A S S Y R I ň

 

EEN WERELDRIJK

plm 875 - 600 v.C.

Koning Salomo sterft in het jaar 926 v.C. En met hem sterft ook het grote Rijk IsraŽl. Zijn zoon Rehabeam zit slechts heel kort op de troon van IsraŽl.
De tweedracht tussen de stammen ontbrandt weer. Een scheuring van het rijk volgt. Twee koninkrijken komen ervoor in de plaats: in het noorden IsraŽl en in het zuiden Juda.
Rehabeam wordt koning over Juda en de eerste koning over IsraŽl wordt de ijlings uit Egypte teruggekeerde Jerobeam.
Het volk IsraŽl heeft zelf zijn grote rijk te gronde gericht.
Het verbrokkelde rijk komt tussen de molenstenen van twee grote machten. De AssyriŽrs bedreigen IsraŽl in het noorden en in het zuiden wordt Juda bedreigd door de BabyloniŽrs. Deze twee grote machten zullen de volgende eeuwen het wereldtoneel beheersen.
IsraŽl en Juda strijden voortdurend om de grensbepaling.

1 Kon. 14 vs 30: Er was voortdurend oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam.
1 Kon. 15 vs 16: En er was oorlog tussen Asa en BaŽsa, den koning van IsraŽl, zolang zij regeerden.

Aan de hoofdweg van Jeruzalem naar het noorden bouwt Juda de vesting Mizpa, terwijl verder naar het oosten Geba wordt versterkt. Dat werd de definitieve grens.

1 Kon. 15 vs 22: De stenen en het hout, waarmede BaŽsa Rama versterkt had, namen zij weg en koning Asa versterkte daarmee Geba in Benjamin en Mizpa.

Overblijfselen van de Vesting Mizpa worden tussen 1927 en 1935 door een Amerikaanse expeditie opgegraven. Het zijn bijzonder sterke muurresten. Aan zo'n machtige vesting zie je, hoe fel de oorlog tussen de twee rijken van IsraŽl geweest moet zijn.
IsraŽl komt in de knel te zitten. In het zuiden wordt het belaagd door Juda. Juda deinst er zelfs niet voor terug de gehate Filistijnen te hulp te roepen.
Ten noorden van IsraŽl zit een bondgenoot van Juda, het koninkrijk der ArameeŽrs. Deze reeks oorlogen eindigt pas als de ArameeŽrs verslagen worden door de nieuwe wereldmacht:

A s s y r i Ž

Met de komst van dit nieuwe wereldrijk zijn echter wel de uren van IsraŽl geteld.
Van Juda ook trouwens.
Juda wordt dan geteisterd door een plunderende troepenmacht uit Egypte, onder leiding van farao Sisak.

1 Kon. 14 vs 25 en 26: Het geschiedde echter in het vijfde jaar van koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem. Hij nam de schatten van het huis des Heren en van het huis des konings, ja alles nam hij. Ook nam hij al de gouden schilden die Salomo gemaakt had.

AssyriŽ vormt het grootste gevaar voor IsraŽl. Onder koning Omri, die regeerde van 882 tot 871 v.C., komt de eerste aanval.
Assurnasirpal II schreef in spijkerschrift: "Ik brak van Aleppo op en stak de Orontes over."
AssyriŽ streeft naar wereldheerschappij. Vanuit de oude stad Assur breiden de AssyriŽrs hun heerschappij uit over de volken van het Tweestromenland.


Tweestromenland

In het verslag van Assurnasirpal staat: "Ik brak op van de Orontes, ik veroverde de steden, richtte een groot bloedbad onder hen aan, vernietigde, haalde omver en stak alles in brand. Ik nam levende krijgslieden gevangen. Voor hun steden paalde ik hen. Ik liet AssyriŽrs zich er vestigen."
Even onverwacht als de AssyriŽrs opdoken verdwenen ze weer maar ze zouden terugkomen. Er stond IsraŽl en Juda nog heel wat te wachten. Ze zaten in de weg. De AssyriŽrs hadden toegang nodig tot de Middellandse zee en tot de grote weg naar Egypte.
En dan bewijst koning Omri van IsraŽl, dat hij zijn vroegere kwaliteiten als legeraan- voerder nog steeds bezit. In het heuvelland van Samaria koopt hij een berg waarop hij de nieuwe hoofdstad van IsraŽl bouwt, een sterke vesting, die tevens de naam Samaria krijgt.

1 Kon. 16 vs 24: Toen kocht hij van Semer den berg Samaria voor twee talenten zilver, bebouwde den berg en noemde de stad die hij bouwde, Samaria, naar Semer, den eigenaar van den berg.

