zei de koning, "ik heb vannacht een vreselijke droom gehad en ik wil, dat jullie mij vertellen, wat die droom te betekenen heeft."
"Goed majesteit," zeiden de geleerde meneren, "vertelt u ons maar wat u gedroomd hebt en wij zullen u vertellen wat het te betekenen heeft."
"Ben je betoeterd," zei de koning, "jullie moeten mij ook vertellen wat ik gedroomd heb, want dat weet ik zelf ook niet meer precies."
"Ja, sorry majesteit," zeiden de geleerden en tovenaars, " maar dat weten wij niet, als u ons niet kunt vertellen wat u hebt gedroomd, dan kunnen wij u ook geen uitleg geven, dat kan geen enkele geleerde van de hele wereld."
"Als jullie mij niet kunnen zeggen wat ik gedroomd heb en wat de betekenis ervan is, dan laat ik jullie in stukken hakken en jullie huizen worden met de grond gelijk gemaakt," zei de koning boos, "maar als jullie mij wel kunnen zeggen wat ik gedroomd heb, dan zal ik jullie rijkelijk belonen."
Toen de geleerde meneren en de tovenaars opnieuw aan de koning duidelijk probeerden te maken, dat ze echt niet konden weten wat hij had gedroomd, werd Nebukadnezar ontzettend verschrikkelijk boos en onmiddellijk gaf hij opdracht om alle wijze en geleerde meneren van Babel te doden.
Dat was wat…….
Boevenwagens reden door het land en pikten overal geleerde mannen en tovenaars op om ze naar de gevangenis te brengen.
Ook DaniŽl en zijn drie metgezellen liepen gevaar, maar ze wisten nog van niets, hoewel DaniŽl wel gehoord had, dat er iets aan de hand moest zijn.
DaniŽl vroeg aan het hoofd van de koninklijke lijfwacht waarom de koning toch zo boos was.
Arioch, zo heette die man, vertelde hem toen wat er aan de hand was.
DaniŽl ging toen naar de koning en vroeg hem: "Majesteit, geeft u mij nog een beetje tijd en dan zal ik uw droom uitleggen. Wacht u alstublieft nog even met het doodmaken van al die geleerde meneren"
"Beltsazar," zei de koning verheugd, "dat is nog eens goed nieuws! Goed ik zal nog even wachten met het doodmaken van de geleerde meneren. Maar maak wel voort, want ik ben zo ontzettend nieuwsgierig naar mijn droom en de uitlegging ervan."
DaniŽl ging toen vlug naar huis en riep zijn drie vrienden bij zich.
Hij vertelde wat er aan de hand was en vroeg hen om tot de Here God te bidden om wijsheid en inzicht.
Hun gebeden werden verhoord en de Here God vertelde aan DaniŽl wat de koning gedroomd had en ook wat die droom betekende.
Nou, DaniŽl was dolblij natuurlijk, dat snap je wel.
Hij ging gauw naar Arioch en zei tegen hem: "Die doodmakerij van geleerde meneren gaat niet door. Breng mij maar vlug bij de koning, want ik ga hem zijn droom uitleggen."
Ze haastten zich naar Nebukadnezar en Arioch zei: "Majesteit, ik heb hier DaniŽl bij me en die zal u de droom uitleggen."
"Prachtig," zei de koning, "is het echt zo DaniŽl, kun je mij vertellen wat ik heb gedroomd en wat dat betekent?"
"Nee majesteit," zei DaniŽl, "geen mens kan weten wat u gedroomd hebt, zelfs de allergeleerdste meneren van de hele wereld niet. Maar de Here God in de hemel kan dat wel en de Here God heeft mij laten weten wat u hebt gedroomd en wat het betekent.
Ik beschik niet over bovennatuurlijk wijsheden, alleen doordat de Here God in zijn goedheid mij uw droom heeft geopenbaard kan ik de uitleg ervan aan u vertellen.
