Lang,
héél lang geleden leefde er in een land hier ver
vandaan een man, die Gideon heette. Hij werd ook wel
Jerubbaäl genoemd.
Deze Gideon woonde in een stad, die Ofra heette.
Hij was een gelovige man, hij was zelfs een dienstknecht
van de Heer.
In dat land en in die tijd was het heel gewoon, dat een
man meer dan één vrouw had. Ze hadden dan een
hoofdvrouw met een aantal bijvrouwen. En als je veel
vrouwen had, kon je natuurlijk ook veel kindertjes
krijgen.
Stel je nu eens voor, dat je pappa twintig vrouwen had.
Je moet er niet aan denken, want dan was het net of jij
twintig mamma's had. En wat kon je dan veel broertjes en
zusjes hebben. Als die twintig mamma's elk drie
kindertjes zouden krijgen, dan waren dat samen zestig
broertjes en zusjes!
Nou, die Gideon, waar we het nu over hebben, had ook heel
veel vrouwen en hij had zelfs in totaal zeventig zoons!
Asjemenou, wat moesten die 's middags veel aardappels
schillen!
Een bijvrouw van Gideon kreeg een zoontje, dat ze de naam
Abimelech gaf.
En die Abimelech was geen beste, dat werd later een
slechte man. Als klein jongetje was hij ook al niet zo'n
brave. Dat begon al op de kleuterschool, daar hadden de
andere kinderen al een hekel aan hem, want hij zat
iedereen maar te pesten. Hij wilde ook steeds met
iedereen vechten, iedereen moest doen wat hij wou.
Toen Gideon heel oud geworden was, is hij overleden. Ze
hebben hem in Ofra begraven, op hetzelfde kerkhof, waar
ook zijn vader begraven was.
Toen zijn vader niet meer leefde, zag Abimelech zijn kans
schoon. Hij ging naar de stad Sichem, daar kwam zijn
moeder vandaan en daar woonden nog ooms van hem. Hij ging
naar die ooms om raad.
"Hoor es ooms," zei hij, "mijn vader had
zeventig zoons en die gaan nu allemaal de baas over
jullie spelen. Pikken jullie dat zomaar? Zou het niet
veel beter zijn, als er maar één man de baas werd? En
zou het niet het beste zijn, als ik dat zou worden? Ik
ben immers van jullie eigen vlees en bloed?" Daar
moesten de ooms eens even goed over nadenken.
Toen ze uitgedacht waren riepen ze Abimelech en zeiden
tegen hem, dat ze er wel iets in zagen, dat hij de baas
zou worden, een soort koning dus.
Ze gaven Abimelech toen een flinke portefeuille met geld.
Veel geld, waarvan hij mannen, die hij in dienst nam hun
loon kon betalen. Je begrijpt natuurlijk wel, dat dit
slechte mannen waren, want Abimelech was zelf ook een
slechterik.
Een heel erge slechterik zelfs, want weet je wat hij
deed? Hij ging naar Ofra, naar het huis van zijn vader.
En daar liet hij die slechte mannen tegen zijn broers
vechten. En die broers konden niet tegen al die slechte
mannen op en ze werden allemaal gedood. Erg hè?
Maar er wist toch nog eentje te ontkomen. Dat was de
jongste zoon van Gideon, hij heette Jotham.

Daarna kwamen alle mensen van Sichem bijeen in een
samenkomst bij een grote hoge eik, die daar al eeuwen had
gestaan en daar besloten ze om Abimelech tot koning te
benoemen. En zo kreeg die gemenerik zijn zin.
Toen Jotham, de jongste zoon van Gideon, hoorde dat
Abimelech tot koning was benoemd, vond hij dat helemaal
niet mooi, dat snap je wel.
Hij riep toen alle mensen van Sichem bijeen en ging ze
een verhaaltje vertellen, over bomen, die een koning
wilden hebben:
De bomen in het grote bos
hadden eens een vergadering en toen was er één
boom, die zomaar opeens zei: "We moesten
eigenlijk een koning hebben!" De andere
bomen keken hem stomverbaasd aan. Wat mankeerde
die rare boom nou opeens! Een koning over ons?
Maar toen ze er nog wat over na gingen praten,
bleek al gauw, dat er meer bomen waren, die daar
wel wat in zagen. Maar toen kwam de vraag:
"Wie, o wie moet dan koning over ons worden?"
Eerst vroegen ze het aan de olijfboom:
"Zeg Olijfje, wil jij onze koning worden?"
"Ben je betoeterd," zei Olijfje. "Ikke
niet! Moet ik over jullie zweven en mijn
vettigheid kwijtraken? Niks hoor! Zoek maar een
ander.
Neem de vijgenboom maar, die is er veel beter
geschikt voor."
Maar ook de vijgenboom voelde er niets voor.
"Moet ik mijn zoetigheid en goede vruchten
verlaten om boven jullie te gaan zweven? Vergeet
het maar rustig!"
Toen probeerden ze het bij de wijnstok "Toe
wijnstok, alsjeblieft, wilt u onze koning worden?"
"O nee," zei de wijnstok. "Geen
denken aan! Dacht je, dat ik mijn heerlijke
vruchtensap, dat de mensen zo vrolijk maakt, in
de steek zou laten om jullie koning te worden?
Geen sprake van!"
Ten einde raad zijn ze. Wil er dan niemand koning
zijn? En dan proberen ze het nog één keer. Ze
gaan naar het doornbos. "Doornbos, wilt u
alstublieft onze koning zijn?"