Uit alles blijkt de deskundigheid van Omri. Samaria ligt op een ongeveer 100 meter hoge, glooiende heuvel, in een halve cirkel door hogere bergen omgeven, in een vruchtbaar dal. Ze hebben een eigen bron. In westelijke richting reikt de blik tot aan de Middellandse zee. Koning Omri maakt grote indruk op de AssyriŽrs. Een eeuw later is het 'Huis van Omri' nog de officiŽle naam voor IsraŽl bij de AssyriŽrs.
En inderdaad, achttien jaar na de dood van Omri gebeurt het! Het is dan 853 v.C. en Salmanassar III overvalt Karkemisj aan de Eufraat en is op weg naar Palestina.
Koning Achab, zoon van Omri, doet dan iets vreemds, maar dat blijkt wel het enig juiste te zijn, hoewel het volk hem niet begrijpt en hij erover zelfs door een profeet wordt berispt.
De toekomst zou uitwijzen, dat zijn handelwijze juist was.
Hij had juist zijn grote vijand, de Aramese koning Benhadad van Damascus overwonnen. In plaats van zich als de grote overwinnaar te gaan gedragen, behandelt hij Benhadad erg edelmoedig. Hij noemt hem 'mijn broeder' en sluit zelfs een verbond met hem. Zo is hij een vijand armer en een bondgenoot rijker.
Hierdoor werd een oorlog op twee fronten vermeden.
Bij springvloed staken de AssyriŽrs in schepen van schapenhuiden de Eufraat over.
Het bondgenootschap van Achab met Benhadad was slechts van korte duur. Toen de AssyriŽrs vertrokken, laaiden de oude vijandelijkheden direct weer op en Achab verloor het leven in de strijd.

1 Kon. 22 vs 34 e.v.: Een man echter spande den boog zonder bepaald doel en trof den koning van IsraŽl tussen de verbindingsstukken en het pantser. Toen zeide deze tot zijn wagenmenner: Wend den teugel en breng mij uit het leger, want ik ben gewond. Maar de strijd werd dien dag hevig, en de koning bleef rechtop in zijn wagen staan tegenover de ArameeŽrs. Doch des avonds stierf hij en het bloed uit zijn wond vloeide in den wagenbak. Toen ging er tegen zonsondergang een luide kreet door het leger: Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn land. Zo kwam de koning dood Samaria binnen, en zij begroeven den koning in Samaria. Toen men den wagen bij den vijver van Samaria afspoelde, lekten de honden zijn bloed, terwijl de hoeren zich wiesen, naar het woord des Heren, dat Hij gesproken had.

De Bijbel verhaalt onder andere over het ivoren huis, dat Achab bouwde (1 Kon. 22 vs 39). Dit werd naar het rijk der legenden verwezen, maar het is wel degelijk een historisch feit.
Van 1908 tot 1910 en van 1931 tot 1935 vonden er opgravingen plaats te Samaria. De stad van Omri werd blootgelegd. De muren waren vijf meter dik. Aan de westkant worden muren en fundamenten blootgelegd met in het midden een grote binnenplaats.
Na Omri zette Achab de bouw voort. De gebouwen getuigen van groot vakmanschap. De bouwstenen waren grote blokken, zorgvuldig gehouwen kalksteen.
Bij het ruimen van de puinmassa's treft men opvallend veel ivoorsplinters aan. Op zich is dit niets bijzonders, bij elke opgraving stuit men wel op ivoor, maar niet zoals hier. De bodem is er letterlijk mee bezaaid.
Voor deze vondst weet men maar ťťn verklaring: ze hebben het 'ivoren huis' van koning Achab gevonden. Het was niet zo, dat het hele paleis van ivoor was gebouwd, hoewel men dat wel eerst altijd aannam. De muren waren met het materiaal versierd en de meubelen waren van ivoor.
Aan de noordzijde van de binnenplaats wordt een gemetseld waterbekken blootgelegd.
Dat moet de vijver geweest zijn, waarin de bebloede strijdwagen van Achab gereinigd werd.

Een jonge Engelsman, Henry Layard, vindt in 1845 een bijzondere steen in een oude heuvel, de Tell Nimrud. Het is een grote zwarte steen, twee meter hoog, in de vorm van een obelisk.
Na reiniging komen op de vier kanten reliŽfs, beelden en inscripties te voorschijn. De spits stelt een tempeltoren met drie terrassen voor.
De in vijf series gerangschikte reliŽfs laten prachtig geklede koninklijke gestalten zien, waarvan enkelen eerbiedig het hoofd buigen voor een vorstelijke figuur. Dragers zijn beladen met kostbare schatten, zoals ivoren tanden, balen linnen, gevulde kruiken en manden.
Geen mens kon destijds die reliŽfvoorstellingen verklaren, want geen mens ter wereld was in staat spijkerschrift te ontcijferen.
Pas na jaren is men in staat de tekst te vertalen en dan blijkt de zwarte obelisk een overwinningsmonument van de Assyrische koning Salmanassar III (858-824 v.C.) te zijn, tegenstander van koning Achab van IsraŽl. De lange reeks bloedige veldtochten worden op de steen verheerlijkt.
Dit voegt een interessant getuigenis toe aan de bijbelse overlevering uit die tijd.
Op zijn veroveringstochten stuitte Salmanassar drie keer op een coalitie van koningen uit SyriŽ en Palestina. Op zijn vierde tocht, in zijn 18e regeringsjaar, trof hij echter maar ťťn koning in het gebied, koning HazaŽl van Damascus.
De voormalige bondgenoot van die koning was koning Jehu van IsraŽl, maar daarover geeft het overwinningsmonument een belangrijke inlichting.
Het tweede reliŽf toont een lange rij afgezanten in rijk versierde kledij. En de tekst erbij luidt: 'Schatplichtige Jaua van Bit-Humri: zilver, goud, een schaal van goud, kommen van goud, bekers van goud, emmers van goud, stukken lood, een scepter voor de koning en balsamodendron-hout ontving ik van hem.'
Jaua van Bit-Humri is koning Jehu van IsraŽl, dat door de AssyriŽrs Bit-Humri (Huis Omri) genoemd werd. Hij was afvallig geworden van Damascus. Hij bracht geschenken naar de AssyriŽr. Hij was ontrouw geworden aan zijn bondgenoot en had zich gebogen voor AssyriŽ.
Nauwelijks was Salmanassar uit SyriŽ vertrokken of HazaŽl nam wraak op Jehu.