De Here God heeft u door een droom laten weten, wat er in de toekomst gaat gebeuren.
In uw droom zag u een buitengewoon verschrikkelijk groot beeld van een mens.
Het beeld zag er afschrikwekkend uit en stelde een mens voor met een gouden hoofd en een zilveren borst en armen. Zijn buik en dijen waren van koper. Zijn benen waren van ijzer en zijn voeten van ijzer en klei.
En terwijl u keek kwam er een steen van de berghelling afrollen. Die steen verpletterde de voeten van het beeld, zodat het beeld omviel. Toen verpletterde de steen ook de rest van het beeld, zodat er op het laatst alleen nog een grote hoop ijzer, klei, koper, zilver en goud op de grond lag, fijn gemaakt als stof. Toen kwam de wind en alles werd weggeblazen. Niets bleef ervan over. Maar de steen werd steeds groter en groter en groeide uit tot een grote berg, die de hele aarde bedekte."
Koning Nebukadnezar had ademloos geluisterd.
"En verder Beltsazar, hoe gaat het verder? Wat is de verklaring van dit alles?"
En toen begon DaniŽl aan de uitleg van deze vreemde droom.
"Majesteit, u bent de machtigste koning op aarde. Alle andere koninkrijken zijn u onderdanig. Uw Babylonische heerschappij heerst over alle koninkrijken en landen.
Dit koningschap hebt u van de Here God gekregen. God laat u heersen over alle mensen tot in de verste uithoeken der aarde. U bent dat gouden hoofd."
Dat kon Nebukadnezar wel bekoren, en glimlachend verzocht hij DaniŽl verder te gaan.
"Maar aan uw koninkrijk zal eens een einde komen, want ook u zult eenmaal sterven.
Er zal dan een andere wereldmacht komen, kleiner dan het uwe, dat zijn de zilveren borst en armen. Daarna komt er weer een grote wereldmacht, weergegeven door de buik en dijen van koper. Het volgende, het vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer, de ijzeren benen, dat rijk zal alles verwoesten en verbrijzelen.
En tenslotte de voeten en tenen van ijzer en klei. Zij duiden op het volgende koninkrijk, het vijfde, dat zal een verdeeld rijk zijn, gedeeltelijk hard als ijzer en gedeeltelijk broos als gebakken klei.
Deze verdeelde rijkjes zullen proberen machtiger te worden door zich te vermengen door huwelijken. Maar er zal geen eenheid komen, want ijzer en klei laten zich niet mengen.
Maar dan komt de Here God. Hij zal een Koninkrijk oprichten, dat nooit ten onder zal gaan. Dat Koninkrijk zal onoverwinnelijk zijn. Dat Koninkrijk zal alle koninkrijken verbrijzelen, maar zal zelf tot in eeuwigheid blijven bestaan. Het Koninkrijk Gods! Aangeduid door de steen, die van de berg afrolde en uiteindelijk uitgroeide tot een reusachtige berg."
Toen zweeg DaniŽl.
Nebukadnezar was heel blij, dat hij nu wist wat hij gedroomd had en wat het betekende.
Hij begon DaniŽl te loven en te prijzen.
"Uw God is werkelijk de God boven alle goden, hij heerst over alle koningen der wereld!"
DaniŽl kreeg toen een heel hoge functie. Hij werd baas over het hele gebied Babel en bovendien kwam hij aan het hoofd te staan van alle wijze meneren uit Babel.
Zijn metgezellen Sadrach, Mesach en Abednego werden zijn assistenten.
Zij kregen hoge functies in het land, maar DaniŽl zelf bleef aan het hof bij de koning.
Iedereen die de koning wilde spreken, moest daarvoor eerst toestemming aan DaniŽl vragen.
Door zijn hoge functie kon DaniŽl ook veel voor de Joden betekenen.

Koning Nebukadnezar kwam eens op een keer op het idee om een groot gouden beeld te laten maken. Dat beeld werd 27 meter hoog.