En het doornbos zei: "Willen jullie mij echt
als koning? Durf je dan ook bij mij te komen en
in mijn schaduw zitten? Durven jullie dat, dan
zal ik jullie koning zijn, maar durven jullie dat
niet, dan zal ik met vuur de cederen van Libanon
verbranden." |
Toen zei Jotham tegen de mensen:
"Als jullie benoeming van Abimelech als jullie
koning eerlijk en oprecht gegaan is, wees dan blij met
Abimelech en laat Abimelech blij zijn met jullie. Als
jullie mijn vader, als hij nog zou leven, ook nog recht
in de ogen zouden durven kijken. Mijn vader, die voor
jullie heeft gestreden en die jullie uit de macht van
jullie vijand heeft gered. Mijn vader, wiens zoons jullie
gedood hebben....
Als jullie geweten over dit alles zuiver is, dan hebben
jullie niets te vrezen. Maar o wee, als dat niet zo is. O
wee, als jullie mijn broers voor niets hebben laten doden!
Vuur zal u en uw huis verbranden. En ook Abimelech zal
door vuur verteerd worden."
Toen maakte Jotham, dat hij weg kwam, want hij was bang,
dat Abimelech hem anders gevangen zou nemen.
Toen Abimelech drie jaar koning was geweest en volop
genoot van zijn koninklijke leventje, zorgde de Here God,
dat daar een eind aan kwam.
De mensen begonnen hem ontrouw te worden. Ze namen ongure
types in dienst en lieten die in de bergen hinderlagen
leggen en voorbijgangers beroven.
De mensen kregen hulp van een andere grote boef, Gaäl
genaamd. En die had een heleboel helpers bij zich.
En Gaäl zei: "Wat verbeeldt die Abimelech, die zoon
van Jerubbaäl zich wel!? Laat hem maar opkomen, ik lust
hem rauw!"
De garnizoenscommandant van de stad Sichem, Zebul heette
hij, stuurde stiekem iemand naar Abimelech om te
vertellen, wat Gaäl allemaal gezegd had.
Abimelech legde toen hinderlagen buiten de stadsmuren. Ze
hadden al een tijdje in hinderlaag gelegen en sommigen
kregen het al koud. Een paar anderen krabden zich als
gekken, want ze hadden hevige jeuk. Ze waren zo handig
geweest om precies op een mierenhoop te gaan liggen.
Maar dan eindelijk.... ja hoor.... daar kwam Gaäl met
zijn mannen aangeslopen. Voetje voor voetje slopen ze
naar de stadspoort, die natuurlijk gesloten was.
Toen ze bij de poort aangekomen waren, kwam Abimelech in
actie. Hij liet zijn mensen opstaan en ook zij begaven
zich naar de stadspoort.
Toen Gaäl toevallig even omkeek, zag hij hen aankomen.
Hij schrok zich een hoedje, misschien zelfs wel twee
hoedjes. Eerst had hij zo'n groot woord, dat hij die
Abimelech wel eens even mores zou leren, maar nu het er
op aan kwam, werd hij helemaal wit om de neus. Wat een
held.
Abimelech was intussen dichterbij gekomen en ze begonnen
tegen Gaäl en zijn mensen te vechten. Met de moed der
wanhoop vocht die dappere Gaäl terug, maar dat duurde
maar even, toen sloeg hij op de vlucht. De held.
Maar Abimelech moest nog met zijn weerbarstige onderdanen
afrekenen. Ze hadden zich verschanst in Sichem.
De volgende dag verzamelde Abimelech een grote menigte
mensen, om hem te helpen en daarmee trok hij de stad
binnen. Hij brak de hele stad af. Maar midden in de stad
stond een grote sterke toren en daarin hadden zich veel mensen
verscholen. Hoe moest Abimelech die nu de baas worden?
Nou, daar wist hij wel wat op.
"Kom mensen," riep hij. "Volg mij naar
buiten naar het bos." Daar aangekomen nam Abimelech
zijn bijl en hakte een tak van een boom, die hij over
zijn schouder legde. En hij liet alle mensen hetzelfde
doen. Gelukkig hadden ze allemaal een bijl bij zich, want
anders hadden ze natuurlijk veel langer werk gehad.
Beladen met takken gingen ze naar de stad terug. Daar
legden ze de takken rondom de toren en staken ze in de
fik. Het duurde niet lang of de hele toren stond in
lichterlaaie. Toen had Abimelech de hele stad Sichem
verwoest.
Maar er was nog een stad, die Abimelech moest veroveren.
Die stad heette Tebez. Ook die stad veroverde Abimelech
en ook die stad had een sterke toren in het centrum,
waarin de mensen zich hadden verschanst. Ze klommen zelfs
op het dak en dat was niet zo best voor Abimelech, want
toen hij de toren met zijn mensen bestormde, gooide een
vrouw boven van de toren een stuk molensteen naar beneden.
Abimelech was toen net bij de deur van de toren
aangekomen en hij kreeg dat stuk steen precies op zijn
hoofd. En daar kon zijn hoofd helemaal niet tegen. "Krak",
zei zijn hersenpan.
En dat betekende het einde van Abimelech. En ook het
einde van alle mensen, die eerst hem tot koning kozen en
later tegen hem in verzet kwamen.
En zo strafte de Here God tegelijk Abimelech en de mensen
van Sichem.
|