2 Kon. 10 vs 32 e.v.: In die dagen begon de Here IsraŽl te besnoeien, want HazaŽl sloeg hen in het gehele gebied van IsraŽl oostelijk van den Jordaan...

Na Salmanassar III heeft AssyriŽ een aantal zwakke heersers met als gevolg onlusten in eigen land.
Dat verschaft IsraŽl en Juda van 825 tot 745 v.C. een adempauze. Maar het is slechts uitstel van executie.
Maar intussen bloeit IsraŽl weer op, wordt rijk en geeft zich over aan luxe. De bovenste laag der bevolking leeft decadent, verdorven en goddeloos. De profeet Amos verheft waarschuwend zijn stem.
Waaraan was die plotselinge verandering, die rijkdom toe te schrijven?

2 Kon. 14 vs 25: Hij heroverde het gebied van IsraŽl, van den weg naar Hamath tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de Here, de God van IsraŽl gesproken had door zijn knecht, den profeet Jona, den zoon van Amittai, uit Gath-Hefer.

De 'zee der Vlakte' is de Dode Zee. Het rijk breidt zich uit tot in het Overjordaanse en tot aan SyriŽ toe, zoals in de tijd van David en Salomo.
In 800 v.C. hadden de AssyriŽrs door de verovering van Damascus de macht van de Ara- meeŽrs gebroken en daarmee dus de aartsvijand van IsraŽl uit de weg geruimd. En dus greep IsraŽl de kans om de verloren gegane gebieden terug te veroveren.
In die dagen klinken de onheilspellende woorden van de profeet Amos:

Wee den zorgelozen op Sion, en die zich veilig voelen op den berg van Samaria (Amos 6 vs 1).
Gij, die den bozen dag ver weg stelt, en den zetel van het geweld nabij brengt (Amos 6 vs 3).
Daarom zullen zij nu in ballingschap gaan aan de spits der ballingen, en uit is het met het getier van wie zo omhangen (Amos 6 vs 7).

De woorden van Amos klonken echter voor dovemansoren. Alleen bij koning Jerobeam vonden de woorden van Amos misschien weerklank. Hij versterkte tenminste de vesting Samaria.

Wat Jerobeam toen als verstandige voorzorgsmaatregel liet bouwen, werd gevonden door de Engelsman Crowfoot: Samaria werd met een dubbele muur omgeven. Aan de noordkant legt Crowfoot een gigantisch bolwerk bloot. Hij meet, maar denkt zich te hebben vergist. Hij meet nog eens heel zorgvuldig. Maar er was geen sprake van een vergissing. De muur was inderdaad tien meter dik!

Maar het einde van IsraŽl is in aantocht.
In 745 v.C. wordt de Assyrische troon bestegen door Tiglapilezer III, die regeerde tot 727 v.C. Hij is een voormalige soldaat, die toen Pulu heette.

2 Kon. 15 vs 19: Pul, den koning van Assur, trok tegen het land op.

Zijn doel is SyriŽ. Palestina, Egypte. Hij maakt zelfstandige staten tot Assyrische provincies. IsraŽl onderwerpt zich vrijwillig en moet schatting betalen.

2 Kon. 15 vs 19 en 20: Menahem gaf Pul duizend talenten zilver, opdat deze hem zou bijstaan om het koningschap in zijn hand te bevestigen. En Menahem hief het geld van IsraŽl, van alle vermogende lieden, om het den koning van Assur te geven: vijftig sikkels zilver per hoofd. Toen keerde de koning van Assur terug en bleef daar niet in het land.

En Tiglatpilezer noteert in de annalen: "Schatting van Menahem van Samaria nam ik in ontvangst."
Duizend talenten komt overeen met zeveneneenhalf miljoen gulden. Vijftig sikkels zilver, dat is honderdvijfentwintig gulden. Een eenvoudig rekensommetje leert ons, dat er dan zestigduizend vermogende lieden in IsraŽl geweest moeten zijn.
Koning Menahem vindt, dat vrijwillige onderwerping van twee kwaden het minste is, ook al is schatting betalen daarvan het gevolg. Maar het volk denkt er anders over.
Adjudant Pekah doodt Pekahia, koning van IsraŽl en zoon van Menahem en gaat zelf op de koningstroon zitten.