Toen het beeld werd ingewijd moesten alle hoge omes van het rijk er bij aanwezig zijn.
Ze moesten zich allemaal keurig voor het beeld opstellen.
En een omroeper, een heraut noemden ze dat, ging toen voor de mensen staan en riep met luide stem: "Het is de wil van de koning dat, zodra de muziek begint te spelen, iedereen zich languit op de grond laat vallen om het beeld te aanbidden.. Wie dat niet doet, zal in de brandende oven worden geworpen!"
Even later begon de muziek te spelen en iedereen ging op de grond liggen.
Iedereen??? Nee, toch niet…. drie mannen bleven gewoon staan.
En wie waren die drie? Dat waren de metgezellen van DaniŽl.
Het waren Sadrach, Mesach en Abednego.
Ze moesten bij de koning komen, die erg boos op hen was.
"Hoor eens Sadrach, Mesach en Abednego,"zei Nebukadnezar, jullie weten toch wat er met je gebeurt als je het beeld niet aanbidt? Dan zul je in de brandende oven worden geworpen en geen enkele god kan je daaruit redden, zelfs jullie God niet."
"Dat zullen we nog wel zien," zeiden Sadrach, Mesach en Abednego toen, "onze God kan ons zeer zeker uit die brandende oven en uit uw macht redden majesteit. Of Hij het zal doen weten we niet, maar in geen geval zullen wij uw beeld aanbidden."
Woedend is Nebukadnezar dan en hij geeft opdracht de oven zeven keer zo heet als normaal te maken en daarna moeten Sadrach, Mesach en Abednego erin worden geworpen.
Maar eerst worden ze stevig gebonden aan handen en voeten.
Toen werden ze door enkele mannen opgepakt en naar de oven gedragen.
De oven werd geopend.
Een alles verzengende hitte kwam hun tegemoet. Die hitte was zo overweldigend, dat de mannen , die Sadrach, Mesach en Abednego in de oven wierpen er zelf door gedood werden.
Maar niet Sadrach, Mesach en Abednego.
De Here God stuurde een engel om hen te beschermen.
De banden, waarmee ze gebonden waren, werden verbroken en ongedeerd wandelde ons drietal, samen met de engel door de brandende oven.
Toen Nebukadnezar eens ging kijken of ze al verteerd waren door het vuur, kon hij zijn ogen niet geloven.
Hij schreeuwde tegen zijn raadsmannen om snel bij hem te komen en het wonder te aanschouwen.
"Kijk," bulderde hij, "drie mannen hebben wij gebonden in de oven geworpen en nu lopen zij ongedeerd door de oven, het vuur deert hen helemaal niet. En er is nog een vierde man bijgekomen en dat lijkt wel een engel!!!"
Hij liet de deur van de oven openen en riep luid: "Sadrach, Mesach en Abednego! Kom uit de oven! Kom hier bij mij!"
De drie mannen stapten uit de oven en werden door alle omstanders van alle kanten bekeken.
Volkomen ongedeerd waren ze, zelfs hun hoofdhaar was niet geschroeid. Ook geen brandlucht was te bespeuren.
Nebukadnezar loofde de God van Sadrach, Mesach en Abednego.
En hij bepaalde toen, dat wie ook maar iets oneerbiedigs over de God van Sadrach, Mesach en Abednego zou zeggen, in stukken zou worden gehakt en zijn huis zou met de grond gelijk worden gemaakt.

Later kreeg Nebukadnezar weer eens een vreemde droom, waar hij niets van begreep.
En weer riep hij DaniŽl om hem de droom uit te leggen.
"Beltsazar," zei hij, "wat ik nu toch weer gedroomd heb…. Moet je horen, ik zag in mijn droom een boom, een buitengewoon ontzettend hoge boom. Zo'n hoge boom had ik nog nooit gezien. De takken van die boom reikten tot de hemel en hij was vanuit alle delen van mijn rijk te zien. Tussen de schitterende bladeren hingen ontelbare vruchten. Genoeg voor iedereen. De boom kon de hele wereld wel voeden. En in de boom bouwden vogels hun nesten.