2 Kon. 15 vs 25: Zijn hoofdman Pekah, de zoon van Remalia, smeedde een samenzwering tegen hem en sloeg hem dood te Samaria, in de burcht van het koninklijk paleis.

De koning van Damascus, Rezin, neemt krachtig het initiatief. Onder zijn leiding wordt het verbond der Aramese staten tegen AssyriŽ weer in het leven geroepen. Fenicische en Arabische staten, Filistijnse steden, Edomieten en IsraŽl maken deel uit van het verbond.
Alleen koning Achaz van Juda weigert aan de liga deel te nemen.
Rezin en Pekah doen nog een poging om Achaz met geweld tot andere gedachten te brengen.

2 Kon. 16 vs 5: Toen trok Rezin, de koning van Aram, met Pekah, den zoon van Remalia, den koning van IsraŽl, op ten strijde tegen Jeruzalem. En zij belegerden Achaz, maar konden in den strijd de overhand niet behalen.

De koning van Juda roept de hulp in van AssyriŽ. Hij nam het zilver en goud uit het huis des Heren en uit de schatkamers van het koninklijk paleis (2 Kon. 16 vs 7 en 8) en zond dat als geschenk naar de koning van AssyriŽ.
De AssyriŽr noteerde in de annalen: "Schatting van Jauhazi (Achaz) van Juda ontving ik."
Daarna voltrok zich het grote onheil. Onze kennis hiervan ontlenen wij aan twee belangrijke historische overleveringen: de Bijbel en de Syrische spijkerschrifttafels. Meer dan vijfentwintig eeuwen lagen die documenten in de paleizen aan de Tigris. Toen werden ze door de geleerden weer ontdekt en uit nieuwsgierigheid vertaald. En weer maken we kennis met de absolute betrouwbaarheid van de Bijbel.
De Bijbel en de Assyrische spijkerschriften vertellen precies hetzelfde, met dit verschil, dat de Bijbel nuchter de feiten vermeldt, terwijl de Assyrische geschiedschrijver tot in de gruwelijkste details treedt.

2 Kon. 16 vs 9: De koning van Assur trok op tegen Damaskus, nam het in en voerde de bevolking in ballingschap weg naar Kir; en Rezin bracht hij ter dood.

Assyrisch spijkerschrift: Zijn voorname lieden paalde ik levend en vertoonde dit schouwspel aan zijn land. Zijn talloze tuinen en boomgaarden vernietigde ik. De geboorteplaats van Reson (Rezin) van het land Damascus belegerde en veroverde ik. Achthonderd mensen voerde ik weg met al hun have en goed. Steden van 16 districten in het land Damascus verwoestte ik als zondvloedheuvels. (Uit: De veldtocht naar het westen, 734-733 v.C.)

2 Kon. 15 vs 29: In de dagen van Pekah, den koning van IsraŽl, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assur, en veroverde Ijon, Abel-Beth-Mašcha, Janoah, Kedes en Hazor, Gilead en Galilea, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur.

Assyrisch spijkerschrift: Bet-Omri (IsraŽl), welke steden ik op mijn vroegere veldtochten alle tot het gebied van mijn land gerekend had, en alleen de stad Samaria had laten liggen... Het uitgestrekte Naftali maakte ik tot een deel van het land AssyriŽ. Ik stelde mijn ambtenaren als stadhouders over hen aan. Alle inwoners van het land Bet-Omri voerde ik met al hun bezittingen weg naar AssyriŽ. (Uit: De veldtocht naar het westen en de veldtocht tegen Gaza en Damascus, 734-733 v.C.)

2 Kon. 15 vs 30: En Hosťa, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, den zoon van Remalia; hij sloeg hem dood en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.

Assyrisch spijkerschrift: Pekah, hun koning, zetten zij af, en ik maakte Hosea koning over hen. (Uit: De veldtocht tegen Gaza en Damascus)

Als de AssyriŽrs weer uit Palestina vertrekken, is IsraŽl verpletterd, met uitzondering van een klein deel in het noorden, Samaria.
Van IsraŽl bleef slechts een klein dwergstaatje over: EfraÔm met Samaria, waar koning Hosea woont.
Juda valt voorlopig nog niet onder de vreemde heerschappij, maar is wel schatplichtig.
AssyriŽ heeft de 'Vruchtbare Halve Maan' stevig onder de duim gehouden.

De 'Vruchtbare Halve Maan' strekt zich uit van de oevers van de Perzische Golf, van de bergketens van PerziŽ tot Klein-AziŽ, van de vlakte van het Tweestromenland via de Libanon en Anti-Libanon tot in Palestina.
Als je vanuit Egypte een lijn trekt via Palestina en SyriŽ en vervolgens lang de Eufraat en de Tigris door MesopotamiŽ tot aan de Perzische Golf, dan krijg je een duidelijke maansikkel.

Alleen de residentie Samaria wordt niet onderworpen. En Samaria komt in verzet. Samen met Egypte zet koning Hosea een samenzwering op touw. Hij weigert schatting te betalen, maar dat komt hem duur te staan.

2 Kon. 17 vs 4: Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea ontdekte, dat hij gezanten naar So, den koning van Egypte, gezonden had en aan den koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot jaar, nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in boeien in de gevangenis.

2 Kon. 17 vs 6: In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde IsraŽl in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Halah, aan den Habor, de rivier van Gozan, en in de steden der Meden.

Drie jaar had de vesting Samaria stand gehouden tegen de AssyriŽrs (2 Kon. 17 vs 5), gevochten als leeuwen hadden ze, maar uiteindelijk moesten ze toch het onderspit delven.
Tijdens de belegering van Samaria was de koning van Assur, Salmanassar V, plotseling gestorven. Maar zijn opvolger, Sargon II, zette de strijd onverminderd voort.
In de annalen vermeldt Sargon: "In het eerste jaar van mijn regering belegerde en veroverde ik Samaria, 27.290 mensen, die daar woonden, voerde ik weg."

In 1842 stuit een zekere Botta, eem Franse consul, bij opgravingen bij het dorp Korsabad, gelegen aan een zijtak van de Tigris, op de muren van een oude burcht. Hoewel hij eerst denkt, dat hij Ninevť heeft gevonden, blijkt naderhand, dat het een reusachtig Assyrisch paleis was, dat ooit toebehoorde aan Sargon II. Op een reliŽftafel stond in spijkerschrift geschreven: 'Dur sjarukin', burcht van Sargon.

Assyrische documenten bevestigen de verhalen in de Bijbel.
Botta vond in de burcht te Korsabad verslagen van Sargon over zijn veroveringen. Sargon II regeerde van 721-705 v.C.
In de annalen staat geschreven: 'Mensen uit de landen, die ik veroverd had, de krijgsgevangenen die ik in handen had gekregen, liet ik daar wonen. Mijn ambtenaren stelde ik aan als stadhouders over hen en ik legde hun, evenals de AssyriŽrs, schatting op.'

2 Kon. 17 vs 24: De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kutha, Avva, Hamath en SefarvaÔm en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de IsraŽlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan.

Wat hier beschreven is, gebeurde in het hele gebied van de 'Vruchtbare Halve Maan'. Mensen werden uit hun land verdreven en gedwongen in een vreemd land te gaan wonen. Hierdoor ontstond een vermenging van de volken, waardoor de eenheid werd verbroken en dus de tegenstand verminderd.
De gemengde bewoners van Samaria heetten later de Samaritanen. De naam Samaritaan krijgt later een negatieve betekenis, het wordt een scheldnaam.
'De Joden gaan niet om met de Samaritanen', lezen we in Johannes 4 vs 9. Maar lees dan ook even Lucas 10 vs 30-37.

Het volk van het noordelijke rijk IsraŽl verdween naar vreemde landen, mengde zich daar tussen de bevolking en dook nooit meer in de geschiedenis op. Alle nasporingen naar het verblijf van de tien stammen zijn op niets uitgelopen.

Hoe ging het intussen met Juda?
Velen in Juda zullen zich verheugd hebben over de ondergang van IsraŽl. Maar de profeet Micha slaat de angst om het hart.

Micha 1 vs 8 en 9: Hierover wil ik weeklagen en jammeren, wil ik barrevoets gaan en naakt, zal ik jammerklachten uitstoten als de jakhalzen en rouwkreten als de struisvogels, omdat zijn wonden ongeneeslijk zijn, omdat het tot Juda is doorgedrongen, en reikt tot de poort van mijn volk, tot Jeruzalem.

Micha vermoedt, dat Juda hetzelfde lot zal treffen als IsraŽl. In Juda is Hizkia dan koning, de zoon van Achaz, die zich vrijwillig had onderworpen aan de AssyriŽrs.
Maar Hizkia wil niet langer onderworpen zijn aan de AssyriŽrs. Hij is een verstandige man met een vooruitziende blik.
In de Filistijnse stad Asdod breken onlusten uit tegen AssyriŽ, waardoor in 713 v.C. een liga tot stand komt tegen de onderdrukker.
Daar ziet Hizkia wel wat in maar hij sluit zich er niet bij aan. Hij onderhandelt in het geheim.
Maar helaas! AssyriŽ slaat keihard toe. De liga valt uiteen. Asdod wordt door de AssyriŽrs belegerd en veroverd. De bevolking wordt weggevoerd. Hun plaats wordt ingenomen door vreemden.
Hizkia komt er zonder kleerscheuren af. Maar zijn spel was wel doorzien. Ook was de Assyrische koning nauwkeurig op de hoogte van de geheime onderhandelingen van Hizkia met Egypte.
Maar dan, in 705 v.C., verspreidt zich groot nieuws door de 'Vruchtbare Halve Maan': Sargon is vermoord!
Ongelukkigerwijze wordt juist in die tijd koning Hizkia doodziek. Dat was een grote tegenvaller. Wat kon men doen om Hizkia van zijn ziekte te genezen?