Toen zag ik uit de hemel een wachter neerdalen, een engel.
Die engel gaf aan andere engelen opdracht de boom om te hakken en de takken met bladeren en vruchten te kappen.
Maar de wortelstronk moesten ze in de aarde laten zitten, bijeengehouden door ijzeren en koperen banden. Dauw uit de hemel moest hem bevochtigen en hij moest gras eten met de dieren. Zeven jaar lang moest hij leven als een dier.
Dit, Beltsazar, was mijn droom. Leg me nu maar eens uit wat dat betekent. De andere geleerde meneren van mijn rijk wisten het niet, maar jij kunt het me vast wel vertellen."
Eigenlijk is dat toch wel vreemd wat hierboven staat. Het gaat over een boom, die omgehakt moet worden en daarna moet die boom als een dier leven. Hoe kan dat nou?
Lees maar verder, als je de uitleg van DaniŽl hebt gelezen zul je het begrijpen.

DaniŽl was erg van streek, hij zat wel een uur in gedachten voor zich uit te staren.
Wat moest hij de koning een vreselijke boodschap overbrengen.
Eindelijk begon hij te spreken.
"Majesteit, ik wou dat ik u iets anders kon vertellen. Deze droom is verschrikkelijk voor u.
De boom, die u in uw droom zag, dat bent uzelf. U bent groot en machtig en heerst tot aan de einden der aarde.
Maar de Here God heeft beslist, dat de mensen u zullen verstoten en dat u in het veld zult leven als een dier. Zeven jaren lang zult u gras eten als de koeien.
Daarom gaf de engel opdracht de boom om te hakken, maar de wortelstronk moest in de aarde blijven zitten.
En dat is niet zonder reden, want als u na die zeven jaren erkent, dat de Here God alle macht in hemel en op aarde toekomt, dan zult u in ere worden hersteld. Dan zult u weer koning zijn.
Majesteit! Wees rechtvaardig, heb medelijden met de armen en vraag vergeving van uw zonden. Misschien zou de ramp dan nog voorkomen kunnen worden."
Maar Nebukadnezar dacht daar anders over. Hij ging gewoon op dezelfde voet verder.
Een jaar later, toen hij eens een wandeling op het dak van zijn paleis maakte, zei hij: "Kijk nou eens naar dit prachtige Babel, mijn koninklijke residentie en hoofdstad van mijn land. Alles tot stand gebracht met mijn grote macht."
Maar toen klonk er een stem uit de hemel: "Nebukadnezar, dit zal niet langer jouw rijk zijn. Je zult worden verstoten en in het veld moeten leven, gras etend als de koeien, zeven jaren achtereen. Na zeven jaar kan daar een einde aan komen, als je erkent, dat alle aardse koninkrijken toebehoren aan de allerhoogste God."
En wat de Stem zei gebeurde. Nebukadnezar werd uitgestoten.
Na zeven jaar kwam Nebukadnezar weer bij zinnen. Hij keek omhoog naar de hemel en aanbad de Allerhoogste, zeggende: "God heerst in eeuwigheid! Aan zijn Koningschap komt nooit een einde!"
Koning Nebukadnezar kreeg zijn koningschap terug.

Een latere koning van Babel was Belsazar.
Deze Belsazar nodigde eens een heleboel hoge omes, wel duizend, uit voor een groot feest.
Hij liet de gouden en zilveren bekers, die Nebukadnezar eens uit de tempel te Jeruzalem had geroofd, halen en daaruit dronken ze de wijn. En ze dronken niet weinig. O nee, ze werden steeds vrolijker.
Maar dan opeens……………
Wat gebeurt daar???????????
Aan de muur tegenover de koning verschijnt zomaar een mensenhand.
De koning schrikt zich een hoedje!