2 Kon. 20 vs 7: Jesaja nu zeide: Neemt een vijgenkoek. Zij namen dien en legden hem op de zweer. Toen genas hij.

Bij de haven Ras Shamra in Noord-SyriŽ vinden opgravers in 1939 brokstukken van een oeroud boek over veeartsenij, waarin beproefde behandelingen waren opgeschreven, zoals: Heeft een paard een gezwollen hoofd of een gewonde neus, dan bereidt men een zalf van vijgen en rozijnen, vermengd met havermeel en water. Het mengsel moet in de neusgaten van het paard gegoten worden.
Men had voor iedere ziekte een recept. Planten en vruchten vormden de belangrijkste geneesmiddelen. Men had zelfs recepten voor paarden, die beten of teveel hinnikten. Hinniken kon in bepaalde omstandigheden fataal zijn, denk maar aan ruiters in hinderlaag. Een hinnikend paard kon dan hun positie verraden.
Veel van die geneesmiddelen konden ook voor mensen worden gebruikt. Ook het middel 'debelah', een geperste vijgenkoek, hoorde daartoe. En dit middel heeft koning Hizkia van zijn zweer genezen. Een dergelijk middel wordt zelfs tegenwoordig nog door Zwitserse artsen voorgeschreven bij bepaalde abcessen. In het randschrift van de Statenbijbel staat echter iets anders, namelijk dat het wel een dienstig middel was, maar dat de genezing voornamelijk tot stand kwam door de kracht des Almogenden.

Terwijl Hizkia herstellende is van zijn ziekte, krijgt hij bezoek van Merodach-Baladan, de koning van Babel, die in BabyloniŽ Marduk-apla-iddin genoemd werd.
Hij was een felle tegenstander van AssyriŽ en zoekt steun bij Hizkia.

2 Kon. 20 vs 13: En Hizkia hoorde naar hen en hij liet hun zijn gehele schathuis zien: het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olie, zijn gehele tuighuis en alles wat zich onder zijn schatten bevond. er was niets in zijn paleis en in zijn gehele rijk, dat Hizkia hun niet liet zien.

2 Kron. 32 vs 5: Met man en macht herstelde hij den gehelen afgebroken muur, bouwde daarop torens en daarbuiten een anderen muur.
Voorts versterkte hij den Millo van de stad Davids en maakte werpspiesen en schilden in menigte.

Jeruzalem wordt voor een zware belegering bewapend. Er worden torens gebouwd en muren gerepareerd. Aan de noordkant wordt zelfs een tweede stadsmuur gebouwd. En dat was nog niet alles.

2 Kon. 20 vs 20: Het overige van de geschiedenis van Hizkia en al zijn dappere daden, en hoe hij den vijver en de waterleiding heeft aangelegd en het water naar de stad heeft gebracht, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda?

2 Kron. 32 vs 30: Jehizkia was het ook, die den bovensten uitgang van het water van Gihon dichtstopte en het naar beneden westwaarts naar de stad Davids leidde.

Jeruzalem krijgt heden ten dage veel bezoekers, maar het gebeurt slechts zelden, dat men afdwaalt naar die donkere plek buiten de muren, die een getuigenis aflegt van een reeds lang vervlogen, zware tijd, de tijd, waarvan hierboven sprake is. Deze plek werd in 1880 toevallig ontdekt door een Arabisch jongetje.
Waar in het zuidoosten de hellingen geleidelijk afdalen naar het Kidrondal, ligt een vijver, de Siloah-vijver. Twee knapen waren daar aan het spelen en ťťn van hen valt in het water. Al ploeterend bereikt hij de overkant, een rotswand. Maar dan schrikt hij zich een hoedje, het wordt plotseling pikdonker om hem heen. Rondtastend ontdekt hij een smalle gang.
Toen men dit naderhand controleerde, vond men daar een uitgestrekte onderaardse tunnel, uitgehakt in de kalksteen, zestig centimeter breed en maar nauwelijks anderhalve meter hoog.
Kronkelend gaat het bergopwaarts. Na een halve kilometer eindigt het bij de Maria-bron, sinds oeroude tijden het waterreservoir van Jeruzalem. Dit was in bijbelse tijd de Gihon-bron.
Toen deskundigen de gang onderzochten, vonden ze op de muur, slechts een paar passen van de Siloah-vijver verwijderd, een inscriptie met oud-Hebreeuwse letters.
Het volgende stond in de rotswand gegrift:

De doorboring is ten einde. Dit nu is de geschiedenis van de doorboring. Terwijl de arbeiders nog voortdurend houweel na houweel ophieven in elkanders richting, en nog slechts drie el doorboord moest worden, hoorden zij elkanders stemmen, terwijl zij elkaar toeriepen, aangezien er aan de rechterkant een spleet in de rots was. En op de dag van de doorboring sloegen de steenhouwers houweel tegen houweel om elkander te ontmoeten; en het water stroomde naar de vijver over een afstand van 1200 el, en de rots verhief zich 100 el boven de hoofden der steenhouwers.