…ťn hoedje? Hij schrikt zich wel drie hoedjes!
Zijn haren gaan recht overeind staan!
En die hand aan de muur begint te schrijven….
De koning wordt lijkbleek en doodsbang.
Met knikkende knieŽn roept hij: "Wie kan lezen wat daar staat!?
Wie mij dit kan uitleggen zal rijkelijk worden beloond!"
Maar zelfs de geleerdste meneren begrepen er niets van.
En de koning kreeg het steeds benauwder.
Maar toen kwam de koningin op het lawaai af om te zien wat er toch aan de hand was.
"Maak je toch niet zo druk Belsazar," zegt ze, "weet je dan helemaal niet dat er in je rijk een man woont met grote wijsheid? Nebukadnezar stelde hem aan als hoofd van alle geleerde meneren."
"Laat die man onmiddellijk hier komen, "schreeuwde Belsazar.
DaniŽl werd gehaald en voor de koning geleid.
De koning zei tegen DaniŽl: "Ben jij die goocheme Gijs, die door Nebukadnezar uit Juda is weggevoerd? Verklaar mij, wat die hand daar op de muur heeft geschreven en ik zal je met kostbare geschenken overladen en je mag als derde man over mijn rijk de baas spelen."
"Geef uw geschenken maar aan een ander," zei DaniŽl, "daar heb ik geen belang bij, maar ik wil u wel vertellen wat daar op de muur staat.
Toen koning Nebukadnezar groot en machtig was en zich niets van de geboden van de Here God aantrok, werd hij verstoten en moest hij zeven jaren in het veld met de dieren leven.
U bent geen haar beter. U leeft er maar op los. U gebruikt zelfs de bekers uit de tempel van de Here God om u te bezatten.
Daarom heeft de Here God een hand deze boodschap op de muur laten schrijven: ' mene, mene, tekel ufarsin '.
In het kort komt dat hierop neer: u bent gewogen en te licht bevonden in Gods ogen.
God heeft de dagen van uw koningschap geteld en daar komt nu een einde aan.
Uw koninkrijk zal aan de Meden en Perzen worden gegeven."
Nog diezelfde nacht stierf Belsazar.

En daarna behoorde Babel dus tot het rijk der Meden en Perzen.
Als je het verhaal over Esther gaat lezen, dan zie je daar een kaartje van MediŽ en PerziŽ.
De nieuwe koning heette Darius en hij nam heel veel personeel.
Eerst een massa gouverneurs, meer dan honderd.
En drie onderkoningen mochten de baas spelen over die gouverneurs.
En ťťn van die onderkoningen was DaniŽl.
Nou, we weten al, dat DaniŽl een pienter mannetje was en dat hadden zijn collega's ook al snel door. Ze konden niet aan hem tippen en daarover waren ze erg jaloers.
Toen dacht de koning er ook nog over om de hoogste post in het rijk aan DaniŽl te geven.
DaniŽl werd dus een soort opperonderkoning.
Nou, toen waren de anderen natuurlijk helemaal razend.
Ze zeiden tegen elkaar: "We moeten iets bedenken, waardoor de koning DaniŽl niet meer zo voortrekt.
Ze dachten….. en dachten….. en dachten…..
En eindelijk….. "Ja! Ik weet iets!!!" riep ťťn van hen.
"Wat dan…. wat dan….," riepen de anderen in koor, "vertel….. vertel….."
En toen vertelde de meesterplannenmaker zijn plan. De anderen luisterden ademloos toe.
Toen de meesterplannenmaker uitgesproken was, klapten de anderen in de handen en ze riepen luid: "Joech hei, joech hei!!!"
Weet je wat het plan was? Nee? Nou, dan zal ik het je vertellen.
DaniŽl had in zijn huis op de bovenverdieping een slaapkamer, waarvan het open raam in de richting van Jeruzalem was.
En drie maal per dag knielde DaniŽl voor dat open raam om te bidden tot de Here God.