De Turkse regering liet de inscriptie uit de muur breken. Hij is nu te zien in het museum te Constantinopel. *)
Dit was de aanleg van de waterleiding van koning Hizkia!
Het kanaal loopt S-vormig door de rotsen. Waarom? Een kanaal in rechte lijn had een besparing van 217 meter hard werk opgeleverd.
Volgens de overlevering zouden tussen de bron en de vijver diep in het gesteente de graven van koning David en koning Salomo liggen.
Opgravers onderzochten deze verklaring en vonden inderdaad inkepingen in de rotsen, die mogelijk graven waren geweest, doch reeds in de oudheid waren verwoest.
Kunnen dit werkelijk de graven van David en Salomo geweest zijn?
Kathleen M. Kenyon, ťťn van de meest vooraanstaande bijbelse archeologen meent van niet.Anderen hebben echter een tegenovergestelde mening.
We zullen wel nooit te weten komen, hoe het precies zit.

Al die activiteiten bleven natuurlijk niet verborgen voor AssyriŽ, waar intussen een nieuwe heerser aan de macht was: Sanherib. Een opstand in het oosten van zijn gebied belet hem echter in te grijpen. Als hij in 702 v.C. de situatie weer meester is, komt hij in actie en verslaat in een enkele veldtocht de opstandige staten.
Juda wordt geheel bezet en Hizkia wordt in Jeruzalem ingesloten. Van de grensvestingen biedt alleen Lachis nog tegenstand. Hiertegen zet Sanherib zijn stormtroepen in.
Sanherib laat van die strijd reusachtige reliŽfs maken, die in het Brits Museum in Londen te aanschouwen zijn.
De verdedigers wierpen stenen en brandende fakkels naar beneden op de aanvallers. Ook een regen van pijlen werd afgevuurd.
De AssyriŽrs vallen met grote heftigheid aan. Belegeringsmachines, de eerste tanks ter wereld, rollen over schuin oplopende wallen op de muren af. Ze zijn van een als de loop van een kanon naar voren stekende stormram voorzien. Zo'n tank wordt door drie man bezet. Onder de bescherming van een koepel staat de boogschutter. De tweede man richt de stormram, terwijl de derde man met een pollepel water over de tank giet om de naar beneden geworpen, brandende fakkels te doven.
Anderen graven tunnels onder de fundamenten van de muren. Onder bescherming van de tanks komt dan de infanterie in actie.
Weldra worden de eerste gevangen mannen en vrouwen weggevoerd, terwijl op spitse balken levenloze lichamen hangen.
Een Engelse archeoloog, James Lesley Starkey, heeft de ruÔnes van de vestingmuren van Lachis opgegraven. Duidelijk zijn de door de Assyrische tanks geslagen gaten nog te zien.
En toen ging er een bevel van Sanherib uit.

2 Kon. 18 vs 17: Daarna zond de koning van Assur den veldmaarschalk, den hofmaarschalk en den maarschalk uit Lachis met een sterke legermacht naar Jeruzalem, tot koning Hizkia.

Dat betekende dus, dat nu Jeruzalem aan de beurt was om belegerd te worden.
Op een zeskantig prisma van klei, gevonden tussen de puinhopen van Ninevť, staat de volgende, door Assyrische geschiedschrijvers vastgelegde tekst:

En Hizkia van Juda, die zich niet aan mijn juk onderworpen had, sloot ik zelf in Jeruzalem, zijn residentie, in als een vogel in zijn kooi. Ik wierp verschansingen tegen hem op en wie uit de stadspoort naar buiten kwam, vergold ik zijn misdaad. Zijn steden, die ik geplunderd had, scheidde ik van zijn land af.
Hij echter, Hizkia, ging uit vrees voor de glans van mijn heerschappij door de knieŽn, 30 talenten goud, een zware schatting alsook zijn dochters, zijn hofdames, zangers en zangeressen liet hij mij naar Ninevť achternabrengen. Om zijn schatting te overhandigen en mij eer te bewijzen, stuurde hij zijn gezant.

2 Kon. 18 vs 14: Toen legde de koning van Assur aan Hizkia, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver op, benevens dertig talenten goud. En Hizkia gaf al het zilver dat zich bevond in het huis des Heren en in de schatkamers van het koninklijk paleis. Te dien tijde ontblootte Hizkia de deuren en de posten van den tempel des Heren, die Hizkia, de koning van Juda, had laten beleggen; en hij gaf het aan den koning van Assur.

Maar dan gebeurt het onverwachte: Sanherib staakt de strijd. Het hele land is al veroverd en Jeruzalem is belegerd en dan staakt hij de strijd.
Het moet wel iets heel bijzonders geweest zijn, dat hem daartoe heeft bewogen. De Assyrische spijkerschrifttafels vermelden niets hierover, de Bijbel wel:

2 Kon. 19:35-36: In dien nacht ging de Engel des Heren uit en sloeg in het leger van Assur honderd vijf en tachtig duizend man. Toen men vroeg in den morgen opstond, zie, zij allen waren lijken. Dus brak Sanherib, de koning van Assur, op en aanvaardde de terugtocht; en hij bleef te Ninevť.