Nu wist de meesterplannenmaker dat ook.
En weet je wat hij bedacht had?
Ze maakten een wet, waarin bepaald werd, dat iedereen die in de komende dertig dagen iets zou vragen aan God of een mens, in de leeuwenkuil zou worden geworpen. Men mocht alleen iets verzoeken aan de koning, aan Darius.
Toen gingen ze naar de koning.
Eerst gingen ze strooplikken.
"Koning Darius, leef in eeuwigheid!" zeiden ze.
"Wij vinden dat de mensen u meer moeten eren. Wij vinden dat u een koninklijk besluit moet uitvaardigen, waarin bepaald wordt, dat de mensen zich alleen tot u mogen wenden als ze iets te wensen hebben. Mensen die zich met hun verzoeken tot anderen wenden, goden of mensen, moeten in de leeuwenkuil worden geworpen. En het moet een wet van Meden en Perzen zijn."
Dat hadden ze handig bekeken, de slimmeriken, want een wet van Meden en Perzen kon niet worden herroepen.
"Dat is prima," zei de koning en hij zette braaf zijn handtekening.
Maar o, o, o, wat kreeg hij daar een spijt van.
De meesterplannenmaker en zijn medestanders hielden DaniŽl natuurlijk scherp in de gaten.
Lang hoefden ze niet te wachten, want DaniŽl ging drie keer op een dag voor het open raam bidden.
En meteen gingen de klikspanen toen naar de koning.
"Majesteit," zeiden ze tot de koning, "u hebt immers een verbod uitgevaardigd, dat niemand zich met een verzoek mag richten tot een ander dan tot u?"
"Jazeker," zei koning Darius, "dat heb ik en het is een wet van Meden en Perzen, die kan dus niet worden herroepen."
"Maar majesteit," zeiden de klikspanen toen, "DaniŽl trekt zich totaal niets aan van uw verbod. Drie keer op een dag knielt hij voor zijn open raam, dat uitziet richting Jeruzalem om daar tot zijn God te bidden."
Maar wat kreeg de koning toen spijt van zijn verbod, want hij was erg gesteld op DaniŽl.
Hij treuzelde nog erg, maar de klikspanen bleven bij hem aandringen en toen zat er voor de koning niets anders op, dan opdracht te geven DaniŽl in de leeuwenkuil te werpen.
Foei, foei, foei, wat was de koning verdrietig.
Hij kon de hele nacht niet slapen.
Voor dag en dauw stond hij de volgende morgen op en haastte zich naar de leeuwenkuil.
"DaniŽl, DaniŽl," riep hij, "DaniŽl leef je nog? Heeft jouw machtige God je beschermd tegen de leeuwen? DaniŽl, als je me hoort, geef dan alsjeblieft antwoord."
En tot zijn onuitsprekelijke vreugde hoorde hij toen de stem van DaniŽl: "Geen zorgen majesteit, ik leef nog, de leeuwen hebben mij niets gedaan en ik wens u een heel lang leven toe! De Here God heeft mij zijn engel gestuurd om mij tegen de leeuwen te beschermen."
De koning liet toen snel DaniŽl uit de kuil omhoog trekken.
Ook gaf hij opdracht om de meesterplannenmaker en zijn kornuiten, de klikspanen, gevangen te nemen en in de plaats van DaniŽl in de leeuwenkuil te werpen.
En dat maaltje lieten de leeuwen zich goed smaken.
Niets bleef er over van de klikspanen, zelfs geen botje.
Koning Darius liet toen aan al zijn onderdanen weten, dat ze diepe eerbied en ontzag moesten betonen aan de God van DaniŽl, de enige levende God aan wiens macht nooit een einde zal komen.
DaniŽl bekleede een hoge positie en was erg geliefd tijdens de regering van Darius en daarna ook tijdens de regering van de Perzische koning Kores.

 

Afbeeldingen gebruikt met toestemming van Importantia Publishing www.importantia.com