Hoe dat precies in zijn werk ging? Er wordt beweerd, dat Egyptenaren in de nacht een grote massa veldmuizen op de AssyriŽrs loslieten, die alle pijlenkokers, bogen en handvatten van schilden stuk knaagden. Of dat waar is??
Muizen waren in die dagen wel het symbool van de pest.
In 1938 vond de archeoloog Starkey aan de rand van Lachis een mogelijke aanwijzing. Tweeduizend menselijke skeletten in een massagraf in de rots. Ze waren er kennelijk in grote haast ingeworpen. Waren deze doden soms het slachtoffer van een plotselinge, hevige besmettelijke ziekte?

In elk geval was de belegering afgelopen en Jeruzalem kon weer opgelucht ademhalen. De mensen gaan energiek aan de slag met de wederopbouw, die snel opschiet.
Sanherib is nooit teruggekomen. Die had het de volgende twintig jaar veel te druk met veldtochten en oorlogen in MesopotamiŽ. En dan wordt ook hij vermoord, net als zijn vader. Twee van zijn zonen zijn de moordenaars. Een andere zoon volgt hem op als koning.

2 Kon. 19 vs 37: Eens, toen hij zich neerboog in den tempel van zijn god Nisroch, doodden zijn zonen, Adrammelech en Sarezer, hem met het zwaard; doch zij ontkwamen naar het land Ararat. Zijn zoon Esarhaddon werd koning in zijn plaats.

De troonopvolger, Esarhaddon (of Asarhaddon), gaf zelf een uitvoerig verslag van het gebeuren:

Mijn broeders vatten het plan voor een trouweloze daad op. Zij kwamen in opstand. Om de koningsheerschappij te kunnen uitoefenen, doodden ze Sanherib. Als een leeuw ging ik te keer, mijn gemoed kwam in opstand.

Ondanks hevige kou, breekt hij in de elfde maand van het jaar 681 v.C. in sneeuw en ijs op om zijn vijanden te vernietigen.

Deze troonrovers vluchtten naar een onbekend land. Ik bereikte de kade van de Tigris en liet mijn troepen over de brede Tigris springen alsof het een sloot was. In de maand Addar (de 12e maand) kwam ik vol vreugde in Ninevť aan. Ik zette mij welgemoed op de troon van mijn vader. Er waaide een zuidenwind, die de uitoefening van de koningsheerschappij gunstig gezind is. Ik ben Asarhaddon, koning van de hele wereld, koning van AssyriŽ, de zoon van Sanherib.

De grootste overwinning behaalden de AssyriŽrs in 663 v.C.
Koning Assurbanipal, zoon van Asarhaddon, veroverde toen No-Amonk de voor onneembaar gehouden hoofdstad van Noord-Egypte, door de Grieken Thebe genoemd.
Assurbanipal bejubelde zijn overwinning:

Ik veroverde de gehele stad. Zilver, goud, edelstenen, het gehele bezit van het paleis, bonte gewaden, linnen , prachtige paarden, slaven en slavinnen, twee grote obelisken van glanzend brons met een gewicht van 2500 talenten, de deuren van de tempel haalde ik van hun plaats en bracht ze naar AssyriŽ. Een geweldig grote buit van onschatbare waarde nam ik uit Thebe mee.

Opgravingen bevestigen ten volle de beschreven catastrofe. De toenmalige wereld lag na deze overwinning aan de voeten van AssyriŽ.
Maar Assurbanipal is geen krijgsman van het formaat van zijn vader of zijn grootvader Sanherib.
De macht van het grote rijk begint dan ook al gauw te tanen. De koning krijgt belangstelling voor andere zaken.
Zo liet hij in Ninevť een bibliotheek aanleggen, die de grootste en belangrijkste van het hele Oude Oosten werd. Ook ging hij graag op jacht met pijl en boog en met de spies. Hij jaagde te paard of in een lichte tweewielige jachtwagen.
Met de dood van Assurbanipal in 626 v.C. stort het machtige Syrische rijk in.
Er volgen nog wel wat schermutselingen, maar dan valt het doek voor het machtige wereldrijk AssyriŽ.

*) Constantinopel heette eerst Byzantium en was de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. De stad is in 660 v.C. gesticht.
De stad werd in 330 n.C. door Constantijn de Grote tot hoofdstad van het Romeinse Rijk verheven en kreeg toen de naam Roma Nova, later werd dat Constantinopel.
In 1453 werd de stad ingenomen door Turken, die de Aya Sofiakerk in een moskee veranderden. De stad kreeg toen de naam Istanbul.


Links naar websites van anderen over dit onderwerp:

http://www.lamplicht.nl/assyrbab.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Assyri%EB

Bronnen:
De Bijbel
En de Bijbel heeft toch gelijk - Werner Keller